Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 160-162; volledig herschreven)

Op vrijdag 21 januari 1944 hielden Nederlandse jodenjagers in dienst van de Sicherheitsdienst een razzia, de vorm van een serie van vier arrestatie-acties, op de volgende, verraden adressen:

1. Joost van de Vondellaan 1
2. (vermoedelijk) Professor Lorentzlaan 2 (huisartspraktijk, het onderduikadres van het gearresteerde gezin was Wallenburg 1
3. Woudenbergseweg 49 (tijdens de bezetting 25), Austerlitz; zie de volgende beschrijving

Na deze eerste drie acties werden niet-geplande arrestaties verricht op Jan Willem Frisolaan 9, die niet het gevolg waren van verraad maar van een toevallige, tussentijdse ontmoeting. Wegens daardoor ontstaan tijdgebrek gaven de jodenjagers opdracht aan de gemeentepolitie om de vierde, geplande arrestatie-actie te verrichten, op:

4. Oranje Nassaulaan 32

In memoriam:

  • Hans Arnout van Dam (Amsterdam, 2 augustus 1933 – Auschwitz, 11 februari 1944), bereikte de leeftijd van 10 jaar
  • broertje Eric Arnout van Dam (Amsterdam, 3 september 1935 – Auschwitz, 11 februari 1944), bereikte de leeftijd van 8 jaar
  • Gerd Moses Löwenthal, handelaar in baby-artikelen (Barmen-Elberfeld, 17 januari 1912 – Midden-Europa, 30 juni 1944), bereikte de leeftijd van 32 jaar
  • echtgenote Diena Löwenthal-Hoek (Enschede, 20 april 1912 – Auschwitz, 11 februari 1944), bereikte de leeftijd van 31 jaar
  • (Waren beider zoontjes ook op dit onderduikadres? Zie Wallenburg 3)

Onderduikgevers:

  • Jan van Veenendaal, landbouwer (Amerongen, 6 oktober 1904 – Zeist, 18 februari 1994), en
  • echtgenote Nieta Christina van Veenendaal-Ursinus (Eck en Wiel, 19 februari 1908 – Zeist, 13 september 1974)

Deeltijds inwonend een nichtje

In het grote Onderduikboek is de arrestatie van de broertjes Hans en Eric van Dam kort beschreven. Inmiddels is er aanzienlijk meer bekend. In 2017 is het boek ‘Zussen, Een oorlogsverhaal’ van Hinke Piersma verschenen. Daarin wordt het leven beschreven van drie zussen Hendrix, waarvan de oudste – Ina – de moeder was van de beide jongens. De navolgende beschrijving is grotendeels ontleend aan het boek en voor het overige aan nader onderzoek naar de onderduiksituatie.

Hans (1933) en Eric van Dam (1935), die nog een jonger zusje Anneke (1938) hadden, waren afkomstig uit Amstelveen. Vader Nout (Arnout Elias) van Dam had daar een atelier, waar confectiekleding (kostuums, regenjassen e.d.) in kleine series gemaakt werd, hoofdzakelijk voor vaste klanten zoals Brenninkmeijer en Peek&Cloppenburg. Van Dam kocht zelf de benodigde stoffen in, vaak in het buitenland, en had waarschijnlijk tussen de tien en twintig medewerkers (v/m) in dienst. Moeder Ina (Catharina) van Dam-Hendrix was voor haar huwelijk verpleegster geweest en werkte later mee in het confectie-atelier.

In de meidagen van 1940 wilde het echtpaar met hun drie kinderen naar Engeland vluchten. Toen ze naar IJmuiden gereden waren, bleek er voor hen geen plek aan boord van enig schip.
Het gematigd tot liberaal joodse gezin kreeg vervolgens te maken met alle anti-joodse maatregelen. Het confectie-atelier kwam in 1941 onder beheer van een Duitse ‘Verwalter’, op 1 september van dat jaar moesten de broertjes Van Dam van school – ze kregen tijdelijk les in de synagoge – en half mei moest alle joodse inwoners van Amstelveen gedwongen verhuizen naar Amsterdam en dus ook het gezin Van Dam-Hendrix. Ze trokken in bij Ina’s 62-jarige moeder, de weduwe Judith Hendrix-Cohen, op Valeriusstraat 105hs. Nout en Ina gingen in Amsterdam aan de slag als hulpverpleger respectievelijk ziekenverzorgster.

In de 2e helft van 1942 werd er gezocht naar onderduikplaatsen. Nout en Ina van Dam-Hendrix namen daarbij de traumatische beslissing om hun kinderen elders onder te laten brengen. Hun warme gezin viel uit elkaar.
Via studentenverzet kreeg het echtpaar contact met de illegale werkster Johanna Goubitz, dochter van een joodse vader en een niet-joodse moeder. Ook haar oudere zus en twee broers deden illegaal werk. Johanna bracht de 4-jarige Anneke van Dam onder bij het domineesgezin Troelstra-Pees in Halle. Annekes moeder had haar verteld dat ze een tijdje uit logeren ging. Ze bleef negen maanden in Halle, tot de dominee met zijn gezin naar Wageningen vertrok.
Daarna kwam ze bij het eenvoudige boerengezin Woolschot-Eenink in het gebied de Slangenburg bij Doetinchem. Het gezin beleed de Nederlands Hervormde godsdienst en dagelijks werd na de maaltijd uit de bijbel gelezen. Op dit onderduikadres zou Anneke van Dam de bezetting overleven. Ze zou zelfs tot haar dertiende verjaardag, in 1951, bij het gezin Woolschot-Eenink blijven wonen en haar onderduikgevers bleef ze tot hun dood papa en mama noemen.

Hans, die negen jaar oud was en Eric van Dam, zeven jaar, werden ook ondergebracht bij een eenvoudig boerengezin, bij het echtpaar Jan en Nieta Christina (Stine) van Veenendaal-Ursinus, dat vanaf medio juni 1941 op Woudenbergseweg 25 (later 23a en anno 2023 nummer 49) in Austerlitz woonde. Hoe de jongens daar terecht kwamen, is niet bekend. Evenmin of hun ouders daar ook even zijn geweest. Maar waarschijnlijk doken die meteen onder in Amsterdam.
Het huis aan de Woudenbergseweg – tegenwoordig rietgedekt in plaats van met een pannendak – ligt net als tijdens de bezetting nog steeds verscholen in de bossen bij Austerlitz. Nog meer dan toen, want het huis grensde indertijd aan één kant aan weilanden waar nu bomen staan. Het zandpad van toen is nu een asfaltweggetje.
Het was niet zo’n logische onderduikplek voor de twee broertjes Van Dam. In de directe nabijheid bevonden (en bevinden) zich zes stenen en houten barakken, die oorspronkelijk bestemd waren voor huisvesting van soldaten tijdens de algehele mobilisatie van 1938, maar vanaf 1943 het Nationalsozialistisches Kraftfahrerkorps huisvestten. (Na de bevrijding werden er eerst Canadese militairen en gerepatrieerden uit de concentratiekampen ondergebracht en vanaf 1946 was het Militair Neurose Hospitaal (MNH) daar gevestigd.)
Was het onder de neus van de bezetter juist veiliger?

De onderduikgevers Jan en Stine van Veenendaal-Ursinus hadden, net als het echtpaar Woolschot-Eenink, een klein boerenbedrijf met wat koeien, varkens en kippen. Ze waren CHU-stemmers, redelijk streng hervormd. Op zondag werd de bijbel gelezen en werd er niet gefietst. Het echtpaar had zelf geen kinderen, maar wel vaak een nichtje (3-5 jaar) in huis, omdat de zuster van Stine ziekelijk was. In familieverband werd kennelijk niet al te geheimzinnig gedaan over de onderduiksituatie. Dat wil zeggen, Hans en Eric van Dam gingen mee naar familiebijeenkomsten en stonden bijvoorbeeld prominent op een van de familiefoto’s. Risicovol?
Waarschijnlijk gingen de broers niet naar school in Austerlitz. Ook niet bekend is of ze daar onder een onderduiknaam verbleven, of onder hun eigen naam, wat in hun geval goed mogelijk zou zijn. Vaker werd aan ondergedoken kinderen de status ‘uitgebombardeerd in Rotterdam’ gegeven en wellicht gold dat ook voor Hans en Eric?

Hoe de jongens zelf hun onderduik beleefd hebben, is ook niet bekend. Het moet voor hen in elk geval een geweldige overgang zijn geweest, gescheiden van hun ouders en van een stadsmilieu naar een boerenomgeving annex protestants kerkelijk milieu. Hans had bijvoorbeeld Montessorionderwijs genoten. Eric brak om een onbekende reden een been. Daar was een dokter aan te pas gekomen. Hans had de onderduikgevers verteld dat hun ouders zijn timmerdoos ondergebracht hadden bij een timmerman in Amstelveen, die – net als de tuinman – wist waar het echtpaar Van Dam-Hendrix hun meubilair had ondergebracht. (In 2017 zouden er door de kleindochter van de timmerman nog bezittingen overgedragen worden aan Anneke van Dam.)
Anno 2022 kan de nicht van Stine van Veenendaal-Ursinus, die als meisje soms inwoonde op Woudenbergseweg 25, niets vertellen over het verblijf van de broertjes van Dam. Wel had ze later gehoord dat niet algemeen bekend was in haar familie, dat ze joods waren.
Verder blijven er dus veel vragen rond deze onderduiksituatie.

De ouders van de broertjes woonden nog steeds in Amsterdam.
Zus Els van Ina van Dam-Hendrix, had gewerkt bij de kinderleeszaal van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, en twee van haar collega’s daar hadden zich al gauw ontpopt als illegale werkers en jodenhelpers. Een van hen, Margreet (Margaretha Philomena) Taselaar, bood het echtpaar Van Dam-Hendrix in de herfst van 1942 onderdak in haar woning op Herengracht 175 hs.
De noodzaak van onderduiken verviel voorlopig, toen het echtpaar een voorlopige vrijstelling van deportatie kreeg, een zogenaamde Sperr. Die verviel in de winter van 1942 al weer, waarna ze opnieuw hun toevlucht zochten op Herengracht 175 hs. Dat ging goed tot 26 januari 1943. Nout van Dam had contact gekregen met de gescheiden havenarbeider Dirk de Ruiter die op Dintelstraat 40 samenwoonde met de gescheiden pensionhoudster Maria Euphemia van Ginkel. Zij gaven voor dat ze hem zouden helpen, maar Maria van Ginkel werkte onder de naam ‘Eva’ voor de Sicherheitsdienst.

Die noodlottige dinsdag in januari 1943 ging Nout van Dam rond half zeven ’s avonds op bezoek bij het stel, zonder jodenster, met het persoonsbewijs van de 6,5 jaar jongere Amsterdamse onderwijzer Willem Johannes Schultink en met een groot geldbedrag. Toen hij de woning van de verraders verliet, wachtte buiten de beruchte rechercheur Hendrik ‘Poppesnor’ Blonk hem op. Een ontsnappingspoging werd door Blonk met een waarschuwingsschot gestopt. Op het politiebureau liet hij Nout van Dam de handtekening zetten van Schultink en daarbij viel Van Dam door de mand. Hij werd op 7 februari 1943 ingesloten in Kamp Vught, waar hij enige tijd ziek was. Op zijn kampkaart werd ‘Straftat Illegalität’ genoteerd, maar de gebruikelijke aantekening ‘strafgeval’ ontbrak om onduidelijke redenen.

Tijdens zijn berechting na de bevrijding zou Blonk de aanklager corrigeren, toen die hem naar zijn mening beschuldigde van te weinig arrestaties van joodse onderduikers. Volgens Blonk waren het er wel 100 geweest. Omdat ‘Poppesnor’ ook goede dingen gedaan zou hebben, bleef zijn straf beperkt tot 7 jaar (de eis was 20) en daarvan hoefde hij maar ongeveer de helft uit te zitten. In 1950 runde hij al weer detectivebureau Blonk & co.

Toen haar echtgenoot op dinsdag 26 januari 1943 niet terug kwam, was Ina van Dam-Hendrix naar hem op zoek gegaan. Het verradersduo hield haar 16 dagen later op Dintelstraat 40 aan – hoe is niet bekend – en leverde haar op 11 februari 1943 ook uit aan rechercheur Blonk. Ina werd op 19 februari eveneens binnengebracht in Kamp Vught, waar ze haar echtgenoot trof. Ze werd geregistreerd als ‘strafgeval’ (onderduiken was strafbaar), maar mocht toch als verpleegster in het kampziekenhuis werken.
Hun verblijf in Kamp Vught duurde maar een paar weken. Op 31 maart 1943 werden ze overgebracht naar Kamp Westerbork, op 6 april gedeporteerd naar Sobibor en daar na aankomst op 9 april 1943 vermoord. Pal voordat Nout van Dam naar de gaskamer gestuurd werd, liet men hem nog in het Duits een aankomstbericht naar de familie schrijven. Een cynische daad, om toekomstige gedeporteerden enigszins gerust te stellen.

Ook voor hun zoontjes sloeg het noodlot toe, negeneneenhalve maand later. Op 21 januari 1944 werden op vijf adressen in Zeist invallen gedaan en joodse onderduikers gearresteerd, ongetwijfeld na verraad. De eerste drie invallen werden gedaan door de Haagse wachtmeesters Henk Westerdijk en Dick Verbaan, die de Sicherheitspolizei in Den Haag ondersteunden bij de jacht op joodse onderduikers. Ze begonnen ’s middags bij pension Weltevreden op Joost van de Vondellaan 1 en in een dokterspraktijk in Zeist. Aan het einde van die middag vielen beide wachtmeesters binnen op Woudenbergseweg 25. Ze arresteerden Hans en Eric van Dam. Ook werd de 28-jarige landarbeider en buurman Cornelis Jacobus de Booij opgepakt, die verbleef op Woudenbergseweg 23. Mogelijk omdat hij zich met de arrestatie had bemoeid? (In het grote Onderduikboek werd het voor mogelijk gehouden dat De Booij de onderduikgever was, maar daar was dus geen sprake van.)

Dagrapport van vrijdag 21 januari 1944 (no. 21) van de gemeentepolitie Zeist:
18.15 uur brengt H. Westerdijk en H. Verbaan wachtmeesters der Politie te dienst bij de Sipo te Den Haag, aan het bureau:
Hans van Dam, geboren 2 Augustus 1934 [moet 1933 zijn] en Eric van Dam, geb. 3 Sept. 1836 [moet 1935 zijn], wonende Woudenbergscheweg no. 25 alhier. En Cornelis Jacobus de Booij wonende Woudenbergscheweg no. 23 worden op 22 januari 1944 overgebracht naar den Haag Sipo. J. de Booij in cel 12 geplaatst. De kleine jongens in passantenkamer.
In de kantlijn staat met verwijzing naar De Booij: ‘geb. 11-1-16 te Moordrecht, landarbeider’.

Vlak daarvoor waren die middag in Zeist het echtpaar Löwenthal-Hoek en hun twee zoontjes gearresteerd, die ook in de bossen bij Austerlitz ondergedoken waren, in het gebied dat Wallenburg werd genoemd. Ze hadden die middag hun onderduikadres Wallenburg 1 verlaten voor doktersbezoek.

De volgende ochtend gingen de zes joodse arrestanten op transport naar Den Haag. Van daaruit werden ze op 28 januari 1944 in de barakken 35 (weeshuis) en 67 (strafbarak) van Kamp Westerbork ondergebracht. Op 8 februari moesten ze op transport naar Auschwitz. Gerd Löwenthal leefde nog tot 30 juni, maar zijn echtgenote, hun twee zoontjes en de broertjes Van Dam werden op de dag van aankomst vermoord, op 11 februari 1944.

Waar onderduikgever Jan van Veenendaal zich op het moment van de arrestatie van Hans en Eric van Dam had bevonden, is niet duidelijk – voor het melken van zijn koeien moest hij een eind verderop zijn, achter De Krakeling in Zeist. Zijn echtgenote zou met haar nabij wonende moeder naar de oogarts in Zeist zijn geweest.
Volgens het Zeister gemeentearchief zou van 1 juni 1943 tot 3 maart 1944 het pasgetrouwde echtpaar Hendrik en Catharina Elisabeth van den Berg-Angenent ingewoond hebben op Woudenbergseweg 25. Kennelijk waren zij ook niet thuis ten tijde van de arrestatie, evenmin als het inwonende nichtje dat zich anno 2023 niets van/over de arrestatie kan herinneren en mogelijk bij haar ouders in Maurik was.
De jongetjes waren toch niet alleen thuis? Mogelijk paste buurman De Booij op hen, wat zou verklaren dat ook hij gearresteerd werd. Daar is geen nadere informatie over te vinden.
Toen Stine van Veenendaal-Ursinus die dag terug kwam in huis, was daar veel overhoop gehaald. Volgens de lezing in ‘Zussen’ zou ze naar het politiebureau in Zeist gefietst zijn, waar ze niets had kunnen uitrichten. Daarna waren zij en haar echtgenoot ondergedoken bij familie in het Oosten van het land.
Vooral Stine ging zwaar gebukt onder de gebeurtenissen. Na de bevrijding bleef ze lang geloven in een terugkeer van de broertjes en ze maakte zelfs plannen wat ze dan zouden gaan doen. Toen tot haar doordrong dat Hans en Eric van Dam niet terug zouden komen, ging het volgens haar echtgenoot mis met haar. Apathische buien gingen over in zware zenuwoverspanning en bloedarmoede.

Natuurlijk hield de vraag, wie de jongens verraden had, alle betrokkenen sterk bezig. In een brief die Jan van Veenendaal in oktober 1945 aan de tante van Anneke van Dam schreef, had hij duidelijke vermoedens: ‘Wat die V. betreft die vent loopt nog steeds vrij rond, maar er zijn hier politiebeambten geweest die een spoor van de verraad … ster te pakken hebben, ze is al in verhoor geweest, naar ik gehoord heb. Nota bene een moeder van vijf kinderen. Enfin, de politie krijgt het er wel uit.
Wie de bedoelde vrouw was, is niet bekend, maar wel wie V. was. Behalve hun kinderen (1930, 1938) had het echtpaar V. op Woudenbergseweg 23 (nu 37) een hele serie kostgangers en andere inwonenden. Vanaf medio december 1942 tot na de bevrijding 1945 bijvoorbeeld de Indiasche componist Maheboob Khan (1887) – van 1927 tot 1948 leider van de internationale Soefi-beweging – met diens gezin en adellijke schoonmoeder en haar zuster. Verder woonden tijdelijk op Woudenbergseweg 23 een boswachter, dienstbode en een huishoudster, en er was sprake van iemand die illegaal inwoonde. Navraag bij het Nationaal Archief leert dat er geen zogenaamd CABR-dossier is voor de eveneens genoemde V., zodat hij formeel geen verdachte is geweest.

Geconstateerd mag worden dat er, ook het NSKK-kamp in aanmerking genomen, sprake was van een omgeving die tot uiterste voorzichtigheid had moeten manen. Een voorzichtigheid die echter in de praktijk vaak afnam naarmate een onderduiksituatie duurde.
In elk geval werd ten tijde van het eerste onderzoek niet duidelijk wie het verraad op zijn of haar geweten had. Ook niet of er verband was tussen de vijf arrestaties van de razzia op vrijdag 21 januari 1944, die allen voortkwamen uit verraad.

De verraders van Nout en Ina van Dam-Hendrix overleefden overigens de bezetting niet. Dirk de Ruiter werd medio juni 1943 al geliquideerd. Zijn partner Maria Euphemia van Ginkel overleefde die aanslag, maar werd om onbekende redenen op 15 december 1943 ingesloten in Kamp Vught. Vandaar werd ze naar een concentratiekamp gestuurd. Dat overleefde ze, maar op de terugtocht naar Nederland kwam ze om bij een bombardement.

Uiteindelijk overleefde van het gezin Van Dam-Hendrix alleen dochter Anneke de bezetting. Over haar jonge hoofdje heen werd nog een bittere strijd over de voogdij uitgevochten. De namen van haar ouders en broers staan vermeld op het namenmonument ‘Nooit meer teruggekomen’ in Amstelveen (166 Holocaust-slachtoffers), het Holocaust-monument in Amsterdam en het digitaal joods monument.

Het verraad nader bezien

Het onderzoek naar het verraad van de broertjes Hans en Eric van Dam werd heropend naar aanleiding van rapporten en proces-verbalen van de Zeister gemeentepolitie in 1945, na de bevrijding. Bepaalde bevindingen waren aanleiding voor een bezoek in september 2023 aan het Nationaal Archief, waar een dossier van een verdachte geraadpleegd werd. Dat dossier wierp een ander licht op de toedracht van het verraad en de arrestatie van de zes joodse onderduikers op 21 januari 1943.

Bij de beschrijving voor de onderduiksituatie op Wallenburg 1 was al in het grote Onderduikboek aangegeven dat de onderduikgever Livinus de Smit aldaar goederen van het gearresteerde gezin Löwenthal-Hoek weggehaald had uit de bij de inval verzegelde ruimten. Het was voor mogelijk gehouden dat De Smit de goederen veilig had willen stellen. Dat was echter niet het geval, zo bleek uit zijn zogenaamde CABR-dossier bij het Nationaal Archief. Hij had de goederen verkocht voor een flink bedrag. De diefstal had hem een verblijf van zes weken in de strafgevangenis in Scheveningen opgeleverd.
De naam van De Smit werd bij onderzoek naar naoorlogse gebeurtenissen het eerst aangetroffen in het dagrapport van de Zeister gemeentepolitie voor donderdag 19 juli 1945. Hij werd toen verdacht van diefstal van sigaretten en thee. Bij het onderzoek bleek dat hij in een plaggenhut bij zijn woning twee meisjes had ondergebracht, die zich prostitueerden aan Canadese militairen.
De Smit’s naam dook opnieuw op in een proces-verbaal van de gemeentepolitie Zeist over een ernstige mishandeling op dinsdag 28 augustus 1945. Het slachtoffer was de echtgenote van Cornelis Jacobus de Booij die op 21 januari 1944 tegelijk met Hans en Eric van Dam was opgebracht. Zij huurde vanaf september 1944 met haar echtgenoot, collega van bosarbeider De Smit, een deel van de woning Wallenburg 1.
In het proces-verbaal werd opgemerkt dat De Smit 7 jaar eerder al eens veroordeeld was wegens mishandeling

Livinus de Smit had dus in 1945 een behoorlijk strafblad en leek niet het type van een onbaatzuchtige onderduikgever. Die constatering was aanleiding voor een nader onderzoek naar deze onderduikgever. Navraag bij het Nationaal Archief leerde dat de politieke recherche na de bevrijding een onderzoek had ingesteld naar de gedragingen van De Smit tijdens de bezetting. In het Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging berustte een dossier op zijn naam. Bij raadpleging van dat CABR-dossier werd duidelijk dat hij vanaf begin augustus 1945 ernstig verdacht werd van het verraad van onderduikers in drie woningen in de bossen bij Austerlitz.

De later door Livinus de Smit zo zwaar mishandelde onderhuurster Elisabeth de Booij-Peterse legde een belastende verklaring af. Volgens haar waren de drie onderduikwoningen Wallenburg 1 (het gezin Löwenthal-Hoek), Woudenbergseweg 23 (haar echtgenoot) en Woudenbergseweg 25 (Hans en Eric van Dam) door hun ligging in het bos betrekkelijk moeilijk te vinden.
Ze verdacht De Smit van het verraad van haar echtgenoot. Die was ook op 21 januari 1944 gearresteerd. Als die ondergedoken was voor de Arbeitseinsatz, is het overigens de vraag waarom hij niet langdurig naar Duitsland werd gestuurd en waarom het echtpaar De Booij-Peterse niet veel later woonruimte huurde in de (schamele) woning van de verrader. Het waren merkwaardige verhoudingen, daar op die afgelegen plek.
De redenen waarom Elisabeth de Booij-Peterse De Smit ook verdacht van het verraad van het gezin Löwenthal-Hoek waren tweeërlei. De Smit had haar verteld dat hij geregeld ruzie had met zijn onderduikers en dat hij het gezin Löwenthal-Hoek graag kwijt wilde. Bovendien was het haar opgevallen dat De Smit zelf niet gearresteerd was, wegens het verschaffen van onderduik.
Na de arrestatie had hij de verzegelde kamers opengebroken en daar bezittingen van de onderduikers weggenomen en verkocht. Voor deze diefstal had hij zes weken doorgebracht in de strafgevangenis in Scheveningen. Blijkbaar had hij nog gestolen goederen achtergehouden, want die zou hij in februari 1945 verkocht hebben aan een Duitse militair.

De verklaring van Stine van Veenendaal-Ursinus belastte Livinus de Smit nog zwaarder. Zij en haar echtgenoot hadden in het voorjaar van 1943 een aantal joodse onderduikers in huis genomen, te weten het echtpaar Löwenthal-Hoek, Hans en Eric van Dam ‘en nog verscheidene andere onderduikers’. Het echtpaar Löwenthal-Hoek had echter graag aparte kamers willen hebben, om daar met hun twee zoontjes onder te duiken (niet duidelijk is of die ook al op Woudenbergseweg 25 waren). Ze had daarover overlegd met De Smit die af en toe op bezoek kwam op Woudenbergseweg 25. Hij wilde het risico wel nemen, mits hij daar goed voor betaald werd. Daarop was afgesproken dat het gezin Löwenthal-Hoek voor 25 gulden per week kon beschikken over twee ongemeubileerde kamers zonder licht en brandstof, terwijl ze zelf voor hun eten moesten zorgen.
Livinus de Smit had in de loop van de tijd vaker ruzie gekregen met zijn onderduikers. Hij had herhaaldelijk aan Stine van Veenendaal-Ursinus laten merken dat hij zich geweldig aan hen ergerde en in staat zou zijn om hen te verraden. Ze had hem daarvan weerhouden. Op 21 januari 1944 was het joodse gezin door Sipo-agenten gearresteerd in de praktijk van een dokter in Zeist (vermoedelijk dokter Giesberger die praktijk hield op Professor Lorentzlaan 2). De Smit had een week eerder tegen het echtpaar Löwenthal-Hoek gezegd dat ze moesten verdwijnen. En hij was ervan op de hoogte geweest dat ze naar de dokter in Zeist gingen.
Volgens Stine van Veenendaal-Ursinus had De Smit later tegen zijn onderhuurster Elisabeth de Booij-Peterse beweerd dat het echtpaar Van Veenendaal-Ursinus door een rechercheur gewaarschuwd was dat er een huiszoeking plaats zou vinden op Woudenbergseweg 25. Dat was volgens haar een leugen, anders zou ze de broertjes Van Dam verstopt hebben. Nu waren de jongens ook op 21 januari weggehaald en gearresteerd, waarbij ook vuurwapens gevonden waren.
Volgens Stine had ze tijdens de overval een van de Sipo-agenten tegen de ander horen zeggen: ‘Het is maar goed dat die ouwe ons zo goed heeft ingelicht, anders hadden wij het nooit gevonden.’ Ze zou tijdens de inval mishandeld zijn, maar zou op een onbewaakt moment het bos in hebben kunnen vluchten en zo ontkomen zijn.
Ook zij wees er in haar verklaring op dat De Smit niet gearresteerd was als onderduikgever. Pas na de verkoop van goederen van de gearresteerde onderduikers was hij gevangen gezet. Na verhoor door een van de SD-agenten, die de onderduikers waren komen arresteren, was hij door dezelfde agent vrijgelaten zonder veroordeling: ‘Uit een en ander maak ik op dat Smit niet geheel onschuldig is wat de arrestatie van de joden betreft.

Livinus de Smit werd als laatste verhoord. Hij had de joodse onderduikers inderdaad overgenomen tegen de genoemde condities. Zelf had hem een bedrag van 12,50 gulden per week redelijk geleken, maar door toedoen van Stine van Veenendaal-Ursinus was dat bedrag verdubbeld. Daarvan zou zij vijf gulden krijgen voor het doen van boodschappen voor de onderduikers, maar dat was na 5-6 weken niet nodig gebleken.
De verstandhouding met het echtpaar Löwenthal-Hoek was aanvankelijk goed geweest, maar later was er herhaald sprake geweest van onenigheid. De Smit had de onderduikers wel kwijt gewild en ontkende niet dat hij dat aan anderen had laten weten. Over verraad zou hij echter nooit gesproken hebben.
Vervolgens kwam hij met een opmerkelijk en ongeloofwaardig verhaal. Op een middag in januari 1944 zou hij op bezoek zijn geweest op Woudenbergseweg 25, toen daar een hem onbekende persoon was gekomen, gekleed in een grijze overjas. Stine van Veenendaal-Ursinus was geschrokken en had gevraagd of er iets met haar echtgenoot was gebeurd. Ze had buiten kort met de onbekende persoon gesproken en was binnengekomen met de opmerking dat ze de broertjes in veiligheid moest brengen. De Smit moest zijn onderduikers waarschuwen. Volgens hem had hij dat ook gedaan, maar Gerd Löwenthal zou de waarschuwing genegeerd hebben.

Livinus de Smit begreep zelf ook niet waarom hij niet gearresteerd was als onderduikgever. Ongeveer twee weken na de arrestaties had een hem onbekende Zeistenaar hem overgehaald om de verzegelde kamers open te breken en de daarin aanwezige goederen te verkopen. Naar eigen zeggen, had hij pas na enig heen en weer meegewerkt. Hij had de goederen in Utrecht verkocht voor 260 gulden (koopkracht anno 2025 €4.880 gulden). Voor die diefstal was hij gearresteerd door de Utrechtse recherche. Na een verblijf van vier dagen op het Hoofdbureau van Politie in Utrecht, was hij overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen. Na verloop van zes weken was hij verhoord door een Sipo-agent die bij de overval op Wallenburg 1 aanwezig was geweest. De agent had hem vrijgelaten. Volgens De Smit dankte hij die vrijlating aan een blanco strafregister, maar zijn strafregister bevatte een veroordeling wegens een vooroorlogse mishandeling. Hij ontkende de joodse onderduikers en Jacobus de Booij te hebben verraden.

Dat Livinus de Smit betrokken was bij het verraad van zijn eigen onderduikers is aannemelijk, ook gelet op zijn eigen verklaring. Uiteraard is er een verband tussen de arrestaties van Hans en Eric van Dam respectievelijk Cornelis Jacobus de Booij op dezelfde dag, maar er is geen bewijs dat De Smit dat verraad ook op zijn geweten zou hebben. Theoretisch zou een ander daarvoor verantwoordelijk kunnen zijn. De Smit had geen reden om Stine van Veenendaal-Ursinus te verraden, want hij stond met haar op goede voet.
Hoe dan ook, Livinus de Smit zou niet voor een rechter hoeven te verschijnen om verantwoording af te leggen over zijn gedragingen. Zonder dat de betrokken Sipo-agenten gehoord werden over het verraad, werd hij op 4 maart 1948 voorwaardelijk buiten vervolging gesteld door de Procureur-Fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam. Diens overweging was dat de verklaringen over De Smit’s gedragingen niet meer beoordeeld konden worden door een Tribunaal. Met een wet van 13 mei 1948 werd de Bijzondere Rechtspleging namelijk beëindigd.
Kennelijk werd niet overwogen om De Smit voor een gewone rechtbank te brengen, terwijl het verraad toch geleid had tot de moord op vier kinderen en twee volwassenen. Wel verloor hij zijn kiesrechten voor de duur van tien jaar en moest hij zich gedurende een proeftijd van drie jaar aan een serie voorwaarden onderwerpen. Met een briefje van 16 maart 1948 protesteerde hij – tevergeefs – tegen zijn straf, omdat hij daar zelf geen reden voor zou kunnen bedenken.

Er zullen altijd vragen blijven. Waarom wees Jan van Veenendaal, de voormalige onderduikgever van Hans en Eric van Dam, andere potentiële verraders aan in de brief die hij in oktober 1945 aan de tante van Anneke van Dam schreef. Wist Van Veenendaal niet dat zijn echtgenote Livinus de Smit zwaar beschuldigde van het verraad? Verder was zijn echtgenote wel degelijk thuis geweest toen de broertjes Van Dam gearresteerd werden. Zij zal zeker ook niet naar het politiebureau in Zeist zijn gefietst, als de SD-agenten wapens zouden hebben gevonden in/bij haar woning. Een mogelijk antwoord op bepaalde vragen kan zijn dat Stine van Veendaal-Ursinus zich medeschuldig voelde aan de dramatische gang van zaken. Zij had immers een dubieuze figuur als Livinus de Smit betrokken bij het geven van onderduik. Maar dat blijft speculatie. Duidelijk is in elk geval dat de voormalige onderduikgevers van de broertjes Van Dam meer wisten over de toedracht dan ze later prijsgaven aan de familie van de jongens.

Bronnen:

  • Zie ook het bewezen onderduikadres Wallenburg 1
  • Mededelingen van Tjeerd van Albada, Anneke van Dam en mevrouw L. v.d. A.
  • Hinke Piersma, ‘Zussen’, Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam, 2017.
  • Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister; archief gemeentepolitie, toegang 3500, inventarisnummer 272, politiedagrapport van 21 januari 1944 (arrestatie), inventarisnummer 200, dagrapporten van donderdag 19 juli 1945, en proces-verbalen 1945 (meldingen over Livinus de Smit)
  • Stadsarchief Amsterdam, politierapporten van 26 januari en 11 februari 1943; archiefkaarten en politierapporten voor Arnout Elias van Dam, ‘Catharina Hendriks’, Willem Johannes Schulting, Dirk de Ruiter en Maria Euphemia van Ginkel
  • ITS Arolsen (collections.arolsen-archives.org), Joodse Raad-kaarten voor Arnout Elias en Catharina van Dam-Hendrix en hun zoontjes Hans Arnout en Eric Arnout
  • Joods monument, Arnout Elias en Catharina van Dam-Hendrix en hun zoontjes Hans Arnout en Eric Arnout
  • oudzelhem.eu, Verhalen 2e wereldoorlog
  • www.nooitmeerteruggekomen.nl, ‘De herinnering van Anneke van Dam’
  • Brief van oktober 1945 van Jan van Veenendaal
  • anderetijden.nl, ‘Voorgoed ongeschikt’ (barakken bij de Woudenbergseweg)
  • Wikipedia, Maheboob Khan
  • Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, Politieke Recherche Afdeling (PRA) inventarisnummer 97667, dossier 10878, en Procureur-Fiscaal (PF), inventarisnummer 106698, dossier T51739, Livinus de Smit
  • Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2/09.09, inventarisnummer 253, H.J. Verbaan, en 98586-772 en 260, H. Westerdijk: dit dossier van de betrokken jodenjagers bevat geen informatie over de gang van zaken

1. Woudenbergseweg 49

2. Cover van het boek ‘Zussen’

3. Schoolfoto van Hans van Dam

4. Eric van Dam

5. Moeder Ina met haar drie kinderen

6. Nout en Ina in de tuin van tuin van Johan Verhulststraat B

7.a. Moeder Ina met haar zoontjes op 12 juni 1938

7.b. Vader Nout en zijn zoontjes op 12 juni 1938

8. Anneke van Dam (tweede van rechts) in 1944 op haar onderduikadres in Doetinchem

9. Hans en Eric van Dam

10. Jan en Stine van Veenendaal-Ursinus

11. Hans en Eric van Dam staan links en rechts op een familiefoto, gemaakt bij gelegenheid van een bruiloft van Van Veenendaal op De Krakeling

12. Nout en Ina van Dam-Hendrix

12.a. De registratie van Arnout van Dam in Kamp Vught als ‘strafgeval’

12.b. De registratie van Ina van Dam-Hendrix in Kamp Vught als strafgeval

12.c. De Joodse Raad-kaart voor Arnout van Dam vanuit de gevangenis naar Kamp Westerbork

13. SD-medewerker H.J. Verbaan

14. Brief van Jan van Veenendaal, waarin hij over het verraad schrijft

15. Herinnering aan Hans Arnout van Dam als onderdeel van het herdenkingskunstwerk In Memoriam