Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek pagina’s 89-94 en het supplement, pagina 11)
In memoriam:
- Alfred Fritz Unger, staatloos, voorheen directeur, zonder beroep (Berlijn, 25 april 1896 – Auschwitz, 30 september 1944), bereikte de leeftijd van 48 jaar
Onderduikers (allen ook gearresteerd):
- echtgenote Ruth Behrend, tijdens de bezetting zonder beroep en staatloos (Neu Stettin-Duitsland, 18 oktober 1904 – Den Haag, 1999)
- Jacques Bleekveld (Amsterdam, 15 maart 1935 – Sint Anne-Friesland, 18 maart 1925)
- broertje Karel Bleekveld (Amsterdam, 13 april 1939 – 19 januari 2025)
- Max Susan, geen nadere gegevens bekend
- Johan Bloemist, idem
- ‘Leo Meyer’, idem
Ontkomen onderduikster:
- Rosel Heijmans (Borken-Duitsland, 1929), naar Israël geëmigreerd)
Onderduikgever (gearresteerd en bestraft):
- Christiaan Frederik de Bruijn, administrateur van een wasserij (Delft, 22 mei 1889 – Zeist, 17 februari 1975)
Onderduikgeefster:
- Harmina de Bruijn-Geerling (Enschede, 31 mei 1898)
Vijf kinderen (1928, 1929, 1931, 1936 en 1939)
De in Berlijn geboren Alfred Unger vestigt zich met zijn echtgenote Ruth Behrend-Unger op 15 februari 1941 in Zeist, op Roemer Visscherlaan 3. Als datum van vertrek wordt in het bevolkingsregister 24 mei 1942 genoteerd. De gemeente schrijft de staatloze echtelieden op 28 december 1942 uit, met de aantekening ‘vertrokken onbekend waarheen’. Waar ze de eerste maanden blijven, is niet bekend, maar omstreeks augustus 1943 duiken ze, met valse persoonsbewijzen met de achternaam ‘Hertevelt’, onder bij Chris en Mien de Bruijn-Geerling, op Stadhouderslaan 53. Voor 55 gulden per maand mogen ze twee gemeubileerde kamers en een keuken gebruiken.
Chris en Mien de Bruijn-Geerling zijn vrome gereformeerden. Ze hebben zelf vijf kinderen in leeftijd van vier tot vijftien jaar.
Bij het kinderrijke gezin duiken vanaf ongeveer begin maart 1943 ook nog eens vijf joodse jongetjes onder. Het zijn ‘Leo Meyer’ (5 jaar, zogenaamd uit Arnhem, Bovenbrugstraat 26), en de vier zogenaamd uitgebombardeerde Rotterdammertjes ‘Jacques en Karel Blikveld’ (8 jaar respectievelijk 6 jaar), ‘Max de Vries’ (4 jaar) en ‘Johan Vrolijk’ (5 jaar). De jongetjes worden gebracht door onbekenden en voor hen wordt voortaan 100 gulden per maand betaald.
Het is dus al een drukke bedoening op Stadhouderslaan 53, maar er komt zelfs nog een achtste onderduiker bij in april 1943, de in 1929 in Duitsland geboren Rosel Heijmans, afkomstig uit Groenlo. De voorgeschiedenis van de andere onderduikers is niet bekend, maar de hare wel.
Haar ouderlijke gezin heeft al veel ellende achter de rug. In september 1938 was vader Lion Heijmans met de trein uit Borken op bezoek gegaan bij zijn broer in hun geboorteplaats Groenlo, 30 kilometer van Borken. Bij de grens waren hem twee spaarbankboekjes op naam van de kinderen afgenomen. De douaniers hadden hem verder laten reizen, maar de volgende dag had in de lokale krant gestaan dat ‘de jood Heijmans gevlucht was met tweeduizend gulden’. Zijn vrouw had hem opgebeld en verzocht om in Nederland te blijven. Ze stuurde de twee nog thuiswonende dochters naar Nederland, waar een zoon en een andere dochter al naar school gingen. Tijdens de verwoestende Reichspogromnacht van 9 op 10 november 1938 was de grote manufacturenzaak van het gezin Heijmans in Borken gespaard gebleven, omdat Martha Heijmans-Linz kon aantonen dat ze – door haar huwelijk Nederlandse was – maar ook zij verliet Duitsland meteen. Ze ging nog een keer terug, om Kaufhaus L. Heijmans te liquideren voor een schijntje.
Lion Heijmans probeerde in Groenlo weer een manufacturenzaak op te zetten. Tijdens een van de eerste razzia’s in Nederland was vader Heijmans op 8 oktober 1941 met vier joodse plaatsgenoten opgepakt. Bij het vertrek had hij nog tegen zijn echtgenote geroepen: ‘Ik ga niet alleen!’, omdat zijn broer al op de vrachtauto zat. Hij werd naar Mauthausen gebracht, waar hij negen dagen later op 17 oktober 1941 werd vermoord. Doodsoorzaak: ‘overleden aan een hartstilstand’.
Toen voor haar broer en twee zusjes onderduik geregeld was, was Rosel alleen achtergebleven met haar moeder. Omdat Martha Heijmans-Linz zich op 10 april 1943 moest melden in Kamp Vught (in september moet ze naar Kamp Westerbork), is dochter Rosel door een buurman naar haar broer in Arnhem gebracht. Vandaar uit is een tocht begonnen langs veertien onderduikadressen voor het dan 14-jarige meisje. Van Arnhem gaat ze meteen naar Amsterdam, waar ze na een week door een predikant naar Zeist is gebracht, naar Chris en Mien de Bruijn-Geerling op Stadhouderslaan 53. Ze noemt haar onderduikgevers oom Chris en tante Mien. Die houden zich ook bezig met haar ontwikkeling, want ze heeft maar vijf jaar school gehad. Omdat ze blond is, kan ze als enige van de onderduikers naar buiten en haar onderduikgevers regelen dat ze naailessen krijgt. Als het donker is, loopt ze met de andere onderduikers in het Zeister bos. Ook zij geldt trouwens als de ‘uitgebombardeerde Corrie’ uit Rotterdam.
Op dinsdagmiddag 1 juni 1943, als ze ongeveer zes weken in Zeist is, komt ze rond 15.00 uur terug van naailes. Een man houdt haar vlak bij huis tegen: ‘Corrie, je mag niet naar huis.’ Als ze tussen twee bomen door gluurt, ziet ze fietsen voor de deur staan. Als de eerste verwarring voorbij is, rent ze naar de wasserij Burger aan de Noordweg, waar oom Chris werkt, om hem te waarschuwen.
De inval wordt uitgevoerd door een geüniformeerde Evert Drost en twee collega’s. Mien de Bruijn-Geerling, het echtpaar Unger-Behrend en de vijf kleine onderduikertjes zijn thuis. Drost rent meteen de trap op, maar laat de jongetjes nog even ongemoeid. De schrik is groot. Alfred Unger is niet van plan om zich zonder slag of stoot te laten arresteren. Hij springt uit het raam, maar loopt het huis van een NSB’er binnen en wordt alsnog aangehouden.
Drost bekijkt de persoonsbewijzen van het echtpaar Unger-Behrend en laat ze overbrengen naar het politiebureau. Hij neemt een bedrag van 1.320 gulden in beslag, een paar laarzen, een regenjas, gebruiksartikelen zeep en toiletartikelen, levensmiddelenkaarten en etenswaren.
Rosel Heijmans komt te laat bij de wasserij op de Noordweg. Intussen is Chris de Bruijn daar aangehouden door politieman Van der Peijl, en wordt overgebracht naar het politiebureau. Even later ziet hij dat Alfred en Ruth Unger-Behrend binnengebracht worden. Uit het politiedagrapport van dinsdag 1 juni 1943:
‘16 uur In perceel Stadhouderslaan 53, alhier aangehouden de joden Alfred Unger, geb. 25 april 1896 te Berlin, beroep zonder, nationaliteit zonder, Ruth Behrend, geb. 18 october 1904 te Neu Stettin, gehuwd met Unger, zonder nationaliteit, geplaatst in cel 6 voor Sipo.’
E.C.D
Mien de Bruijn-Geerling komt haar echtgenoot vertellen dat de vijf joodse jongetjes nog zijn achtergebleven in zijn woning. Drost houdt haar er verantwoordelijk voor dat de jongetjes daar zullen blijven, tot hij ze die vrijdag zal komen halen.
Rosel Heijmans weet niet wat ze moet doen. Vertwijfeld, loopt de 14-jarige terug naar de Stadhouderslaan. ‘Tante Mien’ geeft haar door het raam een in kranten gewikkelde pyama aan en zegt dat ze moet vluchten. Maar waar naar toe? Dan stuurt Mien Bruijn-Geerling haar oudste dochter mee. De meisjes lopen met zijn tweeën door het stikdonkere Zeister bos. Rosel besluit bij het eerste het beste huis aan te bellen. Het ongelofelijke toeval wil dat daar de dominee woont, die haar van Amsterdam naar Zeist heeft gebracht. Hij neemt haar in bescherming en zorgt voor een nieuw onderduikadres.
Intussen doet zich op Stadhouderslaan 53 een spectaculaire ontwikkeling voor. Op donderdagmiddag 3 juni omstreeks 15.00 uur wordt er aangebeld. Als Mien de Bruijn-Geerling het raampje in de voordeur opent, ziet ze twee mannen staan. ‘Mevrouw De Bruijn?’ Ze opent de deur en de mannen komen binnen. Ze maken zich bekend als de beruchte Utrechtse rechercheur Jan Smorenburg en een collega, en ze komende de jongetjes halen. De vrouw protesteert. Drost heeft haar uitdrukkelijk bevolen om de kinderen tot vrijdag vast te houden, wanneer hij ze zal komen halen. Daarop zeggen de mannen dat kameraad Drost er van af weet en dat de jongetjes eerst naar Utrecht moeten voor onderzoek. Mien de Bruijn-Geerling houdt voet bij stuk. Alleen als de mannen terugkomen met opperwachtmeester Drost zal ze haar onderduikertjes meegeven. Daarop worden beide mannen dwingender. Drost weet ervan en als ze de jongetjes niet meekrijgen, dan zullen ze niet aarzelen om te schieten. Een van hen houdt een revolver of pistool vast en de ander zegt: ‘Doorlopen.’ Ze lopen naar boven, waarop de vijf jongetjes gillend en krijsend naar beneden rennen.
Een 86-jarige pensiongast komt op het rumoer af. Wat de mannen komen doen? ‘Meneer, bemoei je er niet mee, het gaat u niets aan. Uit de weg!’ Mien de Bruijn-Geerling roept op de trap dat de mannen de kinderen willen weghalen en rent vervolgens naar haar buren die op haar verzoek de politie bellen. De oude pensiongast roept: ‘Heren, wees voorzichtig. Gaat heen, want de politie wordt gebeld!’ Bij terugkeer naar de woning ziet Mien de Bruijn-Geerling de beide mannen wegfietsen.
Vermoedelijk is het daarna al gauw tot haar doorgedrongen dat het geen rechercheurs zijn geweest, maar illegaal werkers. Bij verhoor door de politie die naar het tumult komt, verklaart ze dat ze de mannen bij weerzien vermoedelijk niet zou herkennen. Een droeg mogelijk een bril, een gleufhoed en een donkere jas met een NSB-insigne, de ander droeg een gleufhoed en een donkere jas. Ook de bejaarde kostganger weet geen bruikbaar signalement te geven.
Het zijn illegaal werkers geweest, die getipt zijn vanuit het politiebureau. Student medicijnen Wim Schmidt en student rechten Piet Coumou hadden een plan beraamd om de kinderen weg te halen. Ze hadden zich verkleed als twee medewerkers van de Sicherheitspolizei, in burger met een hoed op, ver over het voorhoofd getrokken om herkenning te voorkomen. In de buurt stonden vrouwen geposteerd met fietsen, die de jongetjes naar onderduikadressen in Utrecht hadden moeten brengen. Maar het is ze dus niet gelukt om de kinderen te kalmeren, terwijl de vrouw des huizes – uit angst voor Drost – naar buiten was gelopen, om de politie te bellen. De moedige bevrijdingspoging is gierend misgegaan.
Evert Drost neemt nu geen risico meer en laat de kinderen die dag meteen ophalen. Ze worden voor de nacht in cel 2 op het Zeister politiebureau geplaatst, dus los van de andere gearresteerden. Door een kijkgaatje in de deur van cel 12 ziet Chris de Bruijn zijn onderduikertjes komen.
Drost verhoort de arrestanten in de dagen dat ze op het politiebureau zitten, ook de jongetjes: ‘Die 5 Knaben erklärten dass sie allen jüdischen Eltern haben.’ Ze zouden Jacques Bleekveld, Karel Bleekveld, Max Susan, Johan Bloemist en Leo Meyer heten.
Er is geen sprake van mishandeling bij de arrestaties en verhoren. Chris de Bruijn verklaart ook dat hij niet geweten heeft dat hij joden in huis had. Als hij dat geweten had …
Op vrijdagochtend 4 juni 1943, omstreeks 10.00 uur, worden de zeven onderduikers en hun onderduikgever onder leiding van Drost naar de Euterpestraat te Amsterdam gebracht. Het echtpaar Unger-Behrend is geboeid, omdat Alfred Unger ook op het politiebureau een ontsnappingspoging heeft gewaagd. Op de Euterpestraat worden de arrestanten overgedragen aan de Sicherheitspolizei, nadat Drost half in het Duits, half in het Nederlands verslag heeft gedaan van de arrestatie. Ogenschijnlijk is hij er kind aan huis, want het onderhoud verloopt zeer vriendschappelijk. Dan scheiden de wegen van de joodse arrestanten en de onderduikgever zich. Chris de Bruijn wordt in een open vrachtwagen naar de strafgevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam gebracht. Hij brengt daar drie maanden door in een cel, waar hij zo slecht te eten krijgt, dat zijn gewicht daalt van 63 naar 48 kilo. Als hij op 9 september 1943 overgebracht wordt naar Kamp Vught is hij zo verzwakt, dat hij door een gedetineerde arts ongeschikt wordt verklaard voor dwangarbeid. Na drie-en-een-halve maand in het kamp wordt hij ontslagen, op 20 december 1943. Hoewel hij niet mishandeld is, komt hij zwaar ziek thuis, als gevolg van het slechte eten. Hij blijft voor 80 procent arbeidsongeschikt, wat door Stichting 40-45 wordt erkend.
Het echtpaar Unger-Behrend is op vrijdag 4 juni verhoord door medewerkers van de Sicherheitspolizei, in bijzijn van Drost. Ze zijn ondervraagd over de herkomst van hun valse persoonsbewijzen en over de organisatie die deze documenten heeft geleverd. De behandeling is correct geweest. Na het verhoor heeft Drost ze naar de verzamelplaats in de Hollandsche schouwburg in Amsterdam gebracht. Hoewel de Sicherheitspolizei te kennen heeft gegeven dat ze niet meer geboeid hoeven te worden, doet Drost dat toch. Nog diezelfde vrijdag is het echtpaar per trein naar Kamp Westerbork gebracht (ze zijn daar op 5 juni geregistreerd), onder begeleiding van Duitsers en mannen in zwarte uniformen. Vermoedelijk NSB-ers? Ze blijven een jaar in het kamp, waarbij ze geregeld contact met elkaar kunnen onderhouden. Op 25 februari 1944 worden Alfred en Ruth Unger-Behrend op transport gesteld naar het concentratiekamp Theresienstadt in Tsjecho-Slowakije en worden daar wederom samen in een kamp opgesloten. Ze lijden daar ontzettende honger. Alfred Unger wordt op 28 september 1944 doorgestuurd naar Auschwitz en vermoord op de dag van aankomst, 30 september.
Zijn echtgenote wordt ook twee keer vanuit Theresienstadt op transport gesteld, maar weet daar steeds weer aan te ontkomen. Ze wordt omstreeks 7 mei 1945 bevrijd door het Russische leger. Haar zoon heeft de bezetting elders overleefd. Ruth Unger-Behrend zal in 1951 de Nederlandse nationaliteit krijgen.
De vijf jongetjes zijn op vrijdag 4 juni naar de Hollandsche schouwburg gebracht. Uiteindelijk zouden ze daar door illegaal werkers zijn bevrijd.
Telefoongesprek op woensdag 8 januari 2020 met Karel Bleekveld:
‘Ik ben wel in Zeist geweest, maar niet op een adres met vier andere jongetjes. Mijn broer Karel ook niet – die was ondergedoken in Leidschedam (en is daar na de bevrijding gebleven). In Zeist was ik ondergedoken met een even oud meisje, met die ik nog in een bos heb gewandeld, een bos met een monument. Het meisje kwam uit Limburg of Noord-Brabant. Later ben ik in Friesland ondergedoken bij mensen in Tzummarum die me geadopteerd hebben.’
In april 2026 neemt de zoon van Karel Bleekveld contact op. Zijn vader is inmiddels overleden en hij wil graag het Onderduikboek voor zijn moeder hebben, om het verhaal te kunnen lezen van Wilhelminalaan 73. Hij wijst op het onderduikverhaal zoals zijn vader dat op de website joodsekinderen.nl heeft verteld:
‘Jacques Bleekveld
“Ik ben in 1943 in Holwerd terechtgekomen bij bakker Bavius Span en zijn vrouw Grietje. Ze hadden zelf geen kinderen. Maar kregen nu ineens een zoon en waren ontzettend blij met me. Ik had toen al een hele reis langs verschillende onderduikadressen achter de rug. Bij aankomst in Holwerd droeg ik een koffertje bij me met een paar pantoffels in maat 43 en een speelgoedvliegtuigje die ik ergens onderweg had gekregen.
Ik woonde voor mijn komst in Holwerd met mijn ouders Samuel en Sara en mijn jongere broertje in Amsterdam. Mijn vader werkte in een slachterij, mijn moeder was naaister. Toen we in 1943 werden opgepakt, kwamen we in de Hollandsche Schouwburg terecht. Daar werden alle Joden vastgezet voor deportatie naar de vernietigingskampen. Mijn ouders hebben het niet overleefd en zijn om het leven gebracht in Sobibor. Mijn broertje en ik zijn gered en uit de crèche tegenover de schouwburg gesmokkeld. Ik kan me niet meer herinneren hoe dat is gegaan. Eerst dook ik onder in de buurt van Amsterdam, maar op een adres in Zeist ging het helemaal mis. Midden in de nacht ben ik met anderen gevlucht en uiteindelijk in Fryslân terecht gekomen.
Ik sprak natuurlijk geen woord Fries toen ik in Holwerd kwam, maar ik voelde mij – ondanks alles wat ik in mijn jonge leven al had meegemaakt – er toch redelijk snel thuis. Naar school kon ik niet. Dat was te gevaarlijk en dus kreeg ik in het geheim les bij juf Osinga thuis. Na de oorlog ben ik bij Bavius en Grietje gebleven. Later is het contact hersteld met mijn broertje die de oorlog elders heeft overleefd. Maar we zijn gescheiden van elkaar opgegroeid.
De oorlog heeft grote impact gehad op mijn leven. Het is moeilijk om het allemaal een plekje te geven. Veel dingen slijten met de jaren. Maar dit niet. De oorlog is er altijd”.’
Ook broer Jacques Bleekveld kan zich niets herinneren van de inval, die door Evert Drost, Rosel Heijmans en Mien de Bruijn-Geerling werd bevestigd. Karel Bleekveld zou naar eigen zeggen in 1942, als 3-jarige jongen via een Amsterdamse verzetsgroep onderduik krijgen bij het gezin Remmerswaal in Leidschendam. Daar had hij de bevrijding meegemaakt.
Hun ouders Samuel en Sara Bleekveld-Samehtini werden op 16 juli 1943 vermoord in Sobibor. Ze waren gearresteerd in onderduik en daarom ondergebracht in strafbarak 68 van Kamp Westerbork.
Rosel Heijmans was na omzwervingen langs verschillende onderduikadressen terecht gekomen in Wageningen. Voor haar gevoel is ze dan al een jaar alleen op de wereld. Maar haar broer – zogenaamd voor de Arbeitseinsatz – en zus, die al anderhalf jaar ondergedoken zijn bij een boer in Arnhem, waren naar haar op zoek gegaan. Van illegaal werkers hoorden ze dat hun zus in Wageningen zat. Daar vond haar zus haar. Ze moest Rosel vertellen dat ook haar moeder en oudste zus Helga niet meer leefden, maar Rosel was zo zielsgelukkig met de ontmoeting dat het droevige nieuws niet tot haar doordrong.
Na de bevrijding vertellen Rosel, haar broer Albert en zus Ilse de onderduikgevers dat ze joods zijn en bovendien familie van elkaar. Ze horen zelf dat hun moeder eind september 1943 gedeporteerd is naar Auschwitz, waar haar een gruwelijk lot wachtte. Martha Heijmans-Linz was namelijk veroordeeld tot de medische experimenten van Josef Mengele. Op 19 januari 1945 zou ze overgebracht zijn naar Ravensbrück. Als sterfdatum werd 24 april 1945 geregistreerd, maar over die datum en de plaats van overlijden bestaat onduidelijkheid.
Van de mensen in Groenlo krijgen de kinderen Heijmans de buiten hun medeweten in bewaring gegeven spullen keurig terug. In Nederland hebben ze niets meer te zoeken en ze besluiten met zijn drieën naar Israël te gaan. Na haar huwelijk gaat Rosel Heijmans voortaan door het leven als Vardit Meir. Op 22 juli 2013 vertelt ze in een indrukwekkend interview over haar oorlogservaringen.
In 1965 is Mien de Bruijn-Geerling dan al op uitnodiging van Vardit Meir naar Israel gereisd. Op aanvraag van Vardit worden Chris en Mien de Bruijn-Geerling op 16 november 1965 door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren.
Bronnen:
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, inventarisnummers 700 II-62533) en BvRC 847/48, E.C. Drost, en informatie uit de rapportenboeken van de gemeentepolitie Zeist
- Reddingsverhaal Yad Vashem van 16 november 1965 voor Christiaan Frederik en Harmina de Bruijn-Geerling
- www.papierblatt.de/ueberlebende (interview met Vardit Meir, voorheen Rosel Heijmans)
- Els Hekkenberg, ‘Van Brandal tot Commandeur, Herinneringen van mr. Pieter Coumou’, eigen beheer, 2006, 67
- www.joodsmonument.nl, Lion en Martha Heijmans-Linz
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten en andere documenten voor Alfred F. en Ruth Unger-Berendt en voor Lion en Martha Heijmans-Linz en Helga Heijmans
- ITS Arolsen, digitale collecties, de registratie van Christiaan Frederik de Bruijn in Kamp Vught
- www.dutchjewry.org, Lion Heijmans (en Martha Heijmans-Linz)
- www.stolperstenengroenlo.nl, Martha Heijmans-Linz en gezin
- joodsekinderen.nl, Jacques Bleekveld
- www.erfgoedleidschendam.nl, Onthulling bord opvang joodse weeskinderen door familie Remmerswaal
1. Wilhelminalaan 73
2. Fritz Unger
3. Unger-Berend
4. Willem Schmidt
5. Lion Heijmans, de vader vam Rosel Heijmans werd vermoord in Mauthausen
6. Martha Heijmans-Linz, de moeder van Rosel Heijmans, moest de medische experimenten van Mengele ondergaan
7. Helga Heijmans, een zuster van Rosel
8. Samuel en Sara Bleekveld-Samehtini en hun zoontjes Jacques en Karel
9. Het overlijdensbericht voor Jacques Bleekveld








