Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
Onderduikster:
- Margaretha Sophia Aronson (Amsterdam, 20 juli 1913 – Oss, 8 februari 2014)
Onderduikgevers:
- Cornelia van Tigchelhoven, gescheiden sinds 1910, pensionhoudster (Zierikzee, 8 augustus 1868 – Zeist, 9 februari 1956)
- dochter Pieternella Anna Maters, ongehuwd, huishoudster (Rotterdam, 14 april 1902 – Zeist, 10 oktober 2005)
- dochter Cornelia Theodora Wilhelmina Maters, ongehuwd (Rotterdam, 13 juni 1903 – Zeist, 16 november 1999)
Stadhouderslaan 37, ‘Our Home’, werd het vierde onderduikadres van Gré Aronson, en het derde in Zeist. Zie voor de voorgeschiedenis Laan van Cattenbroeck 125. Op Stadhouderslaan 37 kwam de circa 30-jarige Gré in huis bij de pensionhoudster Cornelia Maters-Tigchelhoven en haar beide ongehuwde dochters Pieternella en Cor.
Er waren ook nog andere pensiongasten:
- Het echtpaar Gerhard (huisbewaarder) en Elisabeth Catharina Strijk-van der Zalm (Groningen, 16 maart 1874 resp. Zaltbommel, 8 oktober 1881), gekomen op 30 mei 1942 en tijdens de bezetting gebleven.
- De hulpprediker Antonius Margarites Lindeboom (Gorinchem, 8 februari 1911), van 5 november 1941 tot 25 september 1944 (naar Jan Willem Frisolaan 15)
Opvallend was de hoge leeftijd die de drie onderduikgeefsters en Gré Aronson zouden bereiken, namelijk 87 (Cornelia van Tigchelhoven), 96 (Cornelia Maters), 103 (Pieternella Maters) en 100 (Gré Mozes-Aronson). Er was na de bevrijding nog contact tussen hen.
Gré Aronson moest weg uit Zeist. Met de andere pensiongasten was de situatie waarschijnlijk niet veilig genoeg. Ze werd door illegale werkers helemaal naar het Zuiden gebracht. Haar verdere onderduikleven zou uitzonderlijk turbulent blijven en er zouden uiteindelijk maar liefst nog 19 onderduikadressen volgen.
Veel hulp kreeg ze vanuit het klooster in Stevensbeek. Broeder Lambertus begeleidde haar naar onderduikadressen.
In Overloon – op het 16e onderduikadres – dacht Gré Aronson eindelijk rust te krijgen, maar het ging mis bij het gezin C., omdat ze zondags mee naar de kerk moest. Daar werd ze herkend als ‘dat jodinnetje, dat in Stevensbeek had gezeten’.
Dus moest ze opnieuw weg, waarna broeder Lambertus haar naar het nabijgelegen Venray bracht, waar ze bij het gezin H. in huis kwam. Ook daar moest ze toch weer weg, omdat een zoon, die in Oss woonde en daar ingenieur van Waterstaat was, thuis kwam onderduiken. De fanatieke NSB-burgemeester Hermanus Apeldoorn van Oss was op 10 augustus 1944 vermoord en er volgden represailles, waaraan zoon H. wilde ontkomen.
Gré Aronson ging voor even terug naar het gezin C. in Overloon en kwam vervolgens in Vortum-Mullem bij het gezin Van Boekel. Bij dat gezin, waar ze het fijn vond, zaten nog drie onderduikers, waaronder ene ‘Cor’. Die bleek een drie jaar jongere joodse onderduiker te zijn, die genoemd was naar de hond op een eerder onderduikadres. Als de mensen daar ‘Cor, af!’ riepen, dan dreigde mogelijk onraad.
De prettige onderduiksituatie werd doorbroken door een evacuatie langs de Maas. Ook brachten de vier onderduikers enige tijd door in een kuil die onderduikgever Van Boekel met anderen in het bos had gegraven. Daarna zaten de vier nog opgesloten in een watermolen bij Geijsteren. Vrijgekomen, konden ze alleen maar richting Wanssum lopen en kwamen ze terecht in Meerlo, op het 23ste onderduikadres voor Gré Aronson.
Op 24 november 1944 kwam daar voor haar en de anderen de bevrijding. Ze werden naar Venray gebracht, waar men hen vanwege valse identiteitspapieren niet vertrouwde, tot ‘Cor’ door iemand werd herkend. Met hem – zijn werkelijke naam was Max Mozes – ging ze mee naar Oss.
Ze werd er opgevangen door de familie Mozes. Gré Aronson bleek er na de bevrijding alleen voor te staan. Haar ouders Leendert en Sophia Aronson-Bonewit waren op 19 juni 1944 in de strafbarak 67 in Kamp Westerbork ingesloten, als gearresteerde onderduikers, op 31 juli op transport gegaan naar Theresienstadt en vandaar op 9 oktober naar Auschwitz gebracht. Twee dagen later werden ze daar vermoord. Ook de rest van Gré’s grote familie was grotendeels vermoord.
Op een dag was ze met Max Mozes door Oss gelopen, waarbij Max bij het gemeentehuis had gezegd: ‘Zullen we hier maar naar binnen gaan? Dan kunnen we trouwen.’ Samen waren ze begonnen aan een nieuwe toekomst in Oss. Extra bijzonder was de band die Gré Mozes-Aronson hield met broeder Lambertus uit het klooster in Stevensbeek. Nadat deze broeder uitgetreden was, en zich onder zijn eigen naam Martin Biemans voorbereidde op een huwelijk, verbleef hij zelfs enige tijd bij het echtpaar Mozes-Aronson in Oss.
Max Mozes stierf op 16 februari 1986 en Gré Mozes-Aronson op 8 februari 2014. Op 22 juli 2013 was in het Brabants Dagblad nog het bericht verschenen dat de gemeente Oss vanwege een administratieve fout de honderdste verjaardag van haar bijzondere inwoonster was vergeten.
Dochter Sia Mozes houdt de herinnering aan de onderduikgeschiedenis van haar moeder en aan het joodse leven in haar voormalige woonplaats Zaltbommel levend. Dit laatste als voorzitster van Stichting Mikwe Zaltbommel.
Bronnen:
- Mededelingen en van Sia Mozes en YouTube-filmpje in Vortum-Mullem
- Gré Mozes-Aronson, bijdrage ter gelegenheid van de opening van de Onderduiktentoonstelling ‘Ben ik hier aan het goede adres….?’, op 21 juli 1994, in het Nationaal Oorlogs- en Verzetsmuseum in Overloon (deze tekst is later gepubliceerd in Limburgse dag- en weekbladen)
- Oude bevolkingsregisters van Amsterdam en Zeist
- ITS Arolsen, Joodse Raad-kaarten van Leendert en Sophia Aronson-Bonewit
- Joods monument, Leendert en Sophia Aronson-Bonewit
- www.bhic.nl (‘De risicovolle moordaanslag op NSB-burgemeester H. Apeldoorn’)
- www.bd.nl (‘Oss vergeet de honderdste verjaardag van Gré Mozes)
- Zie het bewezen onderduikadres Laan van Cattenbroeck 125

