Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Nieuw t.o.v. het Onderduikboek)

In memoriam:

  • David Joseph Hamburger, handelsreiziger (Hilversum, 9 mei 1911 – Zeist, 4 september 1944), bereikte de leeftijd van 33 jaar
  • Sara Zwaaf-Zwaaf, Amersfoort, 25 februari 1916 – Auschwitz, 6 september 1944), bereikte de leeftijd van 28 jaar
  • dochter Marta Zwaaf (Amsterdam, 3 juli 1942 – Auschwitz, 6 september 1944), bereikte de leeftijd van 2 jaar
  • Mozes Stuiver handelsreiziger, beheerder jeugdgebouw Joodse Raad (Amsterdam, 7 januari 1894 – Austerlitz, 24 juni 1943), bereikte de leeftijd van 49 jaar

Overige onderduikers:

  • Sientje Hamburger-Menko (Amersfoort, 21 juni 1912 – Zwolle, 12 november 1982)
  • Gezin van vier personen uit Amsterdam, namen niet bekend
  • Abraham Zwaaf, koopman in lompen en metalen (Amsterdam, 6 januari 1914 – Amersfoort, 26 januari 1992)
  • echtgenote Sophie Zwaaf-Keizer (Amsterdam, 11 februari 1917 – Zeist, 29 januari 1948)
  • dochter Marijke Zwaaf (Utrecht of Zeist?, 6 november 1941)
  • Mordechai Zwaaf, metaalsorteerder (Amsterdam, 27 oktober 1917 – Amsterdam, 16 november 1991)
  • Marcus Broekman, koopman in textiel (Amsterdam,16 augustus 1888 – Park Forest, Cook County, Illinois, VS, 15 februari 1985)
  • echtgenote Esther Broekman-Halberstadt (Amsterdam, 16 juni 1888 – Park Forest, Cook County, Illinois, VS, 8 mei 1988)
  • dochter Jeannette Broekman (Amsterdam, 12 december 1915 – ziekenhuis Bloomington, Illinois, VS, 21 september 2009)

Grietje Stuiver-Broekman (Amsterdam, 24 november 1897 – Amsterdam, 4 mei 1985)

Onderduikgevers:

  • Teunis van Dijk, metaalbewerker (Rührort, Duitsland, 16 november 1904 – Maastricht, 1 december 1955)
  • echtgenote Adriana Maria Hendrika van Dijk-Enter (Middelburg, 27 juli 1906 – Maastricht, 4 juni 1953)

Drie thuiswonende kinderen

Op 24 mei 1945 werd de toen 40-jarige Teunis van Dijk in zijn woning op Waterlooweg 17a in Austerlitz aangehouden op last van het Hoofd van de Politieke Opsporingsdienst Utrecht-Oost. Op bevel van datzelfde Hoofd werd hij na drie dagen in bewaring gesteld in het kamp voor politieke delinquenten in Slot Zeist en later in Kamp Laan 1914 in Amersfoort. Dat bevel was gebaseerd op de Algemene Lastgeving van 10 februari 1945 van de Chef van de staf van het Militair Gezag. De verdenking was een bijzondere. Van Dijk werd er namelijk van verdacht zich wederrechtelijk te hebben bevoordeeld ten nadele van joodse onderduikers in zijn woning. Bijzonder omdat men dan waarschijnlijk duizenden Nederlanders had kunnen arresteren. Aan joodse onderduik was tijdens de bezetting door sommigen grof geld verdiend, maar dat was niet strafbaar.

Teunis van Dijk begreep er ook helemaal niets van, verklaarde hij op 27 juli 1945 tegen rechercheur Jan de Putter van de Politieke Opsporingsdienst in Zeist, die hem moest verhoren. Hij had clandestien voedsel in moeten kopen, iedereen had daarvan meegegeten, hij had niemand afgeperst, had het welzijn van zijn gezin en zijn eigen leven op het spel gezet, had om huiszoeking te voorkomen zijn radiotoestel ingeleverd en zat nu in hechtenis. Stank voor dank, was de strekking van zijn betoog. Geen woord over de forse verdiensten.

Zijn echtgenote zweeg daar ook over. Zij tekende met een brief van 20 juni 1945 protest aan tegen de behandeling van haar en haar echtgenoot. Er liepen in Austerlitz geruchten dat haar echtgenoot joodse onderduikers op straat had gezet. Ze had die week al verschillende beledigingen moeten incasseren. Het waren volgens haar juist de joodse onderduikers, die lastig waren geweest. Zo zou Netty (Jeannette) Broekman een bazig en opstandig meisje zijn geweest, dat regelmatig tot de orde moest worden geroepen. Haar vader Marcus rookte elke week wel voor 200 gulden aan vooroorlogse sigaren, terwijl zijn echtgenote en dochter wekelijks 3 à 4 pond borstplaat aten à 20 gulden per pond.

Het beeld dat de onderduikers na de bevrijding schetsten, stond daar ver van af. Daarvan getuigt het lange proces-verbaal no. 318 van rechercheur Jan de Putter in 1945.

Uit dat lange proces-verbaal valt op te maken dat er in totaal 17 joodse onderduikers naar Waterlooweg 17a waren gekomen. De woning, die inmiddels afgebroken is, lag aan een rechte weg met aan één kant 27 woningen en aan de andere kant bosgebied en twee bewoonde woningen. In beginsel een geschikte locatie voor onderduiken.

De weduwe Sonja (Sientje) Hamburger-Menko uit Amersfoort, verklaarde dat zij en haar echtgenoot David Joseph Hamburger vanaf februari tot april 1943 ondergedoken hadden gezeten op Waterlooweg 17a. Daarvoor hadden ze 27 gulden per maand moeten betalen plus een bijdrage voor het voedsel dat onderduikgever Van Dijk op de zwarte markt kocht. Ze hadden er na acht weken weg gemoeten omdat Sientje een zware keelontsteking kreeg. De onderduikgever vreesde dat het difterie was en dus kans op besmettingsgevaar.

Sonja en David Hamburger-Menko waren vervolgens opgenomen door vrienden uit Amersfoort, die zich in Zeist hadden gevestigd met een hoedenzaak op Voorheuvel 14a, het echtpaar Joop en An Beerends-van Saagsvelt. Onderduikgever Joop Beerends, die na de bevrijding wachtcommandant werd van het kamp voor politieke delinquenten in Slot Zeist, verklaarde later dat hij Teunis van Dijk persoonlijk had gekend. In zijn verklaring beschreef hij de onderduikomstandigheden op Waterlooweg 17a als zeer slecht. Hij had de onderduikers daarom verlost uit hun beroerde situatie. In Zeist, waar het echtpaar Hamburger-Menko tot juli 1940 een winkel had gedreven op Voorheuvel 74, waren ook hun beide kinderen (1935, 1939) ondergedoken. Het gezin was in het bevolkingsregister van Zeist ingeschreven onder de valse namen ‘Dirk Jan, Sien, Jacob en Neeltje Homburg-Mengkor’, op het adres Bergweg 18. Niet bekend is of ze ook alle vier op dat adres ondergedoken hadden gezeten. Op Bergweg 18 waren nog twee onderduikers geregistreerd, waarvan een zeker joods was. In elk geval hadden de beide kinderen Nan en Jacques op meerdere adressen ondergedoken gezeten.

Op Voorheuvel 14a konden Sonja en David Hamburger-Menko in geval van nood tijdelijk terecht bij de overburen op Voorheuvel 31, waar het echtpaar Steenhuis-Meter met bloemenzaak Corona een soort doorgangshuis voor joodse onderduikers onderhield. Hoewel de omstandigheden in de Zeister onderduik zo goed als mogelijk waren, werd het voor Sonja Hamburger-Menko en haar gezin toch een dramatische periode. Ze hadden ongetwijfeld vernomen dat hun ouders en andere familieleden gedeporteerd waren. Een grote klap in die gitzwarte onderduiktijd was het overlijden van Sonja’s echtgenoot David. Hij stierf op 4 september 1944 aan nierfalen, terwijl de toen hoogzwangere Sonja twee dagen later op Voorheuvel 31 beviel van haar derde kind David junior.

Ongeveer gelijktijdig met het echtpaar Hamburger-Menko zat een gezin met 4 personen uit Amsterdam ondergedoken op Waterlooweg 17a in Austerlitz. Omdat de onderduikgevers vonden dat het echtpaar Hamburger-Menko te weinig betaalde, moest het Amsterdamse gezin extra betalen; 105 gulden per week plus een bijdrage voor het op de zwarte markt gekochte voedsel. Aan deze onderduiksituatie was een eind gekomen, ook na 8 weken (in het procesverbaal: 8 maanden) gekomen, omdat de Amsterdamse echtgenoot zenuwpatiënt was. Een naam of andere gegevens kon de onderduikgever zich niet meer herinneren.

Vrijwel aansluitend aan het verblijf van die onderduikers waren de twee gezinnen Abraham, Sophie en Marijke Zwaaf-Keizer uit Amersfoort en Max (Mordechai), Suze (Sara) en Metha (Marta) Zwaaf-Zwaaf uit Amsterdam naar Waterlooweg 17a gekomen. Abraham en Suze waren broer en zus. Net als het echtpaar Hamburger-Menko hadden deze onderduikers een link met Amersfoort. De steenfabrikant Petrus van Helsdingen (Utrecht, 22 juli 1899 – Amersfoort, 5 april 1948), die op Kamp 24 in Amersfoort woonde, had bemiddeld bij hun onderduik.

Van Helsdingen had in zijn persoonlijk leven weinig geluk gekend. Zijn eerste echtgenote en hij hadden hun vier kinderen in de leeftijden van 0 tot 3 jaar verloren. In 1935 was ook de eerste echtgenote van Van Helsdingen overleden. Ondanks alles en zijn werkzaamheden was Van Helsdingen een actieve illegaal werker geworden. Hij bracht onderduikers onder en gaf zelf ook onderduik, in elk geval aan de gezinnen Zwaaf-Keizer en Zwaaf-Zwaaf. In de moeilijke onderduiksituatie bij hem thuis was echter vaak sprake geweest van onderlinge irritatie tussen de jonge gezinnen. Van Helsdingen had ze daarom elders ondergebracht, maar was achteraf van mening dat de onderduikomstandigheden op Waterlooweg 17a zeer slecht waren.

Dat bleek ook wel uit de verklaring van Sophie Zwaaf-Keizer, die door haar echtgenoot Abraham ondersteund werd. Elk gezin had 66 gulden per week moeten betalen plus een bijdrage aan voedsel dat de onderduikgever op de zwarte markt had gekocht. Van dat voedsel hadden de onderduikers niets gekregen. Bij protesten had de nogal ruzieachtige onderduikgeefster telkens gedreigd om ze op straat te zetten en was ze over Polen begonnen. Ze kregen uitsluitend aardappelen en rauwe sla te eten. Sophie Zwaaf-Keizer was ziek geworden en haar dochtertje Marijke had darmproblemen gekregen. Ze was ervan overtuigd dat die kwalen te wijten waren aan de eenzijdige voeding. Er was een arts uit Driebergen aan te pas gekomen. Die kon zich later niet precies meer herinneren wat het ziektebeeld was, maar wel dat de onderduikomstandigheden zo slecht waren geweest, dat hij er over gedacht had om de onderduikers weg te halen.

Na tien weken (omstreeks 1 juli 1943) waren de beide gezinnen elk naar een ander onderduikadres vertrokken. Wanneer Abraham, Sophie en kleine Marijke Zwaaf-Keizer vals geregistreerd werden in Zeist, is niet bekend. Ze werden ingeschreven als de in Zwolle, Haarlem respectievelijk Zeist geboren ‘Arthur, Sophie en Marijke Zwaal-Koning’, met de juiste geboortedata, verder vervalste gegevens en op een niet bestaand adres. Mogelijk had broer Ies (Isaac) van Abraham Zwaaf en Suze Zwaaf-Zwaaf dat geregeld, want die woonde in Zeist en had daar door zijn handel in metalen de nodige relaties. Hij was getrouwd met Estella Henrietta Keizer, een zuster van echtgenote Sophie van zijn broer Abraham. Isaac en Estella waren vals ingeschreven als ‘Richard en Henny Eveline Zwaal-Koning’ op het adres Boskant 12. Geen van hen had echter ondergedoken gezeten in Zeist.

Na het vertrek uit Austerlitz was het gezin Zwaaf-Keizer ondergedoken in Amersfoort, terwijl Max, Suze en Metha Zwaaf-Zwaaf op enig moment ondergedoken hadden gezeten op de Oude Postweg in Leusden, met Suzes ouders. Daar waren ze verraden. Bij de inval op 15 augustus 1944 waren Suze, haar dochtertje Metha en haar ouders overvallen door agenten van de Politieke Dienst van de Amersfoortse gemeentepolitie. Terwijl de arrestanten zich moesten aankleden, was Max Zwaaf uit een raam op de eerste verdieping gesprongen. Er was op hem geschoten, maar hij was niet geraakt en overleefde de bezetting. Waar is niet bekend. Zijn echtgenote, hun dochtertje en zijn schoonouders waren via de Amersfoortse Cavaleriekazerne en het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam op 21 augustus 1944 in de strafbarak 67 van Kamp Westerbork geplaatst. Van daaruit waren ze op 3 september op straftransport gesteld. Alleen Suzes vader Barend Zwaaf zou terugkeren.

Maar voordat dit alles gebeurde, was Max Zwaaf in Austerlitz nog betrokken bij een ander drama.

In de wetenschap dat hun onderduikers zouden vertrekken, had het echtpaar Van Dijk-Enter een nieuwe werkwijze bedacht om aan extra inkomsten te komen. Adriana Van Dijk-Enter was naar Amsterdam gereisd waar in 1943 razzia’s plaatsvonden. Ze had daar contact gezocht met joodse Amsterdammers en zich gepresenteerd als medewerkster van de organisatie ‘Vrij Nederland’. Zo had ze contact gekregen met het gezin Marcus, Esther en Netty (Jeanette) Broekman-Halberstadt. Met hen was ze overeengekomen dat ze voor 500 gulden een goed onderduikadres zou zoeken, waar de onderduikers ook in de buitenlucht mochten komen. Marcus Broekman had ingestemd met een wekelijkse betaling van 105 gulden plus een variabele bijdrage aan op de zwarte markt te kopen voedsel.

Op de dag zelf was de Adriana Van Dijk-Enter verschenen met een begrafenisauto en een volgauto. De kleine begrafenisstoet was zo probleemloos naar Austerlitz gereden. Ter hoogte van Utrecht had de onderduikgeefster aan Marcus Broekman verteld dat zijn gezin, in plaats van in de voorgespiegelde, relatief riante onderduiksituatie, ondergebracht zou worden in haar eigen woning. Marcus Broekman had op dat moment geen andere opties meer, maar had wel geprotesteerd tegen de zoekpremie van 500 gulden (koopkracht anno 2021 vergelijkbaar met circa **€**3.500). Uiteindelijk had de onderduikgeefster genoegen genomen met 50 gulden.

Hoewel de onderduiksituatie verre van ideaal bleek, had Marcus Broekman de onderduikgeefster meteen gevraagd om ook twee familieleden van hem te redden. Zo was ook het echtpaar Grietje (een nicht van Marcus) en Mozes Stuiver-Broekman eind juni 1943 op identieke wijze uit het voor hen gevaarlijke Amsterdam weggehaald. Toen ze rond acht uur ’s avond aankwamen bij de grens van Austerlitz stond Teunis van Dijk daar op hen te wachten. Hij bracht ze naar een plek in het bos, waar ze moesten wachten tot het donker was, zodat anderen niet zouden merken wie er allemaal binnenkwamen op Waterlooweg 17a.

Mozes Stuiver was onderweg al erg zenuwachtig was geweest en dat was nog eens verergerd tijdens het wachten in het bos. Hij had vaker last van zijn hart gehad en had nu een hartaanval gekregen, waaraan hij meteen was overleden. Zijn echtgenote had in paniek gezocht naar hulp, maar was verdwaald in het bos. Toen Van Dijk het echtpaar om half elf die avond kwam ophalen, trof hij ter plekke alleen het stoffelijk overschot van Mozes Stuiver aan. Na enig zoeken had hij ook Grietje Stuiver-Broekman in het bos gevonden. Haar verzoek om een dokter in te schakelen, had hij geweigerd omdat daar te veel risico’s aan verbonden waren.

Na beraad op Waterlooweg 17a hadden Teunis van Dijk en Max Zwaaf het stoffelijk overschot van Mozes Stuiver in het bos begraven. Van Dijk had contact opgenomen met illegaal werker Van Helsdingen en die had hem opgedragen een verklaring op te maken van het sterfgeval. Op 30 juni 1943 was zo’n verklaring opgemaakt, en vervolgens ondertekend door Grietje Stuiver-Broekman, Marcus Broekman, Max Zwaaf en Teunis van Dijk. De verklaring was afgegeven aan Van Helsdingen.

De geschokte Grietje Stuiver-Broekman had niet in Austerlitz willen blijven. Ze was drie dagen later vertrokken en had in totaal 95 gulden betaald voor verblijf en het vervoer naar elders. Met hulp van een schipper was ze vervolgens ondergedoken bij haar zuster in België. Daar had ze de bezetting overleefd.

Met haar waren de gezinnen Zwaaf-Keizer en Zwaaf-Zwaaf vetrokken uit het ongetwijfeld overbevolkte Waterlooweg 17a.

Het gezin van Marcus en Esther Broekman-Halberstadt was daar precies een half jaar gebleven tot eind 1943. Hun klachten over de onderduiksituatie waren identiek: stevige bijdragen aan voedsel van de zwarte markt, waarvan ze niets kregen. Bovendien was er telkens geschermd met afdrachten aan het georganiseerd illegaal werk, waarin de Broekmans niet geloofden. De irritatie tussen onderduikers en onderduikgevers was steeds hoger opgelopen en was tenslotte uitgelopen op een vertrek.

De Broekmans hadden op ’t laatst bijna iedere avond doorgebracht bij het gezin Spangler-Snoep, dat op Waterlooweg 15a woonde (later omgenummerd naar 67). Toen Marcus Broekman op zekere avond weer de trap afkwam om naar de buren te gaan, had de onderduikgeefster geroepen dat de onderduikers wat haar betrof konden vertrekken. Het gezin Broekman-Halberstadt was kennelijk voorbereid op een vertrek. Ze waren meteen ondergedoken bij de buren. In totaal hadden ze op Waterlooweg 17a 4.000 gulden betaald (koopkracht €28.000 anno 2021). De wekelijkse betaling was op Waterlooweg 15a dezelfde gebleven, maar ze hadden niet meer hoeven betalen voor zwart gekocht voedsel, ze kregen behoorlijk te eten en de verdere omstandigheden waren ook goed. Zie Waterlooweg 67. Wel was het te druk, zeker toen Netty’s verloofde Joop van West (‘J.H. Geel’) er ook bij kwam. De beide verloofden konden terecht op Waterlooweg 25 (later omgenummerd naar 93). Zie Waterlooweg 93.

Op Waterlooweg 17a waren in 1944 geen joodse onderduikers meer geweest, maar nog wel een gedeserteerde soldaat. Hoewel er sprake was van een relatief grote concentratie van onderduikers, de onderduik op Waterlooweg 17a in onmin was geëindigd en er kennelijk meerdere personen in Austerlitz op de hoogte waren van de onderduikers op de Waterlooweg is er geen sprake van bewust of onbewust verraad geweest.

Wel van winstbejag. In het onderzoek dossier berust een verklaring van onderduikgever Teunis van Dijk, waaruit blijkt dat hij in een fabriek aan de Lageweg in Zeist een salaris had genoten van 1.960 gulden voor zijn gezin met drie kinderen (koopkracht anno 2021 circa €14.000). Hij had dat in 1943 aangevuld 7.120 gulden aan betalingen voor onderduik (circa €50.000 anno 2021) plus een fors, maar onbekend bedrag aan bijdragen voor voedsel. Dat was echter niet strafbaar. Eigenlijk had de hele zaak niets om de hand, vond de politiek rechercheur De Putter uit Zeist: ‘inderdaad een onfris milieu, maar uit niets blijkt dat Van Dijk voordeel zou hebben getrokken uit onderduikverschaffing’ (…). Van Dijk kwam dan ook vrij en kreeg op 29 juni 1951 een schadevergoeding van 387 gulden voor die tijd die hij in 1945 in detentie had doorgebracht. Vrij kort na de bevrijding was het gezin Van Dijk-Enter naar Utrecht verhuisd en weer later waren ze naar Maastricht vertrokken. Daar overleden de beide echtgenoten relatief jong, op 51- en 47-jarige leeftijd.

De onderduikers werden allen geconfronteerd met de gevolgen van de Holocaust. Sientje Hamburger-Menko had haar echtgenoot David begin september 1944 tijdens de onderduik in Zeist verloren aan nierfalen (twee dagen voor de geboorte van haar derde kind). Haar ouders, schoonmoeder (weduwe), vier van haar broers en zusters en vaak ook hun partners en kinderen waren vermoord in Auschwitz, Sobibor en Neuengamme. Ze hertrouwde met Alphons Rodrigues Pereira en kreeg uit haar tweede huwelijk nog twee kinderen.

Suze Zwaaf-Zwaaf en dochtertje Metha waren op 6 september 1944 meteen na aankomst vermoord in Auschwitz, evenals Suzes moeder Bloeme Zwaaf-Roodveldt. Max Zwaaf hertrouwde in 1948 met de weduwe Carrie (Clara Frouwtje) Bouwman-Herschel uit Maartensdijk, wier echtgenoot Izak Bouwman als strafgeval in juli 1943 gedeporteerd en vermoord was. Haar dochtertje had de bezetting ook overleefd.

Abraham, Sophie en Marijke Zwaaf-Keizer vestigden zich na de bevrijding in Zeist. Daar overleed Sophie (toen bijna 31 jaar) op 29 januari 1948 in het kraambed, evenals haar pasgeboren zoontje. Abraham zou later hertrouwen.

Voormalige illegaal werker Van Helsdingen overleed een paar weken later, op 48-jarige leeftijd.

Het stoffelijk overschot van Mozes Stuiver werd op 7 september 1945 opgegraven op de plek in het bos, die aangewezen was door Teunis van Dijk die voor die gelegenheid door de Zeister politie uit het kamp voor politieke delinquenten in Amersfoort was gehaald. Van Dijk gaf voor de zekerheid het signalement van Stuiver als volgt: ‘kort dik persoon, gekleed in een donker kostuum, bolhoed en vermoedelijk hoge zwarte schoenen’. De officier van justitie in Utrecht gaf de volgende dag al toestemming om het stoffelijk overschot elders te herbegraven.

Ook het echtpaar Broekman-Halberstadt werd na de bevrijding geconfronteerd met grote verliezen in hun familie. Hun enige zoon Abraham en zijn gezin waren vermoord en verder alle zeven broers en zusters van Marcus Broekman en alle zeven broers en zusters van Esther Broekman-Halberstadt, vaak met nazaten. Ze verleenden na de bevrijding onderdak aan de ook uit onderduik teruggekeerde Grietje Stuiver-Broekman, maar vertrokken al in 1948 voorgoed naar de Verenigde Staten.

Dochter Netty was inmiddels getrouwd met de voormalige onderduiker Joop van West wiens weduwe-moeder en enige zuster eveneens vermoord waren. Zij vertrokken later met hun dochtertje ook naar de VS.

De echtparen Broekman-Halberstadt en Van West-Broekman bereikten zeer hoge leeftijden.

Bronnen:

  • Mededelingen van Astrid Kruithof-Rodrigues Pereira en Arnold Bouwman
  • Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, toegang 2.09.09, inventarisnummers 97613-dossier 11616 (PRA) en 106034-dossier T32672 (Procureur-Fiscaal), Teunis van Dijk
  • Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten, Mordechai Zwaaf, Mozes en Grietje Stuiver-Broekman, Marcus, Esther en Jeannette Broekman-Halberstadt, Mozes van West
  • ITS Arolsen, Mordechai, Sara en Marta Zwaaf-Zwaaf, Izak en Clara Bouwman-Herschel en anderen
  • Digitaal joods monument, joodsmonument.nl, David Joseph Hamburger, Mozes Stuiver, Sara en Marta Zwaaf-Zwaaf, Bloeme Zwaaf-Roodveldt
  • Kees Ribbens, ‘Zullen wij nog terugkeeren, De jodenvervolging in Amersfoort tijdens de Tweede Wereldoorlog (Amersfoort 2002), 101
  • International Institute for Social History, bepaling koopkracht in euro’s anno 2021 van bedragen in guldens
  • Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Dirk Jan, Sien, Jacob en Neeltje Homburg-Mengkor’, ‘Arthur, Sophie en Marijke Zwaal-Koning’ en ‘Richard en Henny Eveline Zwaal-Koning’
  • Gemeentearchief Zeist, archief gemeente politie, toegang 3500, inventarisnummer 319, procesverhaal van 7 september 1945 over de opgraving van het stoffelijk overschot van Mozes Stuiver; toegang 3500, inventarisnummer 250, dagrapport van 7 september, idem
  • Zie de bewezen onderduikadressen Voorheuvel 14a (onderduik David en Sientje Hamburger-Menko) en Voorheuvel 31 (idem)

1. Huwelijksfoto van het echtpaar David Hamburger en Sientje Hamburger-Menko

2. Eddy (Abraham), Suze (Sara) en Ies (Isaac) Zwaaf in hun jeugd (1926)

3. Stella, Sophie (Fiep) en Henrietta (Jet) Keizer in februari 1928

4. Suze Zwaaf en Stella Keizer in 1937

5. Martha Zwaaf, het dochtertje van Max en Suze Zwaaf-Zwaaf in 19421943. Martha zou samen met haar moeder vermoord worden in Auschwitz

6. Van links naar rechts, Sophie (Fiep, Henriette (Jet) en Simon in 1939 op de bruiloft van Ies en Stella Zwaaf-Keizer

7. Eddy (Abraham) Zwaaf in 1946

8. Sophie (Fiep) Zwaaf-Keizer na de oorlog in 1946

9. Mordechai (Max) Zwaaf met zijn tante Bloeme Reens-Zwaaf in 1955. Hij zou de bezetting overleven.

10. Marcus Broekman op marktkaart kopie

11. Esther Halberstadt kopie

12. Joop en Netty van West-Broekman