Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw t.o.v. het Onderduikboek en het Supplement)
Onderduikers:
- Marcus Broekman, handelaar in huishoudelijke artikelen (Amsterdam, 16 augustus 1888 – Park Forest, Cook County, Illinois, VS, 15 februari 1985)
- echtgenote Esther Broekman-Halberstadt (Amsterdam, 16 juni 1888 – Park Forest, Cook County, Illinois, VS, 8 mei 1988)
- dochter Jeannette Broekman (Amsterdam, 12 december 1915 – ziekenhuis Bloomington, Illinois, VS, 21 september 2009)
- verloofde Mozes van West, kantoorbediende (Amsterdam, 13 juni 1919 – 11 september 2011)
Onderduikgevers:
- Evert van Veenendaal, fraiser (Rhenen, 8 april 1902 – Zeist, 17 januari 1968), en
- echtgenote Woltertje van Veenendaal-Bakker (Enschede, 1 mei 1902 – Zeist, 16 juli 1980)
Twee kinderen tijdens de bezetting (1938 en 1940)
Harriett Goldwasser-Broekman was langdurig ondergedoken in Zeist (Graaf Janlaan 18) en haar nichtje Elly Pop ook (Steniaweg 44). Harriett vertelde dat andere familieleden in Austerlitz ondergedoken hadden gezeten. Dat ging om haar oom en tante Marcus en Esther Broekman-Halberstadt, hun dochter Jeannette (Netty) en haar vriend Mozes (Joop) van West.
Waar ze ondergedoken hadden gezeten was niet bekend tot 10 mei 2023. Na afloop van een presentatie over Austerlitz en onderduikers liet Ruud van Veenendaal weten dat zijn ouders in Austerlitz ook joodse onderduikers in huis hadden gehad. Hij kon een briefkaart overleggen, die zijn ouders kort na de bevrijding ontvingen van Netty en Joop, en waarin ook de groeten werden gedaan van Netty’s ouders (‘pa en moe’).
Het kon niet missen. Dat waren onmiskenbaar Marcus en Esther Broekman-Halberstadt, dochter Jeannette (Netty) en haar vriend Mozes (Joop) van West. Hoe en wanneer ze in Austerlitz waren beland, is niet bekend.
Bij onderzoek in het Stadsarchief van Amsterdam bleek dat Joop en Netty van West en Marcus en Esther Broekman-Halberstadt eind juli 1954 naar de VS waren geëmigreerd. Joop en Netty hadden in 1952 dochtertje Patricia gekregen. Bij contact met Patricia Riegle-van West en haar dochter Kate stuurde Kate een interview dat Steven Spielburg in 1997 voor de Shoah Foundation had afgenomen van Joe (Joop) van West. Dat bleek een indrukwekkende getuigenis te zijn, mede door de ingetogen wijze waarop hij zijn verklaringen deed.
Hij vertelde dat hij was opgegroeid in een prettig gezin, met een hardwerkende, zwijgzame vader die op enig moment bloemenkoopman was geworden, een zorgzame moeder en vijf jaar oudere zuster Keetje. Zijn grootouders hadden de synagoge al niet meer bezocht en hun nazaten deden dat ook niet. Wel was er op vrijdagavond de traditionele kippensoep, als overblijfsel van joodse gewoonten.
Het gezin had het niet breed, maar dat had Joop niet als een gemis gevoeld. Hij deed veel aan sport en was goed in turnen en handbal. Als jochie mocht hij soms met zijn vader mee naar een voetbalwedstrijd van Ajax. Later had hij een joodse vriend en twee niet-joodse vrienden. Hij verliet op zijn 16e de middelbare school en ging aan de slag bij een bedrijf in fotoprodukten, waar hij na avondstudie uiteindelijk boekhouder werd. Netty Broekman kwam af en toe bij het turnen kijken. Joop had zich uitgesloofd en had daarbij een enorme smak gemaakt, waarna hij bewusteloos was geraakt. Netty had zich om hem bekommerd en was hem thuis komen opzoeken. Zo waren ze bevriend en verloofd geraakt.
Bij de Duitse inval was Joop van West soldaat, maar Nederland capituleerde voordat hij één schot had kunnen lossen. In de jaren dertig waren veel joodse vluchtelingen naar Nederland en vooral naar Amsterdam gekomen, maar hun waarschuwingen voor het Hitler-regime waren weggewuifd. Dat zou in Nederland nooit gebeuren. Het gebeurde wel.
In 1941 had Joop van West het bedrijf in fotoprodukten moeten verlaten. De Joodse Raad gaf hem een aanstelling als jeugdleider bij de buitenschoolse jeugdzorg, waar vader Marcus Broekman van Netty als conciërge tewerk werd gesteld. Die aanstellingen brachten een voorlopige vrijstelling van deportatie met zich mee. Toen die vrijstelling ingetrokken werd, besloten allen om onder te duiken. Joop van West had gezien hoe beroerd het vervoer geschiedde van mensen die zich voor deportatie meldden.
De wegen van het echtpaar Broekman-Halberstadt en dochter Netty naar Austerlitz zijn niet bekend, maar Joop van West werd door de aangetrouwde Amsterdamse politieman en illegaal werker Albert Stiphout, getrouwd met zijn nichtje Sara Cauveren, naar Amersfoort gebracht en na enkele dagen vervolgens naar een kippenboerderij in de omgeving. Met zijn valse persoonsbewijs had hij daar een baan als knecht gekregen, zonder zijn baas te vertellen dat hij een joodse onderduiker was. In de huishouding werkte een joodse onderduikster.
Daarna werd hij ondergebracht bij het echtpaar Spangler-Snoep in Austerlitz, dat onderduik gaf aan het echtpaar Broekman-Halberstadt en dochter Netty. Maar voordien had zich een groot drama voltrokken.
Zijn vader had zich gemeld voor deportatie. Voor zijn vertrek naar Amersfoort hadden zijn moeder en zuster Keetje onderdak gekregen bij een vriendin die Keetje tijdens een verblijf in een tbc-sanatorium had opgedaan. De vriendin woonde samen met haar zuster en die was na enige tijd bang geworden. Feikje van West-Speijer en dochter Keetje waren zonder pardon op straat gezet. Ze hadden geen andere uitweg gezien dan terug te gaan naar hun verlaten woning, waar ze zich muisstil moesten houden. Joop van West was meteen naar hen toe gegaan en had ze enige tijd verzorgd, samen met een goede buurman. Joops moeder had hem echter bezworen om weg te gaan, omdat hij de enige was, die nog een nieuwe onderduikplaats zou kunnen regelen. Na een weemoedige avond samen, waarbij zuster Keetje de hand van haar broer had vastgehouden, was Joop vertrokken. Hij regelde inderdaad een onderduikadres via illegaal werkers, maar kreeg toen de ontstellende boodschap dat zijn moeder en zuster opgepakt waren. Hij had verschrikkelijk gehuild, maar de kippenboer had hem nodig en hij kon zijn verdriet niet kwijt aan de man, want dan had hij zich bekend moeten maken als joodse onderduiker.
In Austerlitz had hij werk gekregen bij een kleine boer. Huize Spangler-Snoep was te klein voor vier onderduikers en daarom waren Joop en Netty een paar huizen verderop ondergebracht, bij het echtpaar Evert en Woltertje van Veenendaal, die op 9 december 1936 in Rhenen gehuwd waren – elk 34 jaar oud – en toen in Austerlitz waren gaan wonen, op Waterlooweg 25. Tegen de tijd dat Joop en Netty kwamen, had het echtpaar een dochtertje en een zoontje. Het is bijzonder dat ze in hun jonge gezin vier onderduikers opnamen.
Op beide adressen betaalden de onderduikers voor kost en inwoning, en Albert Stiphout bracht eens in de twee weken voedselbonnen. Maar er was bepaald geen overvloed en de ruimte was in de kleine woningen beperkt. Ze zouden alle vier in Austerlitz blijven, van de herfst van 1942 tot de bevrijding.
Er waren angstige momenten geweest. Bij een razzia had men hen ergens in de bossen gebracht. Het regende en waaide, maar Marcus Broekman had toch humor opgebracht. Met de opmerking dat eventuele bezoekers moesten weten waar ze aan toe waren, had hij een papier op een boom gevestigd, waarop stond: ‘Broekman 1x bellen Van West 2x bellen’.
Ze hadden ook vaker in hun schuilplaats moeten gaan, een kast op de gang. Weer later was een gat gegraven onder de vloer van de woonkamer, waarin Joop van West af en toe met de heer des huizes en twee broers lag, de laatste drie om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz.
Bij alle schaarste hadden Joop en Netty een keer een ei gekregen. Ze hadden zich de hele dag verheugd op deze ‘versnapering’, maar ’s avonds bedacht Netty dat haar ouders misschien wel behoefte hadden aan een ei. Marcus en Esther Broekman-Halberstadt waren depressief in hun onderduiksituatie en zeer blij geweest: ‘Jullie redden ons het leven’.
De onderduikers wisten ongetwijfeld dat zoon Abraham van Marcus en Esther Broekman-Halberstadt, met zijn echtgenote en beide kinderen waren gedeporteerd. Abraham Broekman (1912) was op 18 januari 1943 geïnterneerd in Kamp Vught en daar op 31 januari 1943 vermoord. Zijn echtgenote Schoontje Broekman-van der Sluis (1911) was op 19 januari 1943 geïnterneerd in Kamp Westerbork, op 28 januari 1943 gedeporteerd naar Auschwitz en daar na aankomst meteen vergast. Hun beide kinderen Ella Mia (1935) en Hans Max (1937) verbleven in een weeshuis in Rotterdam; ze waren op 27 februari 1943 naar Kamp Westerbork gebracht, op 2 maart 1943 gedeporteerd naar Sobibor en daar meteen na aankomst vermoord.
Op 23 juni 1943 kwam een nichtje van Marcus Broekman met haar echtgenoot ook naar Austerlitz. Grietje en Mozes Stuiver-Broekman waren eigenlijk op de vlucht richting België. In de bossen van Austerlitz bezweek Mozes Stuiver die avond aan een hartaanval. Grietje Stuiver-Broekman zat urenlang in het donker bij het stoffelijk overschot van haar echtgenoot. Er werd een korte verklaring ondertekend door Grietje Stuiver-Broekman, Max Zwaaf en Teunis van Dijk, een inwoner van Austerlitz die ook op de Waterlooweg woonde en daar joodse onderduikers opnam.
Na de bevrijding werd het stoffelijk overschot opgegraven op verzoek van de weduwe Stuiver-Broekman – die de bezetting had overleefd, naar verluidt in België – en op aanwijzing van de betreffende inwoner van Austerlitz die daarvoor uit een kamp voor politieke delinquenten was gehaald (!). Het stoffelijk overschot werd naar het lijkenhuisje op de begraafplaats in Zeist gebracht en vandaar mogelijk naar een joodse begraafplaats.
Hoe het Grietje verder was vergaan, is niet bekend, maar feit is dat ze na de bevrijding een tijd bij neef Marcus en diens gezin inwoonde. Was zij in 1943 op weg naar Waterlooweg 25, als tussenstop?
De andere vier onderduikers zouden de bevrijding in Austerlitz halen. Maar de laatste maanden waren er opmerkelijke gebeurtenissen geweest in huize Van Veenendaal-Bakker. In verband met de Slag om Arnhem evacueerde de zuster van de heer des huizes van Elst (Utrecht) naar Austerlitz, met haar gezin. Het echtpaar Evert en Jannigje Looijen-van Veenendaal bracht maar liefst zes kinderen mee, terwijl er nog twee kinderen in Austerlitz werden geboren. Daarmee werd de ruimte in huis weliswaar erg klein, maar voor de onderduikers Joop en Netty had de komst van de tien personen een groot voordeel: ze hoefden niet meer te fluisteren.
Eerder hadden Duitse soldaten de woning al eens doorzocht, waarbij ze op luttele centimeters van de kast met de twee onderduikers stonden. Maar de vanwege haar schoolopleiding in Duitsland had de goed Duitssprekende Woltertje van Veenendaal-Bakker de soldaten af weten te leiden. In 1945, toen de bevrijding naderbij kwam, leek het onderduikavontuur toch nog bijna fout te gaan. De onderduikers hadden hun onderduikgeefster weer Duits horen praten en waren in hun schuilplaats gekropen. Ze waren er echter uit geroepen en stonden toen oog in oog met een gewapende Duitse SS’er. Woltertje van Veenendaal-Bakker had de van angst verstijfde onderduikers gerustgesteld. Het was haar toekomstige zwager die gedeserteerd was en ook wilde onderduiken op Waterlooweg 25.
Joe van West zou in 1997 bekennen dat het een aardige man was. De joodse onderduiker had nog wekenlang gezellig zitten te kaarten met een Duitse SS’er. Toch een bizarre situatie.
De bevrijding was een geweldige ervaring geweest, waarna de onderduikers vertrokken. Op 15 juni 1945 liet Joop van West (‘M. van West’) weten aan hun onderduikgevers dat ze goed aangekomen waren in Amsterdam. Citaat: ‘Het zal u zeker wel een beetje vreemd wezen dat wij er nu niet meer zijn. Wie schilt nu de piepers en doet de boodschappen?’ Hij trouwde eind augustus 1945 met Netty Broekman. Gaandeweg werden ook zij geconfronteerd met de moord op veel familieleden. De zoon van Marcus en Esther Broekman-Halberstadt was vermoord, evenals zijn echtgenote en hun twee kinderen. De ouders, zuster, ooms en tantes van Joop van West waren vermoord. Alleen een nichtje was overgebleven. Het was een verschrikkelijke ervaring.
In Amsterdam hadden ze weer een woning gevonden en een handel opgezet. Ze werden geconfronteerd met antisemitisme. Een buurman had tegen Marcus Broekman geroepen dat ze hem ook hadden moeten vergassen. Toen Joop van West zijn schoonvader overstuur binnen zag komen, en hoorde wat er voorgevallen was, had hij verhaal gezocht bij de buurman. Die had de opmerking ook tegen hem gemaakt, waarna Joop hem een dreun had verkocht.
In 1954 besloot het echtpaar Netty en Joop van West-Broekman met hun dochtertje te emigreren naar de Verenigde Staten, naar een land dat niet in drie dagen onder de voet zou worden gelopen. In 1952 had Netty, na twee miskramen, dochtertje Patricia gekregen, na een zwangerschap waarbij ze veiligheidshalve zeven maanden het bed had moeten houden. Marcus en Esther Broekmans-Halberstadt besloten hun enig overgebleven kind te volgen.
Ze bouwden er een goed bestaan op. ‘Aardige mensen’, zegt nichtje Harriett Broekman.
Netty van West-Broekman kwam regelmatig terug naar Amsterdam, waarbij ze steevast een scholletje wilde eten. Dat deed ze dan met nichtje Harriett in de Oesterbar.
De vier voormalige onderduikers uit Austerlitz werden opmerkelijk oud. Marcus Broekman werd 96 jaar oud, zijn echtgenote Esther Broekman-Halberstadt werd bijna 100 jaar oud, dochter Netty van West-Broekman werd ruim 93 jaar oud en haar echtgenoot Joe (Joop) van West 92 jaar.
De enige kleindochter van beide laatstgenoemden, Kate Riegle van West, is musicus, ontwerper, acrobaat, onderzoeker en ondernemer in Nieuw-Zeeland. Met haar is email contact geweest op 12 mei 2023. Op haar website is de song ‘Kate’ te vinden, naar zuster Keetje van haar grootvader Joe van West.
Bronnen:
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, toegang 2.09.09, inventarisnummers 97613-dossier 11616 (PRA) en 106034-dossier T32672 (Procureur-Fiscaal), Teunis van Dijk
- Mededelingen van Pat en Kate Riegle-van West, Harriett Broekman en Ruud van Veenendaal
- Briefkaart van 15 juni 1945 van Jeannette van West-Broekman
- Spielburg-interview in 1997 met Joe van West voor de Shoah Foundation
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten Marcus en Esther Broekman-Halberstadt en Jeannette en Mozes van West-Broekman en Mozes en Grietje Stuiver-Broekman
- Zie het bewezen onderduikadres Waterlooweg 17a (onderduik Marcus Broekman, Esther Broekman-Halberstadt en dochter Jeanette Broekman)
- Zie het bewezen onderduikadres Graaf Janlaan 18 (onderduik Harriett Broekman), pagina’s 85-91 van het Supplement
- Gemeentearchief Zeist, 3500, gemeentepolitie, proces-verbalen tot en met 1945, opgraving van het stoffelijk overschot van Mozes Stuiver op 7 september 1945
- www.loods24rotterdam.nl/files/Onderwijs (Ella Mia en Hans Max Broekman)
- joods monument, Abraham en Schoontje Broekman-van der Sluis, Ella Mia en Hans Max Broekman
- www.voortrek.com, website van Kate Riegle van West
1. Waterlooweg 93
2. Voorzijde briefkaart van 15 juni 1945
3. Achterzijde briefkaart van 15 juni 1945
3. Esther Halberstadt
4. Marcus Broekman op marktkaart
5. Joop en Netty van West-Broekman
6. Demonstratie van Jo(op) en Netty
7. Joop van West tijdens de bezetting in Austerlitz
8. Joop en Keetje van West
9. Keetje van West
10. Joodse Raad-verklaring voor Joop van West
10a. Werk van Joop van West gedurende de bezetting
11. Joop, Netty en Patricia van West-Broekman
12. Overlijdensadvertentie van Mark Broekman in Het Parool van 27 februari 1985
13. Overlijdensadvertentie van Esther Broekman-Halberstadt in het Parool van 26 mei 1988
14. Netty en Joe van West-Broekman















