Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie pagina’s 539-542 van het Onderduikboek en pagina’s 150-152 van het Supplement)

Doorgangshuis voor joodse onderduikers:

  • Jonas Robert Frankfoorder (Amsterdam, 20 mei 1942 – Ashford-Engeland, 16 juni 2008)
  • Jacob Jäger (Den Haag, 23 augustus 1937)
  • Hanny Michaelis (Amsterdam, 19 december 1922 – Amsterdam, 11 juni 2007)
  • Lea Cohen-Coopman, kleermaakster, marktkoopvrouw, badvrouw joods badhuis (Amsterdam, 17 september 1896 – Sydney-Australië, 27 oktober 1969)
  • Dochter Engeltje Cohen, ongehuwd, magazijnbediende, badvrouw badhuis A. Bonnstraat (Amsterdam, 30 december 1918 – Sydney-Australië, 24 maart 2006). Later gehuwd met Alexander van Dam
  • Dochter Elisabeth Cohen, ongehuwd, naaister (Amsterdam, 19 oktober 1920)
  • Alexander van Dam, gescheiden en daarna weduwnaar, koopman textiel, vertegenwoordiger (Nijmegen, 29 november 1909 – Sydney-Australië, 28 mei 1954)
  • Isak Mogendorff, koopman in huiden (Gouda, 6 december 1884 – Gouda, 18 mei 1966)
  • Echtgenote Sara Mogendorff-Meijer (Oudewater, 7 maart 1882 – Gouda, 23 maart 1962)
  • Dochter Nannie Jacqueline Mogendorff, ongehuwd (Gouda, 25 mei 1919). Later naar Israël vertrokken.
  • Israël de Paauw, ongehuwd, student piano conservatorium (Amsterdam, 18 juni 1924 – Netanya-Israël, 15 mei 1994, begraven in Muidenberg)
  • Betsy Caroline Bloemist, ongehuwd, stenotypiste, verpleegster (Arnhem, 2 mei 1916 – Wilhelmshafen-Duitsland, 1 november 1945)
  • S. de Jong, geen nadere gegevens bekend
  • Salomon de Leon (Amsterdam, 14 januari 1939 – Amsterdam, 11 september 1991)

Onderduikgevers:

  • Johan Anton Snelleman, uitgever (Koog aan de Zaan, 19 maart 1907 – Loenersloot, 26 april 1960), en
  • echtgenote Maria Alida Snelleman-Bakker (Koog aan de Zaan, 2 mei 1906 – Utrecht, 21 mei 1982)

Tijdens de bezetting 2 kinderen (1936, 1939)

Uitgever Jo Snelleman raakt uiterlijk begin 1943 intensief betrokken bij illegale activiteiten, gesteund door zijn echtgenote Maria Snelleman-Bakker. Hun woning Waterigeweg 80 werd tijdens de bezetting een doorgangshuis. Op basis van verklaringen in het 1940/1945-dossier van zijn vader Jo Snelleman kan Hans Snelleman namen doorgeven. Uit die verklaringen blijkt dat er – behalve niet-joodse onderduikers (illegaal werkers) – minstens veertien namen in verband met Waterigeweg 80 gebracht kunnen worden.

Misschien begon het wel met de joodse onderduiker Israël de Paauw (1924). Deze student piano aan het conservatorium, was de zoon van schrijfster Betsy de Paauw-Bachrach. Zij had een professionele connectie met uitgever Jo Snelleman.

Snelleman had ervaring opgedaan in het uitgeversvak in Koog aan de Zaan, bij de bekende uitgeverij Bakker, opgezet door de grootvader van zijn echtgenote. Omstreeks 1930 was hij in dienst gekomen bij uitgeverij J.Th. Swartsenburg, op Lageweg 5 in Zeist. Nadat de oprichter en naamgever van het bedrijf in 1931 overleed, zette Jo Snelleman de uitgeverij onder dezelfde naam voort op Waterigeweg 80. Tot dan toe omvatte het fonds vooral de ‘verstrooiingslectuur’ van de Duitse schrijfster Hedwig Courths-Mahler, maar Jo Snelleman breidde het fonds uit. Onder meer dus met boeken van Betsy de Paauw-Bachrach, zoals ‘De deur gaat dicht’ (…), ‘De omweg’ (1935), ‘Rhythme’ (…), ‘Trio Finale’ (1936), ‘Prins Pruimedant’ (ca. 1938).

De gang van Israël de Paauw naar Zeist lijkt daarmee verklaard. Hoe lang hij op Waterigeweg 80 bleef, is niet bekend, maar hij kwam nadat zijn Sperr (als medewerker buitenschoolse jeugdzorg) vervallen was.

Jo Snelleman deed een poging om zijn ouders te behoeden voor deportatie. Op 27 juni 1943 diende ‘J.Th. Swartsenburg’ vanaf Waterigeweg 80 een verzoek in om plaatsing van het echtpaar Philip en Betsy de Paauw-Bachrach op de zogenaamde Barneveld-lijst te bespoedigen. Die lijst bood bescherming aan prominente joodse Nederlanders die dan in Barneveld ondergebracht werden. Op 2 juli volgde een rappel. Helpen deed het helaas niet, want op 20 juli 1943 werd het echtpaar De Paauw-Bachrach vanuit Kamp Westerbork gedeporteerd naar Sobibor en na aankomst meteen vermoord.

Of de onderduik van Israël de Paauw op Waterigeweg 80 leidde tot de komst van anderen is niet bekend. Feit is dat er meerdere onderduikers kwamen. De woning werd een doorgangshuis voor joodse onderduikers, later ging Snelleman bovendien de verspreiding van bonnen voor onderduikers verzorgen. Bij dat laatste was ook woninginrichter Piet Jacobi betrokken.

Begin 1943 haalde Jo Snelleman de baby Jonas Frankfoorder uit Amsterdam op. Ook de papieren voor de moeder van het kind waren in orde gemaakt, maar de dag voordat zij opgehaald zou worden, werd ze gearresteerd. Omdat ze op de hoogte was van de verblijfplaats van haar baby moest deze zo snel mogelijk weg van Waterigeweg 80. Woninginrichter Piet Jacobi en zijn echtgenote wilden graag voor het jongetje zorgen. Ze waren zelf kinderloos. Enige tijd later kwam er een opnieuw een joods jongetje, de 5/6-jarige Jacky Jäger uit Den Haag, bij het echtpaar Snelleman-Bakker. Ook hij werd opgenomen in het gezin van Piet Jacobi.

Het was eigenlijk niet de bedoeling dat onderduikers langer bleven op Waterigeweg 80, maar soms was het lastig om snel een geschikte onderduikplek te vinden voor oudere onderduikers. Zo werd het doorgangshuis het vierde onderduikadres van ‘Hetty Mulder’ (de onderduiknaam van Hanny Michaelis) in Zeist. Wiskundestudent ‘Jan’ bracht haar op 6 september 1942 naar het echtpaar Snelleman-Bakker, dat toen zelf een dochtertje Dieuwie van 6 jaar en een zoontje Hansje van 3 jaar had. Verder was er het 18-jarige dienstmeisje Ko. De kritische dagboeknotities van ‘Hetty’ getuigden van wispelturigheid en soms weinig dankbaarheid – zoals jongeren van die leeftijd kunnen zijn? – jegens haar gastvrije en gulle onderduikgevers:

Toen ik hier gisteravond aankwam, voorvoelde ik al hoe vreemd ik me hier zou voelen. Ik werd ontvangen in een rokerige zitkamer, vol roodomkapte schemerlampjes en sigarenwalm. Op de boekenplank (die een verleidelijk aspect bood, maar bij nadere inspectie voor 90 % gevuld bleek met tienderangs rommel in prachtbanden) stonden een houten oorlogsschip en een bronzen helm, geflankeerd door vazen, portretlijstjes etc.

(…) ‘Het had iets benauwends en iets belachelijks en ik was blij toen mijn gastvrouw, uitbundig en van het soort lawaaiige jovialiteit die mij altijd kippevel en sprakeloze melancholie bezorgt, verscheen en we na nog een paar gedwongen conversatiepogingen naar bed gingen…

‘Hetty’ hield zich veel bezig met de kinderen, die ze af en toe onuitstaanbaar vond, maar dan ook weer vertederend. Verder speelde ze ook hier veel piano en ontmoette er allerlei mensen. Het viel haar op dat er goed gegeten werd: ‘Alles is er nog op vooroorlogse leest geschoeid, wat ze ook vol trots toegeven; waar ze het geld voor al die hamsterwaar vandaan halen, is me een raadsel.

Al met al was het op Waterigeweg 80 zelfs voor de kritische onderduikster prima toeven. Het dienstmeisje Ko, van dezelfde leeftijd, zag ze als haar tegenhanger – volks, wulps, ongeletterd – maar ze trokken in huis veel met elkaar op. De vrolijke onderduikgeefster bleek een gulle, gastvrije Zaanse, en ook met haar echtgenoot kon ‘Hetty’ gaandeweg goed opschieten. Volgens haar was hij materialistisch en nihilistisch ingesteld, vloekte af en toe hartgrondig en voelde hij zich verheven boven de ijverige kerkgangers, al ontkende hij geen Opperwezen. Maar Jo Snelleman zat in het uitgeversvak en met hem kon ze over boeken praten.

Ze waardeerde ook zeer dat haar toch risicovolle briefwisseling met Amsterdam nu via het onderduikgezin mocht verlopen.

Uit de dagboeken van Hanny Michaelis blijkt dat Waterigeweg 80 ook bezocht werd door de joodse vrouwen Sabina en Miep, eerder ook kort ondergedoken in het doorgangshuis? Op maandag 14 september 1942 kwamen ze langs. Ze waren net als ‘Hetty’ afkomstig uit Amsterdam en zaten in de buurt ondergedoken. Ze waren doorgaans somber gestemd, maar toen er die maandag Engelse vliegtuigen boven Zeist verschenen, hoopten ze dat de invasie was begonnen. Het betrof echter een bomaanval op rangeerterreinen bij Utrecht.

Er waren gezellige avonden met wiskundestudent ‘Jan’, met ‘Huib’ (Sliedrecht) en met ‘Sabina’ en ‘Miep’. Daarbij vloeiden de cognac, de sherry, de marasquin en het bier rijkelijk.

Sabina zou S. de Jong kunnen zijn geweest, van wie geen nadere gegevens bekend zijn. Miep zou ‘M. Bloemink’ oftewel Betsy Carolina Bloemist kunnen zijn. Zij kwam uiteindelijk in België terecht en overleefde daar de oorlog. Van haar ouderlijke gezin leefde niemand meer. Ze werkte eerst voor het bureau dat joodse overlevenden registreerde en daarna als Rode Kruis-verpleegster voor het Engelse leger. Ze kwam nog een keer op bezoek bij het echtpaar Snelleman-Bakker, tijdens een verlofperiode, maar overleed al op 1 november 1945 in het Duitse Wilhelmshafen (oorzaak niet bekend). In de overlijdensadvertentie die een tante en een oom plaatsten, werd ze M.C. Bloemist genoemd. Miep?

De twee genoemde vrouwen die regelmatig langskwamen zouden ook afkomstig kunnen zijn van Frank van Borselenlaan 4. Zij zaten op dat adres ondergedoken en Snelleman had daar contact mee.

Toen ‘Hetty’ problemen met haar gebit kreeg, bracht Jo Snelleman haar drie keer naar tandarts Theo Valstar, voor een zenuwbehandeling in zijn praktijk aan de Woudenbergseweg.

Tussendoor moest ze een enkele keer uitwijken naar het gezin Sliedrecht-de Gooijer. Daar schreef ze een indrukwekkend gedicht over haar onderduikbestaan. In totaal bracht ze zo’n twee maanden door op Waterigeweg 80, maar toen kwam er druk op de onderduiksituatie te staan. Maria Snelleman-Bakker had niet gerekend op zo’n lange periode. Ze was het beu en er ontstond irritatie. Omgekeerd, werden de typeringen van ‘Hetty’ in haar dagboek venijniger. Kortom, het was hoog tijd dat de onderduikster vertrok. Na een paar keer uitstel bracht Adrie Sliedrecht haar op 22 oktober 1942 naar Alphen aan de Rijn. Er zouden nog andere onderduikadressen volgen.

Het langere verblijf van Hanny Michaelis op Waterigeweg 80 was een uitzondering. Andere joodse onderduikers bleven er korter.

Zo kwamen Nannie Jacqueline Mogendorff en haar ouders Isak en Saartje Mogendorff-Meijer naar Waterigeweg 80. Ze waren afkomstig uit Gouda en hadden tot dan toe in Zeist ondergedoken gezeten bij Van Reenen. Waarschijnlijk bij het gezin van Johannes Christiaan van Reenen die na arrestatie omkwam in het concentratiekamp Bergen-Belsen, op 10 maart 1945? Het echtpaar Mogendorff-Meijer werd na enkele dagen op Waterigeweg 80 overgebracht naar Princenhage in Noord-Brabant, waar ze de bezetting doorkwamen. Nannie Mogendorff bleef drie weken voor ze naar een nieuw adres ging. Ook zij overleefde de bezetting. Haar zuster Simone Jeannette Henriette werd op 2 juli 1943 vermoord in Sobibor.

Dan waren er Lea Cohen-Coopman, haar dochters Lies (Elisabeth) en Engel en Engels vriend Lex van Dam. Engel Cohen en Lex van Dam bleven kort, terwijl moeder Lea en zuster Lies langere tijd bleven. Uiteindelijk werd Lies Cohen elders gearresteerd. Ze kwam op 20 juli 1944 in de strafbarak van Kamp Westerbork en werd op 3 september 1944 gedeporteerd. Ze overleefde haar verblijf in het concentratiekamp Ravensbrück. Haar moeder, zuster Engel en Lex van Dam overleefden ook.

De twee laatstgenoemden blijkbaar in Breda, want daar trouwden ze in november 1944 al. Op 1 juni 1945 werd hun eerste kind levenloos geboren. Een paar jaar later emigreerden ze naar het Australische Sydney. Moeder Lea voegde zich een aantal jaren bij hen, althans daar overleed ze.

Lies Cohen bleef contact onderhouden met haar voormalige helpers op Waterigeweg 80, maar kreeg op latere leeftijd steeds meer last van haar oorlogservaringen.

Tenslotte werd in het dossier 1940-1945 van Jo Snelleman nog genoemd ‘het kind van Leon uit de Camperstraat’. Dat moet het jongetje zijn, dat in Zeist een valse persoonskaart kreeg op naam van ‘Klaas de Leeuw’. Zie Emmastraat 14 en 19. ‘Klaas de Leeuw’ op het fictieve adres Emmastraat 19 zou afkomstig zijn van het adres Camperstraat 64 II in Amsterdam. Volgens het digitaal joods monument hadden op dat adres de Holocaust-slachtoffers Wolf en Hanna de Leon-Ensel gewoond met een kind dat de bezetting had overleefd. ‘Klaas de Leeuw’ droeg dus de achternaam De Leon.

Wolf en Hanna de Leon-Ensel waren voorlopig gevrijwaard geweest van deportatie door de Sperr van slager Wolf. Maar die vrijwaring verviel in 1943. Op 20 juni werd Wolf de Leon als strafgeval – waarschijnlijk dus ondergedoken – geplaatst in strafbarak 67 in Kamp Westerbork. Zijn echtgenote werd op dezelfde dag binnengebracht, maar in barak 58. Strafgevallen werden bij voorrang gedeporteerd en dus moest het echtpaar al op 6 juli 1943 op transport. Op de dag van aankomst in Sobibor werden Wolf en Hanna de Leon-Ensel vermoord.

Van de nazaten van het echtpaar Ensel-Ensel, de ouders van Hanna de Leon-Ensel, hun kinderen, behuwd-kinderen en kleinkinderen – in totaal 22 personen – overleefden niet meer dan drie niet-joodse of half-joodse personen plus ‘Klaas de Leeuw’. De groepsfoto ter gelegenheid van de 35-jarig huwelijksfeest van het echtpaar Ensel-Ensel illustreert de gevolgen van de Holocaust.

‘Klaas de Leeuw’ overleefde de bezetting, waarschijnlijk mede dankzij een vals persoonsbewijs uit Zeist. Of hij nou ondergedoken zat in Zeist of elders, is niet bekend. Maar toen hij op 6-jarige leeftijd weer zijn eigen naam mocht aannemen, was hij een wees in een vrijwel uitgemoorde familie. In 1947 bevond hij zich in het gezin van de joodse borstelfabrikant Salomon Daniel Akker en diens echtgenote Sophia Akker-de Levie in Enkhuizen. Het oudste zoontje Samuel (1936) van het echtpaar was blijkbaar uit onderduik gehaald en vergast in Auschwitz. Niet bekend is of het jongetje De Leon in Enkhuizen is gebleven.

Het echtpaar Snelleman-Bakker op Waterigeweg 80 werd uiteindelijk ook slachtoffer van listig verraad. De misdadige groep van de beruchte V-frau Ans van Dijk was na Zeist gekomen en slaagde er onder meer in om de onderduikadressen Frank van Borselenlaan 2 en 4 en Krugerlaan 7 en 9 te achterhalen. Op 18 augustus 1944 werden elf joodse onderduikers en hun onderduikgevers gearresteerd. Ook het echtpaar Snelleman-Bakker werd die dag ook opgepakt. Jo Snelleman werd via Amsterdam overgebracht naar Kamp Amersfoort, maar zijn vrouw werd weer vrijgelaten. Beiden overleefden ze de bezetting.

Onder de gearresteerde elf joodse onderduikers bevonden zich Josje Frankfoorder en Jacky Jäger. Ze zouden elk het beruchte transport van onbekende kinderen naar Bergen-Belsen en Theresienstadt overleven. Maar toen ze na de bevrijding terugkwamen, waren hun ouders vermoord. Rond Josje Frankfoorder ontstond een felle strijd om de voogdij. Die werd ‘gewonnen’ door het echtpaar Jacobi.

Ook de ouders van Hanny Michaelis bleken vermoord te zijn. Zelf had ze de bezetting overleefd. Ze werd in de naoorlogse jaren een bekende dichteres. Van 1948 tot 1959 was ze getrouwd met schrijver Gerard (van het) Reve.

Bronnen:

  • Mededelingen van Hans Snelleman, mede op basis van de verklaring van Piet Jacobi in het dossier van de Stichting 1940-1945 voor Jo Snelleman (25 september 1950)
  • Hanny Michaelis, ‘De wereld waar ik buiten sta, oorlogsdagboek’, deel II 1942-1945, 291-301, 315-372
  • Zie het bewezen onderduikadres Frank van Borselenlaan 4, voor de razzia en de arrestatie van het echtpaar Snelleman-Bakker, andere onderduikgevers en elf joodse onderduikers op vrijdag 18 augustus’ 1944
  • Zie de bewezen onderduikadressen Krugerlaan 7 en 9
  • Wikipedia, Hanny Michaelis
  • Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Klaas de Leeuw’
  • Zie de valse registratie van Salomon de Leon op het niet-bestaande adres Emmastraat 19
  • www.joodsmonument.nl, Wolf en Hanna de Leon-Ensel en Salomon de Leon
  • www.delpher.nl, advertentie in het Utrechts volksblad van 3 april 1940
  • Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten, marktkaarten en politierapporten
  • ITS Arolsen, digitale collecties, Elisabeth Cohen en het echtpaar De Leon-Ensel

1. Waterigeweg 80

1.a Johan Anton Snelleman

1.b Maria Alida Snelleman-Bakker

2.a.De Nederlandse Unie in De Zeister Courant van 17 augustus 1940 adres _Waterigeweg 80

2.b Het bekladde kantoor van de Nederlandse Unie op de hoek 1e Hogeweg-Kerkweg (het gebouw is later afgebroken voor nieuwbouw)

3. De verklaring die Gerrit Leijte op 28 september 1950 afgaf over de illegale activiteiten van Jo Snelleman

4. Hanny Michaelis

4.b Gedicht ‘Het Zusje’

5. Betsy de Paauw-Bachrach

5.a Omslag van een boekje, geschreven door Betsy de Paauw-Bachrach

6. Boekje geschreven door Betsy de Paauw-Bachrach

7. Het echtpaar Mogendorff

8. Nannie Mogendorff

9. Struikelsteen voor Simone Mogendorff

10. Overlijdensadvertentie van Betsy Carolina Bloemist op 10 november 1945

11. Aankondiging van het 35-jarig huwelijksfeest van het echtpaar Abraham en Maria Ensel-Ensel in Utrechts volksblad van 3 april 1940

12. De familie van Bram en Maria Ensel-Ensel op hun 35-jarige huwelijksfeest in 1940

13. Jacky en Josje Jacobi, die via Waterige weg 80 naar de Krugerlaan 7 gebracht werden. Daar werden ze in augustus 1944 opgepakt

14. Tante Leen met dochter Lies op bezoek bij de familie Snelleman in 1946