Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie pagina’s 533-535 van het Onderduikboek, en pagina’s 145-149 van het Supplement)
Onderduikers:
- Aäron Philip Horneman, bouwkundige (Zeist, 23 januari 1913 – Bilthoven, 24 juli 1998)
- echtgenote Sara Horneman-Vleeschdraager (Amsterdam, 22 december 1917 – Zeist, 19 juni 2012)
- (schoon)moeder Deborah Vleeschdraager-van Minden (Amsterdam, 23 juni 1890 – Bilthoven, 8 juli 1971)
Onderduikgevers:
- Antonie van Wijk architect-aannemer (Wijk en Aalburg, 20 oktober 1884 – Amersfoort, 21 maart 1968), en
- echtgenote Margje van Wijk-Schoon (Zuidlaren, 3 maart 1887 – Amersfoort, 24 september 1974)
Vanaf 1913 was pension Horneman achtereenvolgens gevestigd op Krugerlaan 37, Bothalaan 40 en op Eerste Hogeweg 1. In 1926 gingen Elias en Lina Horneman-Citroen failliet en toen verhuisden ze met hun gezin naar Utrecht. Aäron Horneman werd later opzichter bij Publieke werken van de gemeente Amsterdam. Van later cruciaal belang was dat Aäron Horneman tijdens zijn studie aan de HTS in Utrecht bevriend was geraakt met medestudent Wouter van Wijk uit Zeist.
De ouders van Wouter van Wijk, Anton en Margje van Wijk-Schoon, waren elders geboren maar echte Zeistenaren geworden. Anton van Wijk was aannemer en later architect, en als zodanig begonnen op Voorheuvel 38, waar nu de winkel van Stolk-van Dam gevestigd is. Zijn echtgenote was de dochter van een inspecteur van belastingen, die aan de Montaubanstraat woonde. Het ging het echtpaar voorspoedig. Anton van Wijk was mede-ontwikkelaar van de wijk Kersbergen. Met zijn echtgenote ging hij in de begin jaren veertig op Waterigeweg 46 wonen.
De nieuwe bewoners van Waterigeweg 46 hadden een heel andere instelling dan hun voorgangers, de prominente NSB’er Cees van Geelkerken en diens echtgenote.
Dochter Dina van Wijk was in november 1938 getrouwd met Jan Dill van de gemeentepolitie in Zeist en een voetbalmaatje van Wouter van Wijk. Dill was ten tijde van de Duitse inval een van de beide inspecteurs van de gemeentepolitie in Zeist. De andere inspecteur, Georg Goorhuis, werd benoemd tot waarnemend korpschef en Jan Dill stapte in 1942 over naar de spoorwegrecherche die met 500 medewerkers versterkt werd (hij zou later carrière maken als commissaris van de gemeentepolitie in Amersfoort). Het echtpaar Dill-van Wijk bleef echter op Griffensteijnseplein 33 wonen en bleef zo ook betrokken bij de onderduiksituatie bij hun (schoon)ouders.
Wouter van Wijk verhuisde na zijn huwelijk in de zomer van 1940 naar Groningen, waar hij aan de slag ging als districtsopzichter bij NV Provinciale Waterleiding. Na de Duitse inval ging hij al in 1941 in het verzet. In eerste instantie maakte hij plattegronden van verschillende distributiekantoren, die gebruikt werden voor overvallen en maakte hij sleutels na. Later nam hij deel aan overvallen. Ook zou hij persoonsbewijzen hebben vervalst en betrokken zijn bij het onderbrengen van onderduikers.
Het was dan ook geen toeval dat Anton en Margje van Wijk-Schoon besloten om Wouters studievriend Aäron Horneman, diens echtgenote Sara Horneman-Vleeeschdraager en haar moeder Debora Vleeschdraager-van Minden in onderduik te nemen. Aäron Horneman was op 31 maart 1942 met Sara Vleeschdraager getrouwd, naar verluidt in de Hollandsche Schouwburg. De vader van zijn studievriend, Antonie van Wijk, begon steeds sterker te vrezen voor de veiligheid van joodse mensen in Nederland. Op zeker moment besloot hij met zijn auto naar Amsterdam te rijden, om de pasgetrouwde Aäron en Sara Horneman-Vleeschdrager ervan te overtuigen dat ze moesten onderduiken. Ze gingen met hem mee naar Zeist, maar vroegen hem om ook de ouders van Sara Horneman-Vleeschdraager in veiligheid te brengen. Nardus (Nagman) Vleeschdraager zag de noodzaak van onderduiken niet in, met uiteindelijk fataal gevolg. Hij zou opgepakt, op 16 oktober 1942, gedeporteerd en na aankomst in Auschwitz, op 19 oktober, meteen vermoord worden. Voor zijn echtgenote Deborah Vleeschdraager-van Minden gaf het onderduiken problemen, omdat ze nog moest herstellen van een blindedarmoperatie. Maar Antonie van Wijk haalde haar toch weg uit het ziekenhuis en reed met drie onderduikers terug naar Waterigeweg 46 in Zeist.
Margje van Wijk-Schoon gaf de drie onderduikers voornamen, die ze de rest van hun leven zouden blijven dragen. Aäron ging ‘Arnold’ heten, Sara kreeg haar tweede naam ‘Emmy’ en (schoon)moeder Deborah werd ‘Tante Bets’.
Op Waterigeweg 46 werden verder veiligheidsvoorzieningen getroffen, in de vorm van een schuilplaats. In geval van dreigend gevaar bracht Anton van Wijk de drie joodse onderduikers met zijn auto zo diep mogelijk het Zeister bos in, via het Laantje zonder Eind. Daar bleven ze dan voorzien van dekens en proviand, tot het gevaar geweken was.
Gevaar bleef overigens beperkt, omdat de onderduikers blond haar en blauwe ogen hadden. In goed vervalste persoonsbewijzen konden ze zo bij controle doorgaan voor niet-joods. Vaststaat dat illegaal werkende gemeenteambtenaren minstens één vals persoonsbewijs uitschreven op het adres Waterigeweg 46. Dat persoonsbewijs was voor ‘Aaltje Hartzema’, die geboren zou zijn op 15 december 1895 in Loppersum en weduwe was van ‘Jelles Kasper Mittendorp’. Ze zou op 15 maart 1943 verhuisd zijn van Giethoorn naar Zeist, Waterigeweg 46.
Aaltje Hartzema was een bestaande persoon. Haar geboortejaar was echter 1885 en haar echtgenoot Jan Klaas Mittendorp zou pas in 1949 overlijden. Ook de namen van haar ouders waren gewijzigd naar ‘Wiebold en Klazina Hartzema-van Oosterom’ (in werkelijkheid: Frans en Gezina Hartzema-Sebens). Ze woonde tijdens de bezetting inderdaad in Giethoorn.
Dat persoonsbewijs moet voor Debora Vleeschdraager-van Minden zijn geweest.
Het ging goed tot half september 1944. Wouter van Wijk was toen van Groningen naar Zeist gekomen, omdat zijn leven in het Noorden niet meer veilig was. Vader Antonie van Wijk was toen al hoofd van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) in Zeist en Wouter werd ondercommandant. Op 11 december 1944 werd hij om onduidelijke redenen – verraad? – bij zijn ouders thuis gearresteerd, maar op basis waarvan is onduidelijk gebleven.
Dankzij de schuilplaats boven de ensuite deuren in de woonkamer, waren de drie joodse onderduikers onopgemerkt gebleven bij de arrestatie van Wouter van Wijk op Waterigeweg 46, maar het was op het nippertje. Ze moesten onmiddellijk weg. Voor de rest van de bezetting zouden zouden Aäron en Sara Horneman-Vleeschdraager onderduiken bij een gezin met de achternaam Bunte, vermoedelijk in Utrecht. Hun (schoon)moeder Deborah Horneman-Vleeschdraager-van Minden werd ondergebracht op Kritzingerlaan 74 bij de weduwe Zack-Verstraeten, die ook al het gezin Kreisberg-Krochmal in onderduik had gehad.
Hun onderduikgever Antonie van Wijk was zelf meteen ook ondergedoken en zijn echtgenote moest de woning Waterigeweg 46 verlaten. Vanuit zijn onderduiksituatie schreef Van Wijk op 2 januari 1945 de volgende brief aan de werkgever van zijn zoon
‘ Ergens in Nederland, 2 Januari 1945.
Den WeledelGestrengen Heer Dr.Ir. G.J. de Glee.
Dir. N.V. Water. My. v.d. Prov. Groningen.
G R O N I N G E N .
———————————————————–
Mynheer,
Een Uwer opzichters, t.w. W. van Wyk, is mijn zoon en wel myn eenige; wat dit laatste zeggen wil kan slechts diegene beseffen welke in soortgelyke omstandigheden verkeer als ik thans. Want wat toch is het geval:
Myn jongen sinds Sept. by my in Zeist waar ik als architect gevestigd ben, kon door byzondere omstandigheden niet naar Nieuwolda terugkeeren. Een omstandigheid waarover ik thans niet verder kan uitweiden. Zyn vrouw en twee kleine kinderen bleven alzoo alleen achter. Dit laatste werd nog verzwaard doordat u – of de Administratie van Uw Bedryf – heeft besloten het hem toekomend salaris opmerkelyk te verminderen. Deze maatregel, waaromtrent ik – althans voorloopig – geen commentaar zal leveren, wordt door betrokkenen zeer zwaar gevoeld!
Maandag 11 Dec. jl. is myn zoon door de Feld-Gendarmerie s’nachts in myn woning gearresteerd en loopt zyn leven thans zeer ernstig gevaar! Zelf ben ik dienzelfden nacht moeten vluchten en bevind my thans “ergens in Nederland” niet in staat ook maar iets voor myn jongen te doen…..! Indien U zelf vader is zult U zich wellicht eenigermate kunnen indenken wat dit voor my beteekent, om van myn vrouw als moeder nog niet te gewagen. By dit alles bekruipt my bovendien nog de angst, dat vrouw en kinderen van myn jongen zich, in dezen moeilyken tyd, niet staande zullen kunnen houden mede als een gevolg van de toegepaste salariskorting. Voorheen kon ik haar financieel bystaan, doch thans nu ik over giro- noch bankrekening kan beschikken, zyn zy op zichzelf of vreemden aangewezen.
Myn vrouw heeft onze woning moeten verlaten is thans door anderen betrokken en zelf ben ik als het ware “vogelvrij”.
Dr. de Glee, ik ken U niet en kan dus niet beoordeelen welke gevoelens dit schryven by U zullen opwekken. Dit toch hangt nauw samen met uw karakter en temperament en vooral ook met de visie welk men heeft op hetgeen thans in ons vaderland plaats grypt!
Doch hoe dit ook zy, ik hoop dat U een even goed vaderlander zult zyn als myn jongen, die er zyn leven voor veil heeft gehad. U niet te kennen vormt mede de reden, dat ik niet in details kan treden, toch heb ik gemeend U niet van de hoofdzaak onkundig te moeten laten in de hoop, dat U er de juist conclusie uit moge trekken alsmee dat U er de door de tydsomstandigheden geboden stilzwygendheid over zult betrachten.
Ten slotte deel ik U nog mede – daar ik niet weet wat dit alles tot slot zal hebben, zelf ben ik de 60 gepasseerd – dat copie van dit schryven is doorgegeven aan den Districhts-Comdt. van de Ned.Binnenl. Strydkrachten (N.B.S) ter informatie en zoonoodig ter verder tenuitvoer-legging.
Hoogachtend, Uw dw.,
[Handtekening A. van Wijk]’
De reactie van directeur De Glee is niet bekend.
In de gevangenis aan het Wolvenplein in Utrecht werd Wouter van Wijk intussen hardhandig ondervraagd. Ook werd hem voor een verhoor soms voedsel en nachtrust onthouden. In gevoelige brieven die hij vanuit ‘Hotel Place des Loups’ en die naar Zeist gesmokkeld werden, schreef hij op 17 januari 1945 onder meer:
‘Vrijdag 12 Jan. ben ik weer voor ’t verhoor geweest. Ze hebben me ’t mes op m’n keel gezet en ik heb etter en bloed gezweet. Ik moest en zou namen noemen van:
- Leden der binnenl.[andse] strijdkr.[achten]
- Politiepersoneel
- Secretarie en gemeentepersoneel
- Spoorwegmannen
- Joden
Maak je niet ongerust, want ik heb gezwegen, Jan! Ze hebben me echter beloofd, dat ze me regelmatig onder handen zullen nemen, dus er staat me nog wel wat te wachten! Ik hoop dat ik stand zal houden. Het zou me erg spijten, indien door mijn toedoen flinke kerels gegrepen zouden worden.’ (Met Jan werd zwager Jan Dill bedoeld.)
Op 19 januari schreef hij:
‘Gisteren weer verhoord. Opdoffers gehad, doch gezwegen. Ik bid God steeds om kracht en wil hopen het met Zijn hulp lang vol te houden.’
Op 31 januari 1945 schreef Wouter van Wijk nog dat hij niet bang was voor de dood:
‘Tenslotte wist ik te voren wat me eventueel te wachten zou staan.’
Nadat een Amersfoortse verzetsploeg een seinwachtershuisje had opgeblazen, werd hij vijf dagen later slachtoffer van een represaillemaatregel van de bezetter. Op 5 februari 1945, werd Wouter van Wijk in Amersfoort gefusilleerd aan de Barchman Wuijtierslaan, samen met 19 andere mannen.
In memoriam Wouter van Wijk (Zeist, 16 april 1913 – Amersfoort, 5 februari 1945)
In de Zeister Verzetswijk is de Wouter van Wijklaan naar hem vernoemd. De korte biografie op www.geheugenvanzeist.nl bevat weinig informatie over hem, omdat hij daarover altijd zeer gesloten was geweest. De brieven die hij vanuit de gevangenis schreef, zijn een bron voor aanvulling.
Drie maanden na de schokkende gebeurtenis in Amersfoort volgde de bevrijding en in juni liet Anton van Wijk zijn enige zoon herbegraven in Zeist. Wouter Dill werd later vernoemd naar zijn gefusilleerde oom, wat natuurlijk een beladen vernoeming was.
Het jonge echtpaar Aäron en Sara Horneman-Vleeschdraager en (schoon)moeder Deborah Vleeschdraager-van Minden zouden de bezetting overleven. Maar hun families waren geweldig getroffen door de Holocaust. Behalve Nardus Vleeschdrager waren een zus en een broer vermoord (een andere zus en drie broers overleefden), de zeven zusters en broers van Deborah Vleeschdraager-van Minden waren allen vermoord – haar zuster had de bezetting ook overleefd – en van Arnold Horneman waren zijn twee ooms en tantes van vaders kant vermoord. Van de meeste slachtoffers waren ook de partners en kinderen vermoord.
Elke betrokkene verwerkte de oorlogsgebeurtenissen op eigen wijze.
Bij het echtpaar Van Wijk-Schoon werd na de bevrijding spaarzaam gesproken over de bezetting die echter vooral door de dood van zoon Wouter, en ook door de spanningen van illegaal werk, op de achtergrond aanwezig bleef.
Margje van Wijk-Schoon werd en bleef ziek. Uiteindelijk leed ze jarenlang aan zware reuma. Het verlies van haar zoon woog zwaar en daar kwamen nog eens de spanningen van de onderduiksituatie bij. Haar echtgenoot Anton van Wijk, hoewel niet rancuneus van aard, verliet zijn gereformeerde geloof, werd vrijzinnig in zijn geloof en werd lid van de Nederlandsche Protestanten Bond. Voor de bezetting was hij al een prominente Zeistenaar geweest en na de bevrijding werd hij maatschappelijk actief. Hij werd voorzitter van de lokale ambachtsschool en van de IJsbaan Blikkenburg.
De drie joodse onderduikers, die hun onderduiknamen behielden, gingen na de bevrijding in Utrecht wonen, terwijl Arnold Horneman weer in Amsterdam aan de slag ging, als Hoofd van de gemeentelijke afdeling Bouw- en Woningtoezicht. Had Horneman voor de bezetting het joodse geloof op orthodoxe wijze beleden, na de oorlog sloten de drie onderduikers zich aan bij het Humanistisch Verbond. Ook zij reageerden verschillend op de gevolgen van de bezetting.
‘Tante Bets’ Vleeschdraager-van Minden was ogenschijnlijk een laconieke vrouw die zich ook na de bevrijding niet emotioneel uitte over de toch moeilijke onderduikjaren. Ogenschijnlijk had ze geen oorlogstrauma, maar haar echtgenoot en haar zeven broers en zussen waren vermoord, met eventuele partners en kinderen.
Emmy Horneman-Vleeschdraager kreeg op den duur ernstige gezondheidsklachten, zoals zware reuma en hartproblemen. Een relatie met de onderduikspanningen mag niet uitgesloten worden. Ondanks al haar klachten zou ze de hoge leeftijd van 93 jaar halen.
Arnold Horneman leed het duidelijkst aan een oorlogstrauma. Hij legde een lange getuigenis af over zijn oorlogservaringen, voor het United States Holocaust Memorial Museum. Hij werd ernstig depressief en onderging een behandeling door professor Jan Bastiaanse in Oegstgeest. Hij kreeg al op 60-jarige leeftijd een progressieve vorm van Parkinson, maar wist toch de leeftijd van 85 jaar halen.
Ondanks alles waren de voormalige onderduikers allesbehalve verzuurd. Al voor de bezetting waren het goed opgeleide en actieve mensen. Emmy Vleeschdraager had de HBS gevolgd, had daarna in een boekhandel gewerkt en was een geëmancipeerde vrouw. Arnold Horneman had de Hogere Technische School gevolgd. Hij was als hordeloper een topsporter geweest op nationaal niveau en was muzikaal. Wat de muzikaliteit betreft, had hij zijn Utrechtse schoolgenoot Wim Sonneveld nog begeleid in het prille begin van diens carrière.
Na de bevrijding werden Arnold en Emmy Horneman-Vleeschdraager weer volop actief. Emmy sprak goed Engels en onderhield actief familie- en vriendschapsbanden over de hele wereld, in Australië, Canada, Israël en Engeland). Zij en haar echtgenoot waren moderne mensen. Zo droeg Emmy Horneman-Vleeschdraager bijvoorbeeld al een bikini, toen dat nog niet gangbaar was. Ze toerden met hun Lambretta-scooter naar Zuid-Frankrijk voor hun vakantie. Dezelfde scooter als die waarmee Arnold Horneman als Zwarte Piet meereed in de Amsterdamse sinterklaasoptocht.
Bijzonder aan deze onderduiksituatie was dat men elkaar na de bevrijding niet meer losliet. Alle feestdagen werden gezamenlijk gevierd en jaarlijks werd op 4 mei gezamenlijk het wederzijdse leed herdacht. Het echtpaar Horneman-Vleeschdraager en hun (schoon)moeder Bets Vleeschdraager-van Minden integreerden volledig in de familie van ‘Oom Anton’ en ‘Tante Margje’ van Wijk-Schoon. Het echtpaar, getrouwd op 31 maart 1942, bleef bewust kinderloos, maar ze ontpopten zich voor de kleinkinderen van hun onderduikgevers als leuke oom en tante. Zo gingen ze bijvoorbeeld met Cora en Wouter Dill kamperen en was Arnold Horneman getuige bij het huwelijk van de dochter van zijn studievriend Wouter van Wijk. Bets Vleeschdraager-van Minden reisde wekelijks naar Amersfoort, om bij het echtpaar Dill-van Wijk verstelwerk uit te voeren.
Toen Anton van Wijk moest wachten op opname in een verzorgingshuis, verbleef hij drie maanden bij het echtpaar Horneman-Vleeschdraager in huis, en toen weduwe Emmy Horneman-Vleeschdraager in haar laatste levensfase naar een verzorgingshuis ging, koos ze voor de Looborch, dicht bij haar Zeisterse ‘familie’. Na haar overlijden stond die familie – meer dan vrienden – ook in haar testament, overigens net als de andere onderduikgevers (gezin Bunte).
Het ineenvloeien van familiale relaties was een uniek voortvloeisel van de onderduiksituatie.
Bronnen:
- Mededelingen van Cora Hoeksma-Dill en Wouter Dill
- Gemeente Zeist, oud bevolkingsregister
- Wikipedia, Cornelis van Geelkerken
- www.geheugenvanzeist, De Zeister Courant
- Stadsarchief Amsterdam, archiefkaarten voor Nagman Vleeschdraager en Deborah Vleeschdraager-van Minden
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaart voor Nagman Vleeschdraager
- Digitaal joods monument, Nagman Vleeschdraager
- Niet geraadpleegd (want niet digitaal beschikbaar): interview met Aäron Philip Horneman over zijn onderduik in Zeist (collections.ushmm.org)
- Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister; 1499-1500, register van illegalen, ‘Aaltje Hartzema’
- Brieven van Wouter van Wijk uit de gevangenis (beschikbaar gesteld door Cora Hoeksma-Dill en Wouter Dill)
- www.geheugenvanzeist.nl, Wouter van Wijk – verzetsstrijder, uit de Nieuwe Zeister Courant van 27 december 1968
- Wikipedia, Wouter van Wijk
- Zie het bewezen onderduikadres Kritzingerlaan 74 (onderduik Deborah Vleeschdraager-van Minden)
1. Waterigeweg 46
2. Waterigeweg 46 in vroeger tijden. Op de voorgrond Jan Dill, schoonzoon van de onderduikgevers
2.a. Over ‘Kees de Prater’
3. Het gezin Van Wijk-Schoon voor de bezetting
4. Het gezin Van Wijk-Schoon op de motor
5. Dina van Wijk en broer Wouter
6. Het elftal van Gemeente Ambtenaren Zeist en Omstreken (GAZO) dat uitkwam in de Utrechtse Kantoor Voetbal Bond, in 1935. Derde van links Jan Dill, vijfde van links Wout van Wijk en helemaal rechts de latere illegaal leider Siem de Man
7. Vals persoonsbewijs op naam van ‘Aaltje Hartzema’
8. Bets (Debora) Vleeschdrager-van Minden
9. Briefje van Wouter van Wijk aan zijn kleine nichtje Cora Dill, vanuit de gevangenis
10. De gevangenis aan het Wolvenplein in Utrecht
11. Wouter van Wijk
12. Margje van Wijk-Schoon
13. Anton van Wijk
14. Emmy en Arnold Horneman-Vleeschdrager op kampeervakantie met Cora en Wouter Dill
15. Emmy en Arnold Horneman-Vleeschdrager















