Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het onderduikboek, pagina’s 160-161; ingrijpend aangepast in verband met het verraad)
Op vrijdag 21 januari 1944 hielden Nederlandse jodenjagers in dienst van de Sicherheitsdienst een razzia, de vorm van een serie van vier arrestatie-acties, op de volgende, verraden adressen:
1. Joost van de Vondellaan 1
2. (vermoedelijk) Professor Lorentzlaan 2 (huisartspraktijk; het onderduikadres van het gearresteerde gezin is Wallenburg 1) – zie de volgende beschrijving
3. Woudenbergseweg 49 (tijdens de bezetting 25), Austerlitz
Na deze eerste drie acties werden niet-geplande arrestaties verricht op Jan Willem Frisolaan 9, die niet het gevolg waren van verraad maar van een toevallige, tussentijdse ontmoeting. Wegens daardoor ontstaan tijdgebrek gaven de jodenjagers opdracht aan de gemeentepolitie om de vierde, geplande arrestatie-actie te verrichten, op:
4. Oranje Nassaulaan 32
In memoriam:
- Gerd Moses Löwenthal, handelaar in baby-artikelen (Barmen-Elberfeld, 17 januari 1912 – Midden-Europa, 30 juni 1944), bereikte de leeftijd van 32 jaar
- echtgenote Diena Löwenthal-Hoek (Enschede, 20 april 1912 – Auschwitz, 11 februari 1944), bereikte de leeftijd van 31 jaar
- zoon Eric Louis Löwenthal (Enschede, 27 augustus 1940 – Auschwitz, 11 februari 1944), bereikte de leeftijd van 3 jaar
- zoon Ralph Löwenthal (Enschede, 3 juli 1942 – Auschwitz, 11 februari 1944), bereikte de leeftijd van 1 jaar
Onderduikgever:
- Livinus de Smit, ongehuwd, bosarbeider (Zeist, 10 februari 1882 – Zeist, 18 oktober 1957)
Landgoed Wallenburg is een landgoed in Boswachterij Austerlitz. Het landgoed is genoemd naar de voormalige hofstede Wallenburg. Er stonden op het landgoed ooit drie eenvoudige kleine woningen met de huisnummers 1, 2 en 3, die midden in het bos lagen. Een van deze huisjes is het onderduikadres geweest van het joodse gezin Löwenthal-Hoek, bestaande uit het echtpaar Gerd en Diena Löwenthal-Hoek en hun twee zoontjes van drie en een jaar.
0-0-0-0-0
In het voorjaar van 1943 vindt het echtpaar Löwenthal-Hoek – net als de broertjes Hans en Eric van Dam en mogelijk andere onderduikers – onderduik bij het echtpaar Van Veenendaal-Ursinus, op de afgelegen in het bos liggende Woudenbergseweg 25. Of hun kleine zoontjes er dan ook al bij zijn, is niet bekend. In elk geval wil het joodse echtpaar graag beschikken over aparte kamers, om daar met hun zoontjes te verblijven.
Stine van Veenendaal-Ursinus overlegt daarover met de bosarbeider Livinus de Smit die af en toe bij haar op bezoek komt. De Smit bewoont een van de drie afgelegen in het bos gelegen, vrij primitieve woninkjes op het landgoed Wallenburg. De Smit is wel bereid om het risico te nemen, mits hij daar goed voor betaald wordt. Hij denkt aan 12,50 gulden per week, maar door toedoen van Stine van Veenendaal-Ursinus wordt dat bedrag verdubbeld. Voor 25 gulden per week kan het gezin Löwenthal-Hoek beschikken over twee ongemeubileerde kamertjes zonder licht en brandstof, terwijl ze zelf voor hun eten moeten zorgen. Vijf van de 25 gulden zijn voor Stine als vergoeding voor het doen van boodschappen voor de onderduikers, maar dat blijkt na 5-6 weken niet nodig.
Livinus de Smit krijgt in de loop van de tijd steeds vaker ruzie met zijn onderduikers. Hij laat herhaaldelijk aan Stine van Veenendaal-Ursinus merken dat hij zich geweldig aan hen ergert en in staat zou zijn om hen te verraden. Ze praat op hem in om dat niet te doen. Maar hij zegt medio januari wel tegen het echtpaar Löwenthal-Hoek dat ze moeten verdwijnen.
Op 21 januari 1944 wil het joodse gezin een huisarts in Zeist consulteren, vermoedelijk dokter Giesberger die praktijk houdt op Professor Lorentzlaan 2. Ze melden dat aan De Smit. Ze gaan die dag naar Zeist en worden op dat adres gearresteerd door de foute agenten H. Westerdijk en H. Verbaan van het Judenreferat IV B 4 van de Sicherheitspolizei in Den Haag. Blijkbaar is het joodse gezin verraden.
De arrestatie maakt deel uit van een razzia, waarbij op 21 januari 1944 op vijf adressen in Zeist invallen worden gedaan en joodse onderduikers worden gearresteerd. De eerste inval is ook gedaan door Verbaan en Westerdijk, met ondersteuning van de Zeister gemeentepolitie, op Joost van de Vondellaan 1. De twee gearresteerde vrouwen en een kind zijn om 14.30 uur binnengebracht. De tweede inval in de dokterspraktijk heeft ongeveer tegelijkertijd plaatsgevonden. De arrestatie-actie van 21 januari 1944 wordt voortgezet met invallen op Woudenbergseweg 45 (tijdens de bezetting 23), waar bosarbeider De Booij zich onttrekt aan de Arbeitseinsatz, en Woudenbergseweg 49 (tijdens de bezetting 25), waar de twee joodse broertjes Van Dam gearresteerd worden.
Volgens onderduikgeefster Stine van Veenendaal-Ursinus zegt een van de Sipo-agenten tegen de ander: ‘Het is maar goed dat die ouwe ons zo goed heeft ingelicht, anders hadden wij het nooit gevonden.’ Daarmee doelen ze naar haar mening op De Smit. Ze wordt naar eigen zeggen tijdens de inval mishandeld, maar zou op een onbewaakt moment het bos in hebben kunnen vluchten en zo ontkomen zijn. Ze zal er in haar naoorlogse verklaring op wijzen dat De Smit niet gearresteerd is als onderduikgever. Na verhoor door een van de agenten die de onderduikers waren komen arresteren, was hij door dezelfde agent vrijgelaten zonder veroordeling. Later: ‘Uit een en ander maak ik op dat Smit niet geheel onschuldig is wat de arrestatie van de joden betreft.’
Uit het politiedagrapport van die vrijdag:
‘15 uur brengen H. Westerdijk en H. Verbaan wachtmeester van Politie in dienst bij de Sipo te den Haag aan het bureau de joden:
GERD LÖWENTHAL, geb. 17-1-1912,
DIENA LÖWENTHAL-HOEK, geb. 20-4-1912 te Enschede
ERIC LOUIS, geb. 27-8-1940
RALPH, geb. 3-7-1942
In passantkamer geplaatst. O.d.W.’
Om half vier brengen drie Zeister politiemannen het gezin en drie andere gearresteerde joodse onderduikers – met drie kleine kinderen – naar Villa Windekind op Nieuwe Parklaan 76, waar het Judenreferat IV B 4 van de Sicherheitspolizei gevestigd is.
Op 28 januari 1944 wordt het gezin Löwenthal-Hoek ondergebracht in strafbarak 67 van Kamp Westerbork en op 8 februari moet het gezin op Transport naar Auschwitz. Handelaar in baby-artikelen Gerd Löwenthal zal medio 1944 ergens in Midden-Europa omkomen. Zijn echtgenote en twee zoontjes van een en drie jaar worden op 11 februari 1944 al vermoord in Auschwitz, op de dag van aankomst aldaar.
Precies op diezelfde dag vindt er huiszoeking plaats op Wallenburg 1, omdat goederen van het gezin Löwenthal-Hoek zijn weggehaald uit de verzegelde onderduikkamer en verkocht. Uit het nachtrapport van vrijdag 11 op zaterdag 12 februari 1944:
‘0.30 uur Komen aan het bureau de rechercheurs Van Kleef en van Tricht van de politie Utrecht en deelen mede, dat zij bij een zekeren Smit, wonende Austerlitz huiszoeking moeten doen in verband met diefstal van ondergoed. Bij nader onderzoek bleek dat bedoelde Smit woonde op Wallenburg. Wmr. Bes is met rechercheurs mede gegaan.
4.30 uur Keert ondergeteekende terug van zijn assistentie aan de Utrechtse recherche. Uit dit onderzoek is gebleken, dat Smit voornoemd vermoedelijk lijfgoederen, van de onlangs daar weggehaalde joden, door middel van inklimming in de verzegelde kamer, heeft weggenomen en verkocht. Door de Utrechtsche recherche is het zegel van de binnendeur verbroken, waarvan zij de betreffende instantie in Den Haag zullen kennis geven. Smit voornoemd is door hen overgebracht naar Utrecht. Tevens zijn door hen eenige monsters ter vergelijking medegenomen. Bes.’
Bij de beschrijving van de onderduiksituatie op Wallenburg 1 is het in het grote Onderduikboek voor mogelijk gehouden dat De Smit de goederen veilig had willen stellen. Dat was echter niet het geval, zo bleek uit zijn zogenaamde CABR-dossier bij het Nationaal Archief. Hij had de goederen verkocht voor een flink bedrag. De diefstal had hem een verblijf van zes weken in de strafgevangenis in Scheveningen opgeleverd.
De naam van De Smit werd bij onderzoek naar naoorlogse gebeurtenissen aangetroffen in het dagrapport van de Zeister gemeentepolitie voor donderdag 19 juli 1945. Hij werd toen verdacht van diefstal van sigaretten en thee. Bij het onderzoek bleek dat hij in een plaggenhut bij zijn woning twee meisjes had ondergebracht die zich prostitueerden aan Canadese militairen.
De Smit’s naam dook opnieuw op in een proces-verbaal van de gemeentepolitie Zeist over een ernstige mishandeling op dinsdag 28 augustus 1945. Het slachtoffer was de echtgenote van Cornelis Jacobus de Booij die op 21 januari 1944 tegelijk met de broertjes Van Dam was opgebracht. Zij huurde vanaf september 1944 met haar echtgenoot, collega van bosarbeider De Smit, een deel van de woning Wallenburg 1. In het proces-verbaal werd opgemerkt dat De Smit 7 jaar eerder al eens veroordeeld was wegens mishandeling
Livinus de Smit had dus in 1945 een behoorlijk strafblad en leek niet het type van een onbaatzuchtige onderduikgever. Die constatering was aanleiding voor een nader onderzoek naar deze onderduikgever. Navraag bij het Nationaal Archief leerde dat de politieke recherche na de bevrijding een onderzoek had ingesteld naar de gedragingen van De Smit tijdens de bezetting. In het Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging lag een dossier op zijn naam. Bij raadpleging van dat CABR-dossier werd duidelijk dat hij vanaf begin augustus 1945 ernstig verdacht werd van het verraad van onderduikers in drie woningen in de bossen bij Austerlitz.
De later door Livinus de Smit zo zwaar mishandelde onderhuurster Elisabeth de Booij-Peterse legde een belastende verklaring af. Volgens haar waren de drie onderduikwoningen Wallenburg 1 (het gezin Löwenthal-Hoek), Woudenbergseweg 23 (haar echtgenoot) en Woudenbergseweg 25 (Hans en Eric van Dam) door hun ligging in het bos betrekkelijk moeilijk te vinden.
Ze verdacht De Smit van het verraad van haar echtgenoot. Die was ook op 21 januari 1944 gearresteerd. Als die ondergedoken was voor de Arbeitseinsatz, is het overigens de vraag waarom hij niet langdurig naar Duitsland werd gestuurd en waarom het echtpaar De Booij-Peterse niet veel later woonruimte huurde in de (schamele) woning van de verrader. Het waren merkwaardige verhoudingen, daar op die afgelegen plek.
De redenen waarom Elisabeth de Booij-Peterse De Smit ook verdacht van het verraad van het gezin Löwenthal-Hoek waren tweeërlei. De Smit had haar verteld dat hij geregeld ruzie had met zijn onderduikers en dat hij het gezin Löwenthal-Hoek graag kwijt wilde. Bovendien was het haar opgevallen dat De Smit zelf niet gearresteerd was, wegens het verschaffen van onderduik.
Na de arrestatie had hij de verzegelde kamers opengebroken en daar bezittingen van de onderduikers weggenomen en verkocht. Voor deze diefstal had hij zes weken doorgebracht in de strafgevangenis in Scheveningen. Blijkbaar had hij nog gestolen goederen achtergehouden, want die zou hij in februari 1945 verkocht hebben aan een Duitse militair.
Volgens Stine van Veenendaal-Ursinus had De Smit later tegen zijn onderhuurster Elisabeth de Booij-Peterse beweerd dat haar echtgenoot en zij door een rechercheur gewaarschuwd was dat er een huiszoeking plaats zou vinden op Woudenbergseweg 25. Dat was volgens haar een leugen, anders zou ze de broertjes Van Dam (en vuurwapens) verstopt hebben.
Livinus de Smit werd als laatste verhoord. Hij ontkende niet dat hij dat aan anderen had laten weten dat hij de onderduikers kwijt wilde. Over verraad zou hij echter nooit gesproken hebben. Vervolgens kwam hij met een opmerkelijk en ongeloofwaardig verhaal. Op een middag in januari 1944 zou hij op bezoek zijn geweest op Woudenbergseweg 25, toen daar een hem onbekende persoon was gekomen, gekleed in een grijze overjas. Stine van Veenendaal-Ursinus was geschrokken en had gevraagd of er iets met haar echtgenoot was gebeurd. Ze had buiten kort met de onbekende persoon gesproken en was binnengekomen met de opmerking dat ze de broertjes in veiligheid moest brengen. De Smit moest zijn onderduikers waarschuwen. Volgens hem had hij dat ook gedaan, maar Gerd Löwenthal zou de waarschuwing genegeerd hebben.
Livinus de Smit begreep zelf ook niet waarom hij niet gearresteerd was als onderduikgever. Ongeveer twee weken na de arrestaties had een hem onbekende Zeistenaar hem overgehaald om de verzegelde kamers open te breken en de daarin aanwezige goederen te verkopen. Naar eigen zeggen, had hij pas na enig heen en weer meegewerkt. Hij had de goederen in Utrecht verkocht voor 260 gulden (koopkracht anno 2025 €4.880). Voor die diefstal was hij gearresteerd door de Utrechtse recherche. Na een verblijf vier dagen op het Hoofdbureau van Politie in Utrecht, was hij overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen. Na verloop van zes weken was hij verhoord door een SD-agent die bij de overval op Wallenburg 1 aanwezig was geweest. De agent had hem vrijgelaten. Volgens De Smit dankte hij die vrijlating aan een blanco strafregister, maar zijn strafregister was toen al niet blanco. Hij ontkende de joodse onderduikers en Jacobus de Booij te hebben verraden.
Dat Livinus de Smit betrokken was bij het verraad van zijn eigen onderduikers is aannemelijk, ook gelet op zijn eigen verklaring. Uiteraard is er een verband tussen de arrestaties van Hans en Eric van Dam respectievelijk Cornelis Jacobus de Booij op dezelfde dag, maar er is geen bewijs dat De Smit dat verraad ook op zijn geweten zou hebben. Theoretisch zou een ander daarvoor verantwoordelijk kunnen zijn. De Smit had geen reden om Stine van Veenendaal-Ursinus te verraden, want hij stond met haar op goede voet?
Hoe dan ook, Livinus de Smit zou niet voor een rechter hoeven te verschijnen om verantwoording af te leggen over zijn gedragingen. Zonder dat de betrokken Sipo-agenten gehoord werden over het verraad, werd hij op 4 maart 1948 voorwaardelijk buiten vervolging gesteld door de Procureur-Fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam. Diens overweging was dat de verklaringen over De Smit’s gedragingen niet meer beoordeeld konden worden door een Tribunaal. Met een wet van 13 mei 1948 werd de Bijzondere Rechtspleging namelijk beëindigd.
Kennelijk werd niet overwogen om De Smit voor een gewone rechtbank te brengen, terwijl het verraad toch geleid had tot de moord op vier kinderen en twee volwassenen. Wel verloor hij zijn kiesrechten voor de duur van tien jaar en moest hij zich gedurende een proeftijd van drie jaar aan een serie voorwaarden onderwerpen. Met een briefje van 16 maart 1948 protesteerde hij – tevergeefs – tegen zijn straf, omdat hij daar zelf geen reden voor zou kunnen bedenken.
Er zullen altijd vragen blijven. Waarom wees Jan van Veenendaal, de voormalige onderduikgever van Hans en Eric van Dam, andere potentiële verraders aan in de brief die hij in oktober 1945 aan de tante van Anneke van Dam schreef. Wist Van Veenendaal niet dat zijn echtgenote Livinus de Smit zwaar beschuldigde van het verraad? Een mogelijk antwoord op bepaalde vragen kan zijn dat Stine van Veendaal-Ursinus zich medeschuldig voelde aan de dramatische gang van zaken. Zij had immers een dubieuze figuur als Livinus de Smit betrokken bij het geven van onderduik. Maar dat blijft speculatie. Duidelijk is in elk geval dat de voormalige onderduikgevers van de broertjes Van Dam meer wisten over de toedracht dan ze later prijsgaven aan de familie van de jongens.
Bronnen:
- Mededelingen van Tjeerd van Albada, Anneke van Dam en mevrouw L. v.d. A.
- Hinke Piersma, ‘Zussen’, Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam, 2017.
- Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister; archief gemeentepolitie, toegang 3500, inventarisnummer 272, politiedagrapport van 21 januari 1944 (arrestatie) en nachtrapport van vrijdag 11 op zaterdag 12 februari 1944; inventarisnummer 200, dagrapporten van donderdag 19 juli 1945, en proces-verbalen 1945 (meldingen over Livinus de Smit)
- ITS Arolsen (collections.arolsen-archives.org), Joodse Raad-kaarten voor Gerd Moses en Diena Löwenthal-Hoek en hun zoontjes Eric en Ralph
- Brief van oktober 1945 van Jan van Veenendaal
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, Politieke Recherche Afdeling (PRA) inventarisnummer 97667, dossier 10878, en Procureur-Fiscaal (PF), inventarisnummer 106698, dossier T51739, Livinus de Smit
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2/09.09, inventarisnummer 253, H.J. Verbaan, en 98586-772 en 260, H. Westerdijk: dit dossier van de verantwoordelijke jodenjagers bevat geen informatie over deze arrestaties
- Zie ook de bewezen onderduikadressen Joost van de Vondellaan 1, Woudenbergseweg 49 (tijdens de bezetting 25) in Austerlitz, Jan Willem Frisolaan 9 en Oranje Nassaulaan 32
1. Een van de drie Wallenburg huisjes, inmiddels afgebroken
2. Een van de andere twee Wallenburg-huisjes.
3. Woningkaart Wallenburg 1 met Livinus de Smit
4. Eric Louis LÖWENTHAL
5. Woudenbergseweg 49
6. Jan en Stine van Veenendaal-Ursinus
7. Hans en Eric van Dam die op Woudenbergseweg 49 ondergedoken waren
8. SD-medewerker H.J. Verbaan







