Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement; zie het Onderduikboek, pagina 184)
Onderduikers:
- ‘Oom Paul’ en ‘Tante Greet’ (verdere gegevens onbekend)
- Catharina Rosina Polak, verpleegster (Amsterdam, 1 juni 1911 – Bussum, 5 februari 1987)
- Clemens Michael Brühl, scholier (Berlijn, 10 april 1925 – Amsterdam, 9 juni 1986)
- Max Gustaaf Rood, scholier (Enschede, 21 augustus 1927 – Amsterdam, 2 december 2011)
Onderduikgevers:
- Abel Tasman, scheikundige (Amsterdam, 27 juni 1900 – Zeist, 27 maart 1974), en
- echtgenote Henriette Agatha Tasman-Verrijn Stuart (Den Haag, 23 augustus 1900 – Zeist, 27 maart 1972)
Vier kinderen (1930, 1932 en 2x 1937)
In De Zeister Courant stond op 16 februari 1938 een kleine advertentie, waarin de scheikundige dr. Abel Tasman, die toen met zijn echtgenote Henriette Agatha Tasman-Verrijn Stuart en vier kinderen op Plompetorengracht 12 in Utrecht woonde, een vrijstaande villa te huur. De villa moest in de buurt van het bos liggen en 10 kamers bevatten, een badkamer, een keuken, een garage, vaste wastafels en centrale verwarming. De keuze viel op de grote villa Hoogerheide, Verlengde Slotlaan 113.
(Kennelijk stonden op het perceel twee villa’s, want Huize Polonia van tandarts Jacobus Johannes Griffijn, die overigens in november 1943 op 74-jarige leeftijd zou overlijden, had hetzelfde adres).
Het gezin Tasman-Verrijn Stuart vestigde zich eind mei 1937 op Verlengde Slotlaan 113. Anno 2022 staan op het perceel twee alleenstaande woningen en is het adres vernummerd naar 15 en 15a).
De villa Hoogerheid stond naast het gebouw van de Zeister Schoolvereeniging. Tijdens de bezetting zou dat gebouw in gebruik worden genomen als kazerne voor de Duitse Wehrmacht, en werd de garage van Verlengde Slotlaan 113 vanaf toen gebruikt als veldkeuken. Bovendien kreeg het gezin Tasman-Verrijn Stuart tijdens de bezetting op een gegeven moment inkwartiering van een Duitse officier. En al was de Duitse officier een rustige, voormalige boswachter of houtvester die tegen het einde van de oorlog steeds milder werd, en waren de Wehrmacht-soldaten niet van de fanatieksten, bij elkaar was het toch een woonsituatie om op je hoede te zijn met zoveel Duitsers in de directe nabijheid.
Het echtpaar Tasman-Verrijn Stuart was zeker voorzichtig, maar zou desondanks tijdens de bezetting enorme risico’s nemen.
Abel Tasman was een principiële man. Hij richtte tenminste in 1918 met een vriend de Gymnasiasten Geheelonthouders Bond (GGOB) op, die datzelfde jaar nog fuseerde met de HBSGOB tot de NBAS, de Nederlandse Bond van Abstinent (geheelonthoudende) Studerenden. Deze zelfstandige jeugdvereniging met humanistische doelstellingen had zichzelf op 23 maart 1941 opgeheven, naar aanleiding van een verordening waarmee de bezetter alle niet-commerciële verenigingen onder toezicht plaatste. Bij die gelegenheid stelde het hoofdbestuur van de NBAS: ‘De tijd vraagt van ons geen stille verbittering en afzijdig-negativisme; geen treuren over al wat in de maalstroom van het leven nu verloren gaat – de tijd eist moed van ons – moed om hem aan te durven.’
Of die boodschap de inspiratie vormde voor ex-NBAS’ers, zoals Abel Tasman, om actief illegaal werk te gaan doen, is niet duidelijk. Zelf vertelde Tasman later ook wel eens dat de executie van zijn vriend dr. Toon Tellegen, Hoofd van de GGD-Zeist, voor hem de directe aanleiding was geweest om zich aan te sluiten bij het illegaal werk. Maar die tragische gebeurtenis vond plaats op 22 oktober 1943 en eerder waren er al onderduikers in huize Tasman-Verrijn Stuart. Waren het gesprekken met zijn overburen, de gereformeerde dominee Lugtigheid (Verlengde Slotlaan 124c) en de rooms-katholieke mijnheer K. Jansen van nummer 126, een witte villa met plat dak) die hem en zijn echtgenote tot hun uitgebreide hulp aan onderduikers brachten? Er waren ook andere gelegenheden waarop Zeistenaren er met elkaar over gepraat moeten hebben, zoals de EHBO-cursus medio 1942, waaraan behalve Abel Tasman latere onderduikgevers als Jeanne Coops, Herman Folmer en Gerrit Oudhof deelnamen. Ook raakte Abel Tasman tijdens een werkreis in december 1942 voor het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid (voorloper van het RIVM) naar Kopenhagen onder de indruk van de wijze waarop het Deense koningshuis joodse burgers geholpen zou hebben om naar het neutrale Zweden te ontkomen.
Kortom, er waren ongetwijfeld meerdere impulsen. Via de door de militaire verzetsorganisatie Ordedienst ‘geïnfiltreerde’ Luchtbescherming kwam Abel Tasman in de zogenaamde ‘Negenoog’. Bij de bouw in 1940 van het nieuwe politiebureau van Zeist was een illegale telefoonverbinding met het gemeentehuis aangelegd. De aansluiting, die zich in de kelder van het politiebureau bevond, mocht uitsluitend bediend worden door de politie-inspecteurs Harry Brands, Evert Neppelenbroek en Jan Karel ten Voorde die ook als woordvoerder naar de Sicherheitspolizei optraden. In geval van dreiging moesten ze dan zogenaamd met hun superieuren overleggen, zodat ze in de tussentijd het illegaal werk konden waarschuwen. Peter van der Werff, ambtenaar bij de Afdeling Bevolking van de Zeister gemeentesecretarie, bedacht vervolgens de ‘Negenoog’. Deze groep van negen illegaal werkers bestond uit Peter van der Werff zelf, de drie inspecteurs, de apotheker Th.J. Berents, de arts H.A. Giesberger, de arts Toon Tellegen, de koopman Jan W. Tuininga en Abel Tasman. De ‘Negenoog’ hield zich bezig met het onderbrengen van onderduikers, het vervalsen van documenten en het regelen van bonnen.
Uit de deelname aan de organisatie blijkt dat mannen als Abel Tasman vertrouwen genoten in illegale kringen in Zeist. Het is denkbaar dat de joodse en niet-joodse onderduikers, die vanaf medio 1943 tot de bevrijding in huize Tasman-Verrijn Stuart onderdak vonden, daar via contacten van de ‘Negenoog’ belandden.
Op 15 mei 1943 werd in het Zeister bevolkingsregister op hun adres de ongehuwde Jacob Meijers ingeschreven, geboren op 28 februari 1908 en vandaar komende uit De Bilt, inspecteur van een verzekeringsmaatschappij en zonder kerkelijke gezindheid. Na de bevrijding bleek het een valse identiteit te zijn. Dat wil zeggen, de echte Jacob Meijers was na een half jaar (26 augustus 1908) in De Bilt weer overleden. Welke onderduiker schuilde achter die valse identiteit?
Tasmans zoon Coen Tasman (1937) herinnert zich een ‘Oom Paul’ en een ‘Tante Greet’, die een lappenpopje à la Flipje, het ‘fruitbaasje van Tiel’, voor hem maakte. Ze vertrokken op zeker moment naar een ander onderduikadres. Wat er van hen geworden is, weet hij niet met zekerheid te melden.
Het grote huis en het gezin vergden veel verzorging en het echtpaar Tasman-Verrijn Stuart vroeg eind 1942 en begin 1943 enkele malen via advertenties in De Zeister Courant om een dienstbode, kinderjuffrouw en hulp in de huishouding.
Vanaf half januari 1943 verving ene Bé Plankeel het vorige inwonende kindermeisje. Nooit is duidelijk geworden of dit een (joodse) onderduikster betrof. Bé Plankeel ging toch af en toe uit en werd op een avond gevolgd door een Duitse soldaat. Ze ontkwam nog net aan diens avances, maar de soldaat koelde zijn teleurstelling door de naam Tasman op het naambordje door te krassen. Bé Plankeel moest weg, omdat haar gedrag risico’s met zich meebracht voor het gezin Tasman-Verrijn Stuart en de andere onderduikers, maar de behoefte aan personeel bleef.
In zijn boek ‘Van je familie moet je het maar hebben’ roept Coen Tasman de vraag op in hoeverre zijn moeder achter het besluit stond, om onderduikers onderdak te geven. Tegen haar dochter had ze ooit gezegd dat ze later nooit meer zo veel hulp in de huishouding had gehad, maar ongetwijfeld stond ze volledig achter de onderduikershulp en had ze het waarschijnlijk ook wel gezellig gevonden, met al die mensen in huis. Praktisch en gezellig of niet, er was er moed vereist om te handelen zoals het echtpaar Tasman-Verrijn Stuart handelde.
Een van hun langst gebleven onderduikers was de joodse verpleegster Kitty (Catherina Rosina) Polak die in de Joodsche Invalide had gewerkt. Drie uit Apeldoorn afkomstige zusters van haar moeder waren ondergedoken op Torenlaan 27 – waarvan twee voor lange tijd – en zouden de oorlog ook in Zeist overleven. Zelf had Kitty Polak eerst in Utrecht ondergedoken gezeten bij twee oudere dames. Daar zat ook haar broer, de kritische journalist Jo Alexander Polak van het socialistische Het Volk. Hij hield tijdens zijn onderduik in Utrecht een dagboek bij, waarin hij op 25 maart 1942 al de ontstellend hoge sterftecijfers onder joodse gedeporteerden noteerde. Eerder, op 17 oktober 1941 had hij al geschreven: ‘… de Joden die worden weggehaald, sterven onder geheimzinnige omstandigheden en soms al een paar dagen, nadat zij in de Duitsche concentratiekampen zijn aanbeland. Sommigen zeggen, dat ze in loodwitfabrieken te werk werden gesteld, zonder dat ze behoorlijk beschermd werden tegen de giftige dampen, die zich daar ontwikkelen. Anderen meenen echter, dat ze als proefkonijnen werden gebruikt voor een nieuw, geheimzinnig gifgas.’
Kitty Polak kwam van haar onderduikadres in Utrecht naar Zeist. Daar zou ze blijven tot de bevrijding. Het was voor haar uiteraard een schok dat de Wehrmacht-officier ingekwartierd werd. Meteen protesteerde ze bij Henriette Tasman-Verrijn Stuart en daarbij gaf ze aan dat ze niet bereid was om de man ’s ochtends zijn ontbijt te brengen.
Het bleef een merkwaardige situatie, ook dat de onderduikers gewoon in de tuin rondliepen, zonder dat de in de school verblijvende Wehrmacht-soldaten acht op hen sloegen. Sterker nog, die Wehrmacht-soldaten hielpen de bewoners van Verlengde Slotlaan 113 zelfs met het in kachelhout zagen van houten krukjes die gestolen waren uit ‘hun’ kelder.
Zelfs ging Henriette Tasman-Verrijn Stuart met een andere joodse onderduiker, Clemens Michael Brühl rond Kerstmis 1943 naar een hondenkennel om een nieuwe hond uit te zoeken.
Achteraf bezien, was de aanwezigheid van de niet al te fanatieke officier en al die Wehrmacht-soldaten juist een soort beveiliging. Wie zou daar nou joodse onderduikers verwachten?
Clemens Michael Brühl was een uit Berlijn afkomstige joodse jongen. Na het overlijden in 1938 van haar echtgenoot, de scheikundige dr. Ernst Brühl, bracht diens weduwe Hedwig Brühl-Wasser haar kinderen in veiligheid. Haar dochter kon met een kindertransport mee naar Engeland, waar ze na de bevrijding een gezin zou stichten. Haar toen 13- of 14-jarige zoon Clemens bracht ze onder op de internationale Quakerschool in kasteel Eerde bij Ommen. Hij had daar tot voorjaar 1942 betrekkelijk veilig gezeten, tot er op een dag signalen kwamen dat er in Ommen een razzia op joodse burgers zou worden gehouden. Hij dook die nacht onder in het hooi van een schuur in de buurt. De volgende dag was hij alweer terug op het kasteel waar de Quakerschool gevestigd was. De leerlingen werd gevraagd een verklaring te ondertekenen dat ze niet zouden onderduiken. Clemens Brühl weigerde zo’n verklaring te ondertekenen en moest de school verlaten. Hij kreeg twee dagen tijd om naar een kamer te zoeken en vond die bij een Ommenaar die tegenover het kasteel woonde. Op zijn 17e verjaardag – 10 april 1943 – bracht zijn helper hem om vijf uur ‘s ochtends naar een ander voorlopig onderduikadres. Later werd hij ondergebracht bij ‘Henk van der Tweel’ (de joodse Louis Kleerekoper liet na de bevrijding zijn naam als illegaal werker wettigen) en tenslotte vond hij dus een onderduikadres in Zeist. Abel Tasman later: ‘Hij voelde zich zo verbonden met zijn Duitse achtergrond, dat hij bij iedere Duitse overwinning stond te juichen.’
Verlengde Slotlaan 113 was niet het enige onderduikadres van Clemens Brühl, zou later blijken. Hij huurde vanaf zeker moment ook woonruimte in de Amsterdamse Rivierenbuurt, als zogenaamde correspondent van de Deutsche Zeitung in den Niederlanden. Hij had zich aangesloten bij het illegaal werk en bewoog zich daarbij in de kringen van Marie Giselle Madeleine Josephine van Waterschoot van der Gracht, een excentrieke schilderes en glazenier in Amsterdam (in de jaren ’50 gehuwd met de voormalige burgemeester d’Ailly van Amsterdam). De connectie was de Duitse dichter Wolfgang Frommel die in Ommen op de quakerschool les had gegeven en met Gisèle van Waterschoot van der Gracht joodse onderduikers hielp. Tegen het eind van de bezetting ontkwam Clemens Brühl naar Engeland, om na de bevrijding terug te keren.
Tussen de bedrijven door zorgde Abel Tasman eind 1943 voor de onderbrenging van de joodse jongen Josef Pomeranz (5 februari 1932) uit Enschedé bij pleegouders in Friesland. Hij zorgde er ook voor dat de pleegouders langere tijd voedselbonnen en 70 gulden per maand ontvingen voor de verzorging van het jongetje. Het ouderlijke gezin van Joseph Pomeranz zou de bezetting overleven.
De 16-jarige Max Rood ontkwam op het nippertje aan een razzia in kindertehuis Zonneschijn (Oranje Nassaulaan 71), en werd op een zondagmiddag naar Verlengde Slotlaan 113 gebracht. Dat zal dan vermoedelijk begin 1944 zijn geweest. Het gezin Tasman-Verrijn Stuart zat aan de lunch, toen er gebeld werd en Max Rood voor de deur stond. De jonge onderduiker, gekleed in onder meer een lichtblauwe trui, schoof aan tafel en at een boterham mee. Max Rood was vanwege zijn kleine gestalte maar liefst drie jaar jonger gemaakt bij zijn valse inschrijving in het Zeister bevolkingsregister. Hij heette daarin ‘Maximiliaan Roodenburg, geboren op 21 augustus 1930 in Weltevreden, Nederlands-Indië.
Zijn zuster Jetty was ook in kindertehuis Zonneschijn ondergebracht met de valse identiteit ‘Jetty Roodenburg’, met dezelfde ouders en eveneens geboren in Weltevreden. In haar geboortedatum was een fout gemaakt, die bij controle fataal had kunnen zijn: 9 oktober 1930 lag wel erg dicht bij 21 augustus 1930. Zij blijkt het joodse meisje Jettie te zijn dat op 1 maart 1944 werd ingeschreven in het bevolkingsregister als inwonend bij Kee Seepers, bijgenaamd ‘Moeder van het verzet’, op Van Renesselaan 70.
De razzia op 24 februari door drie Nederlandse handlangers van de Sicherheitsdienst kon de ouders natuurlijk ongerust hebben gemaakt. Mogelijk kwam beider vader Isidor Maurits Rood op dinsdag 28 maart 1944 naar Zeist, om naar het welzijn van zijn kinderen te informeren. Op die dag werd hij om half vier namelijk in Zeist gearresteerd door een opperwachtmeester-rechercheur van de Sicherheitspolizei in Amsterdam en ingesloten op het Zeister politiebureau: ‘Vermoedelijk jood.’ De volgende ochtend werd Maurits Rood om 7.00 uur weggebracht door een Zeister wachtmeester naar het Adama van Scheltemaplein, tegenover Euterpestraat 9. Hij bleek inderdaad joods te zijn en zijn identiteit ‘Maurits Rood’ geleend te hebben van zijn ondergedoken broer. Daarmee was het lot van Isidor Maurits Rood bezegeld. Op 5 maart werd hij op straftransport gesteld vanuit Kamp Westerbork en drie dagen later vermoord.
Of Jetty Rood en Max Rood daar tijdens hun onderduik weet van hebben gekregen? Jetty vertrok uit Zeist, maar haar broer Max zou tot de bevrijding op Verlengde Slotlaan 113 blijven.
Er kwamen nog twee niet-joodse onderduikers naar Verlengde Slotlaan 113. ‘Meneer André’ was betrokken bij de Spoorwegstaking in september 1944 en daarna ondergedoken. Eerder was er nog een onderduiker gekomen met de schuilnaam ‘Herman van Dijk’. Het betrof Herman Waage, echtgenoot van Tine Waage-Kramer die veel joodse kinderen aan een onderduikadres hielp, ook in Zeist. ‘Herman van Dijk’ organiseerde rond Pasen 1944 in huize Tasman-Verrijn Stuart een huisconcert met grammofoonplaten met muziek van de Matthäus Passion van Johann Sebastian Bach.
Van november 1944 tot januari 1945 dook Abel Tasman zelf onder, bij het gezin van de later bekende kinderboekenschrijfster An Rutgers van der Loef-Basenau in Amsterdam. Daardoor moet de hongerwinter 1944/1945 een extra zware beproeving zijn geweest voor zijn gezin en de onderduikers. De 14-jarige zoon Tasman maakte barre fietstochten naar Friesland en de Betuwe, om aan voedsel te komen. Maar de bevrijding werd door allen gehaald.
Voor Abel Tasman hield het bij de bevrijding niet op. Van 5 september 1944 tot en met 30 juni 1945 fungeerde hij als Hoofd Algemene Dienst en compagniecommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) in Zeist. En vanaf begin augustus 1945 was hij bestuurslid van de Zeister afdeling van Stichting 1940-1945, die in samenwerking met Sectie IX (Sociale Dienst) van de BS zorg droeg voor de gezinnen van omgekomen illegaal werkers, zieke illegaal werkers, mensen die terugkeerden uit concentratiekampen enzovoorts.
Voor de joodse onderduikers was de bevrijding een zware confrontatie met de Holocaust.
De moeder van Kitty Polak, haar oudste broer, diens echtgenote en haar andere broer waren gedeporteerd en vermoord, de eerste drie als strafgevangenen (waren ondergedoken?). Alleen een nichtje had overleefd.
Kitty Polak ging weer de verpleging in. In 1951 was ze werkzaam in Het Apeldoornsche Bosch. In maart 1958 ging ze in het Rosenthal-May Zusterhuis op de Nieuwe Keizersgracht 502 (vroeger 116) in Amsterdam wonen, om uiteindelijk haar laatste jaren door te brengen in een verzorgingshuis in Bussum.
De weduwe Hedwig Brühl-Wasser was op 12 januari 1943 vanuit Berlijn naar Auschwitz gedeporteerd. Twee schoonzusters hadden hun deportatie niet afgewacht en voor zelfdoding gekozen. Van het transport van de weduwe Brühl-Wasser – met meer dan 1.000 joodse mannen, vrouwen en kinderen – kregen slechts 127 mannen een kampnummer, en het staat wel vast dat de anderen meteen na aankomst vermoord werden.
Clemens Brühl bleef in Nederland. Hij ging in Amsterdam Vergelijkende Godsdienstwetenschappen, Oude Talen en Hebreeuws studeren, en werd hoogleraar in Leiden. Hij overleed op 7 juni 1986 in Amsterdam. Aldus maakte hij niet meer mee dat zijn helper, de Duitse dichter Wolfgang Frommel, en anderen, na de bevrijding verenigd in de organisatie Castrum Peregrini, in 2017 ernstig in diskrediet raakten met aanklachten wegens seksueel misbruik van minderjarigen en het lidmaatschap van Frommel van de Hitler Jugend. Frommel zelf trouwens ook niet, want hij overleed in september van datzelfde 1986.
De beide ouders van Max Rood waren vermoord op 8 april 1944 in Auschwitz (vader) en op 26 mei 1945 in Theresienstadt (moeder). Hun vier kinderen hadden de bezetting in onderduik overleefd.
Max Gustaaf Rood ging na de bevrijding naar Amsterdam. Door bemiddeling van conrector Snelleman van het Christelijk Lyceum in Zeist mocht hij op het Amsterdams Lyceum alsnog zijn eindexamen gymnasium doen. Hij werd een gezaghebbend jurist en politicus, Deken van de Nederlandse orde van advocaten, voorzitter van het Humanistisch Verbond, voorzitter van de Kinderbescherming, emeritus-hoogleraar sociaal recht in Leiden en Kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER), terwijl hij voor D66 minister van Binnenlandse Zaken was in het derde kabinet-Van Agt.
Het gezin Tasman-Verrijn Stuart hield na de oorlog contact met de onderduikers Kitty Polak, Max Rood, Clemens Brühl en Herman Waage, soms kort en soms tot iemands dood.
Bronnen:
- Mededelingen van Coen Tasman
- Coen Tasman, ‘Van je familie moet je het maar hebben’ (2015) en ‘Oorlog en idylle’ (2016), uitgaven in eigen beheer
- Katja Grosse-Sommer, ‘Almost without hope, thirteen diaries bij Jews hidden in The Netherlands, 1940 – 1945’, doctoraalscriptie, april 2017, Universiteit van Amsterdam, of beter nog: NIOD, 244-1131 (dagboek [nog te raadplegen]
- Drs. Annemiek Bal, ‘Het Zeister verzet, De geschiedenis van Zeist in de bezettingstijd’, Historische Uitgeverij Rotterdam, Utrecht, 1999, 69, de ‘Negenoog’
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Jacob Meijers’en ‘Maximiliaan en Jetty Roodenburg’; archief gemeentepolitie, archief 3500, inventarisnummer 271, politiedagrapporten van 28 en 29 maart 1944
- Westerborkportretten.nl, Clemens Michael Brühl
- Database Joods Biografisch Woordenboek, www.parlement.com en Wikipedia, Jo Alexander Polak, Max Rood
- Wikipedia, Wolfgang Frommel
- www.joodsamsterdam.nl, Kitty Polak
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten van Kitty Polak en Herman Waage
- Digitaal joods monument, familie van Kitty Polak
- Zie Torenlaan 27 en Van Renesselaan 70
- Dana Ploeger, ‘Voor Tine Boeke (1919-2018) was niets doen geen optie’, in Trouw van 9 april 2018
1. De vraag van dr. A. Tasman in De Zeister Courant van 16 februari 1938
2. Verlengde Slotlaan 113, de villa Hoogerheide
3. De situatie tijdens de bezetting op de Verlengde Slotlaan
4. Het gezin Tasman tijdens de vakantie in augustus 1941
5. Peter van der Werff, lid van de ‘Negenoog’. Bedenker van de methode waarmee arrestaties voorkomen kunnen worden
6. Jan Tuininga, lid van de ‘Negenoog’
7. Persoonsbewijs van Abel Tasman
7a. Paspoort en persoonsbewijs van Abel Tasman
8. Flipje, een lappenpopje dat gemaakt was door ‘Tante Greet’
9. In 1944 woont het gezin een voorstelling bij van het circus van Toni Boltini (tekening van Coen Tasman)
10. Het vervalste ‘Fahrrad-Genehmigung’ van Abel Tasman in 1944
11. Het bewijs dat Abel Tasman lid van de BS is in 1944
12. Clemens Michael Brühl
13. Tekening, van Coen Tasman van de intocht van de Canadezen in Zeist, op 7 mei 1945
14. Overlijdensbericht van Clemens Michael Brühl














