Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 437-444; op details gewijzigd)
In memoriam:
- Otto Meyer (Lübeck-Duitsland, 12 maart 1874 – Auschwitz, 8 mei 1945), bereikte de leeftijd van 71 jaar
- echtgenote Ida Meyer-Durlacher (Kippenheim-Duitsland, 22 april 1879 – Auschwitz, 8 mei 1945), bereikte de leeftijd van 66 jaar
- Minna Salomons, hulp in de huishouding (Straatsburg-Frankrijk, 9 september 1897 – Auschwitz, 30 september 1942), bereikte de leeftijd van 45 jaar
Onderduikers:
- Hans Jakob Meyer (Hamburg-Duitsland, 28 april 1904 – Haifa – Israël, omstreeks 1987), ondergedoken in eigen woning
- ‘Joke’. Geen nadere gegevens bekend
- Simon Michael Namenwirth (Hillegersberg, 8 september 1934)
- Ernst Cohn, bedrijfsleider (Lübeck-Duitsland 29 december 1893 – Amsterdam 28 augustus 1976), en
- echtgenote Elly Margarete Luise Cohn-Blumenthal (Lübeck-Duitsland, 11 juni 1896 – Hilversum, 4 januari 1978)
- Hans Gomperts, tussenpersoon in de zaadhandel (Breslau-Duitsland, 30 juni 1907 – Amsterdam 6 januari 1974), en
- echtgenote Käte Gomperts-Meijer (Lübeck-Duitsland, 19 augustus 1909 – Den Haag, 17 mei 2014)
- Julius François Cahen, werktuigkundig ingenieur (Den Bosch, 2 oktober 1899 – Haifa – Israël, 29 juni 1979)
Onderduikgeefster:
- Magdalena Meyer-Ahrenholtz (Altona-Duitsland, 30 juni 1905 – Haifa-Israël, omstreeks 1981)
Twee dochters (1933, 1935)
In het najaar van 1940 wil de bezetter joodse mensen weg hebben uit de kuststreek. Op 24 oktober verhuist het echtpaar Hans Meyer en Leni (Magdalena) Meyer-Ahrenholtz met hun dochters Eefje en Ruth van Den Haag naar Van Ostadelaan 4 in Huis ter Heide. Hun (schoon)ouders Otto en Ida Meyer-Durlacher komen mee. Ze zijn in 1938 met z’n allen Duitsland ontvlucht.
Bij het loket van de afdeling Bevolking van de gemeente Zeist geeft Leni Meyer-Ahrenholtz naar waarheid op dat ze joods is. Bij haar huwelijk met haar joodse echtgenoot heeft ze namelijk het joodse geloof aangenomen. Volgens een instructie van de Commissaris van de provincie in februari 1941 aan de burgemeesters in de provincie Utrecht kunnen joodse gezinnen echter geen verblijfsvergunning meer krijgen. De dienstdoende ambtenaar adviseert Leni daarom om zich als niet-joodse te laten registreren bij de gemeente Zeist. Dat advies is afkomstig van de gemeenteambtenaren Guus van Tellingen en Wim Walraven, waarvan laatstgenoemde zelf getrouwd is met een ‘half-joodse’ vrouw. Beiden maken deel uit van een groepje gemeenteambtenaren dat zich verzet tegen de door de bezetter opgelegde regels.
Leni Meyer-Ahrenholtz neemt het advies ter harte. Ze zal zich niet meer manifesteren als joods. Daarom stuurt ze haar kinderen in 1941 ook niet naar de joodse school aan de Antonlaan, maar ze gaan naar de Zeister Schoolvereeniging.
De – bekende – aanwezigheid van de joodse hulp in de huishouding is te gevaarlijk, vindt Hans Meyer. De uit Duitsland gevluchte Minna Salomon moet elders onderduiken. Als ze die mededeling krijgt, zakt ze huilend op de grond. Het lukt vervolgens niet om een onderduikplaats voor Minna te regelen en dan is haar lot bezegeld. Niemand die kan vertellen hoe de alleenstaande, bij de kinderen geliefde Minna in Auschwitz terecht is gekomen, maar daar wordt ze al op 30 september 1942 vermoord. Diep-tragisch, want achteraf bezien, zou ook zij in Huis ter Heide waarschijnlijk wel overleefd hebben, denkt Ruth Meyer anno 2020.
Toch denkt het echtpaar Meyer-Ahrenholtz niet alleen aan zichzelf. Hun villa zal een toevluchtsoord worden voor joodse kennissen en vrienden. Een van de eerste onderduikers zijn een meisje dat ‘Joke’ wordt genoemd en de 8-jarige Micha (Simon Michael) Namenwirth – wiens ouders bevriend zijn met de Meyers – voor wie het verblijf in het kindertehuis Zonneschijn in Zeist te gevaarlijk wordt gevonden. Micha, wiens onderduiknaam ‘Nico Nanning’ is, komt in de herfst van 1942 naar Huis ter Heide en zal een paar maanden blijven. Hij gaat niet naar school, maar vermaakt zich met spelen en sporten. Hij wordt stapelverliefd op de mooie ‘Roesje’ (Ruth) Meyer en zij wordt zijn mascotte in zijn verdere onderduikleven, wanneer hij eenzaam en vertwijfeld is.
Hij is gelijktijdig op Van Ostadelaan 4 met de ouders van Hans Meyer, Otto en Ida Meyer-Durlacher: ‘Ontzettend lieve mensen.’ Het echtpaar besluit echter onder te duiken in het Zuiden, wanneer joodse Zeistenaren zich moeten melden voor een gedwongen verhuizing naar Amsterdam op 19 augustus 1942. In 1943 vluchten ze naar Zwitserland. Een gids brengt ze lopend over de grens, maar net in een korte periode, waarin de Zwitsers actief vluchtelingen weren. Het bejaarde echtpaar wordt zonder mededogen weer de grens overgezet en aan de andere kant gearresteerd. Via het Franse doorgangskamp Drancy worden ze op 31 juli 1943 naar Auschwitz gedeporteerd en daar op de dag van aankomst vergast.
Hun namen ontbraken ten onrechte op het Zeister Holocaust-monument. Inmiddels is het monument opnieuw beschreven en staan de namen en leeftijden van Otto en Ida Meyer-Durlacher daarop vermeld.
Als de joodse inwoners verdwenen zijn uit Zeist wordt Hans Meyer toch gearresteerd. Na een urenlang verhoor wordt hij weer vrijgelaten omdat hij gemengd gehuwd is. Ook dochter Eefje is even in gevaar, als twee Duitse soldaten haar op de speelplaats van de school zien. Ze zijn er vanwege haar donkere haar van overtuigd dat het meisje joods is. Als ze Eefje mee willen nemen, komt onderwijzer Anton Lingeman in actie. Hij schopt flink heibel, en beweert stellig dat Eefje niet joods is. De mannen druipen af.
Eefjes zuster Ruth in 2019: ‘Vlak na deze scene nam Lingeman contact met mijn ouders op en is hij naar ons huis gekomen. Dat was het begin van zijn verzetsactiviteiten. Lingeman heeft er onder meer voor gezorgd dat mijn vader een doktersverklaring kreeg als zogenaamde zware maaglijder.’
Bij latere razzia’s wordt de ziekenkamer gemeden, maar voor alle zekerheid ligt Hans Meyer dan in een schuilplaats onder de badkamer. Gedurende de bezetting is hij ondergedoken in zijn eigen woning, zelfs als naast de ‘ziekenkamer’ tegen het einde van de bezetting drie ingekwartierde Duitse soldaten verblijven.
In de loop der tijd duiken de echtparen Ernst en Elli Cohn-Blumenfeld en Hans en Kate Gomperts-Meijer tijdelijk onder op Van Ostadelaan 4 in Huis ter Heide. Het echtpaar Cohn-Blumenfeld beschikt over valse papieren van de gemeente Zeist, op naam van ‘Ernst en Elly Colm-Nethe’, waarmee ze zich uit kunnen geven voor niet-joodse Duitsers. Uit oogpunt van veiligheid gaan ze op een gegeven moment bij het echtpaar Lingeman-Esmeijer inwonen. Ook het echtpaar Gomperts-Meijer vertrekt weer. Ze zullen in september 1943 opgepakt worden en op 18 januari 1944 naar Bergen-Belsen gedeporteerd worden. Hun elders ondergedoken, in 1936 geboren zoon Tom zal later ook in Kamp Westerbork belanden. Ze zullen alle drie overleven.
Er hangt wel dreiging boven Van Ostadelaan 4 in Huis ter Heide. Gelukkig waarschuwt een onbekende voor razzia’s die ophanden zijn. Ook komt er een waarschuwing vanuit het politiebureau dat de Zeister jodenjager Evert Drost naar Huis ter Heide komt, blijkbaar na verraad, om drie huizen te onderzoeken, waaronder Van Ostadelaan 4. Te vergeefs. Uit het politiedagrapport voor Bosch en Duin op vrijdag 18 juni 1943:
Des namiddags tusschen 15 – 16.30 uur, assistentie verleend E.C. Drost, die ten huize van Van den Heuvel, Dolderscheweg no. 7, ten huize van J. Smit, Dolderscheweg no. 15, en ten huize van Meijer won. Van Ostadelaan no.4 alhier, een onderzoek ingesteld heeft, naar eventueel aldaar nog aanwezige Joden. Geen resultaat.
Het scheelt bij razzia’s ook dat Leni Meyer-Ahrenholtz een pittig type is. Ze weet als mooie, jonge Duitse ongewenste bezoekers snel weer de deur uit te krijgen. Als dochter Ruth op het Gezichtslaantje een zak kolen heeft gekregen van een Duitse soldaat, die ze in een piepend wagentje naar huis heeft gebracht, wordt er s’ avonds om 22.00 uur aangebeld door twee Duitsers die beweren dat er kolen van de Wehrmacht gestolen zijn. Ze willen Ruth ondervragen en weten van wie ze de kolen heeft meegekregen. Leni Meyer-Ahrenholz trapt een scene, waarna de Duitsers afdruipen.
Hans Meyer kan zich als zogenaamde zwaar zieke niet manifesteren, maar zijn dochters zien hun moeder als een ware heldin.
Alle dreiging ten spijt blijft het echtpaar Meyer-Ahrenholtz onderdak bieden aan andere onderduikers. Zo komt in het najaar van 1944 hun vriend Julius Cahen bij hen in huis.
Cahen is eind maart 1939 met zijn gezin naar Zeist gekomen, maar in het najaar van 1940 al ontslagen uit zijn leidinggevende functie bij de NS. Op 5 mei 1943 wordt zijn gezin uitgeschreven naar Amsterdam. Aan het gedwongen verblijf daar komt al na drie weken weer een eind. Na de grote razzia op 26 mei vinden niet-joodse vrienden het te gevaarlijk worden. Ze nemen de kinderen over en brengen hen naar verschillende adressen.
Zoontje Abel komt in Zeist bij een accountant van de NS terecht – hij zal later in Friesland ondergebracht worden – en zijn zusje Ruth voor korte tijd in kindertehuis Zonneschijn.
Fre Cahen-de Jong duikt onder in Utrecht. Omdat ze er niet joods uit ziet, kan ze illegaal werk doen, door onderduikers te voorzien van distributiebonnen. Ze zal er na de bevrijding een onderscheiding voor krijgen.
Haar echtgenoot is bij vrienden op de Laan van Cattenbroeck ondergedoken. Daar ontstaat irritatie. Julius Cahen zou op zijn onderduikadres als een soort butler beschouwd worden. De onderduikgevers zagen dat anders en zouden zich er aan geërgerd hebben dat Cahen zich voor het raam vertoonde. Het is in elk geval voor beide kanten een opluchting als hij terecht kan op Van Ostadelaan 4.
Tijdens de Hongerwinter moeten ook Leni Meyer-Ahrenholz en Elli Cohn-Blumenfeld, gedistingeerde dames, op de fiets de boer op voor voedsel. Daarbij kunnen ze gebruik maken van de voorzorgsmaatregelen die Hans Meyer en Julius Cahen tijdig hebben getroffen. Cahen heeft na de mobilisatie zijn auto verkocht en voor het geld een voorraad tabak gekocht. Die kan nu aangesproken worden om voedsel te ruilen. Hans Meyer heeft een voorraadje kleine diamanten aangelegd. Voor die diamantjes kan zijn echtgenote bij een Duitse instantie in Zeist voedsel en wat geld ruilen.
Het gezin Meyer-Ahrenholtz overleeft de bezetting, evenals de onderduikers. Op 12 november 1945 verhuist het gezin naar Amsterdam, om van daaruit op 20 januari 1949 naar New York te emigreren. Eefje Meyer blijft daar, maar haar ouders gaan in de jaren zeventig via Nederland naar Israël. Hun oude dag beleven ze in Haifa.
Jongste dochter Ruth is in 1959 al teruggekeerd naar Nederland en zal zich in haar verdere leven aan de danskunst wijden. Een van haar dansprojecten laat ze in 1986 uitvoeren in het Israëlische Jerusalem-filmfestival, als Nederlandse bijdrage aan het 40-jarige bestaan van de staat Israël.
Zo’n 33 jaar later gaat Ruth Meyer als choreografe terug naar de bezettingsjaren in Huis ter Heide, als regisseur Ellen Blom in samenwerking met haar de documentaire-dansfilm ‘Parallel’ maakt, in coproductie met de EO. Het is een artistieke productie die uitgaat van de onderduiktijd als de oorsprong van de verbeeldingskracht van Ruth Meyer. De choreografieën zijn ingedeeld naar de thema’s Gevaar, Vluchten, Strijd, Ontsnapping en Bevrijding. In elk van deze thema’s spelen de beeldende kunstwerken een prominente rol. De film legt een verband tussen het verleden en de invloed daarvan op het heden: hoe beleef je een oorlog als kind en hoe ga je later hiermee om?
Dat is inderdaad een cruciale vraag, niet in het minst voor onderduikkinderen.
Bronnen:
- Mededelingen van Ruth Meyer en Abel Cahen
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Otto en Ida Meyer-Durlacher en van Hans en Käte Gomperts-Meijer
- www.joodsmonument.nl, Minna Salomon
- Micha Namenwirth, ‘Verzameld proza I, Nico*’*, VUBPRESS, 2001, 109-111
- Zie de bewezen onderduikadressen Acacialaan 2a (het volgende onderduikadres van het echtpaar Ernst en Elly Margarete Luise Cohn-Blumenthal), Oranje Nassaulaan 71 (kindertehuis Zonneschijn, onderduik Micha Namenwirth), Boulevard 50 (onderduik Abel Cahen) en Laan van Cattenbroeck 3 (onderduik Julius Cahen)
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen: ‘Ernst en Elly Colm-Nethe’; archief gemeentepolitie, toegang 3500, inventarisnummer 251, politiedagrapport 18 juni 1943, betreft huiszoeking door Evert Drost
- bevrijdingsportretten.nl, Tom Gomperts, zoon van het echtpaar Hans en Kate Gomperts-Meijer
- cinecrowd.com/nl/oase-herdacht en www.vriendenbeatrixpark.nl, film in het Beatrixpark
1. Van Ostadelaan 8
2. Hans Meyer met zijn ouders Otto en Ida Meyer-Durlacher
3. Hans en Leni Meyer-Ahrenholtz voor de oorlog
4. Ruth en Eefje Meyer in 1940
5. Het enige dat herinnert aan Minna Salomon is haar Joodse Kaart met een aantekening dat ze naar Kamp Westerbork moest
6. Ruth Meyer als tiener
7. Leni Meyer-Ahrenholtz
8. Ruth Meyer als jonge danseres
9. Otto Meyer op het monument in het Walkartpark








