Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 192-196, aangevuld en gecorrigeerd)
Onderduikertje (ontsnapt aan arrestatie):
- Jacob Eljon (Amsterdam, 2 juni 1937)
Onderduikgeefster (gearresteerd):
- Alida Willemina Looijen-Mulder, vanaf 1938 weduwe, zonder beroep (Lunteren, 24 januari 1898 – Zeist, 19 oktober 1973), geassisteerd door twee nog thuiswonende dochters (1925, 1926)
Jack Eljon groeit op in de Rivierenbuurt in Amsterdam-Zuid: ‘Ik was een gewenst kind, ik was een gepland kind, en mijn ouders waren dol op mij.’ Zijn vader Maurits Eljon heeft goede kantoorbaan bij de Amsterdamsche Bank. Hij moet nog drie worden, als de oorlog uitbreekt. Zijn ouders verlaten diezelfde dag met hem Amsterdam, en gaan naar Camperduin bij Schoorl, waar ze elk jaar hun vakantie doorbrengen. Daar blijven ze, terwijl zijn vader overdag gewoon naar zijn werk in de hoofdstad gaat.
Als er steeds meer Duitsers komen, om bunkers te bouwen aan de kust, wordt de situatie bedreigender. De kleine Jack moet weg en wordt eerst naar zijn gemengd gehuwde tante in Haarlem gebracht. Het afscheid van zijn moeder valt hem zwaar, maar tante Greta is hartelijk en haar oudste dochter Rietje adoreert hem. Hij mag met zijn 17-jaar oude nichtje mee naar de kapsalon waar ze werkt. Hij vindt dat prachtig en wordt door iedereen vertroeteld.
De anti-joodse maatregelen worden steeds strenger en Jacks tante en oom vinden het te gevaarlijk voor hem worden. Hij moet ook daar weg. Bij een razzia op 24 op 25 augustus 1942 wordt zijn leven gered door hem over de schutting naar de buren te tillen. Daarna wordt de inmiddels 5-jarige Jack door een onbekende vrouw van het Utrechts studentenverzet met de trein naar Zeist gebracht. Tante Greta heeft hem bezworen alleen nog maar de naam ‘Henkie Mulder’ te gebruiken.
Hij komt terecht bij de weduwe Looijen-Mulder en haar twee thuiswonende dochters Beppie en Ali. Hij zal daar slechte herinneringen aan bewaren:
‘Ik heb het er slecht gehad – ik kan wel zeggen dat ik er geen leven heb gehad. Ik sliep slecht, ik at slecht en kreeg veel slaag. Als ik niet kon slapen, sloegen ze me. Als ik niet wilde eten, sloegen ze me. Als ik zei: ‘Ik wil naar mijn mammie toe,’ sloegen ze me.
Het begon ’s ochtends vroeg al. Elke dag was ik om zes uur wakker. Bij het ontbijt wilde ik niet eten. Dat konden ze niet accepteren: zij deden hun best voedsel voor me te kopen, en ik weigerde het op te eten. Die eigenwijsheid slaan we er wel uit, moeten ze gedacht hebben. Maar ze konden het er niet uit slaan, want het zat vanbinnen en het bleef vanbinnen zitten. Hoe harder ze sloegen, hoe vasthoudender ik weigerde te eten. Het was een wisselwerking: ik was rot tegen hen en zij waren rot tegen mij.
Wat ze me ook voorzetten, ik at het niet. Om me te dwingen hielden twee vrouwen mijn armen vast en kneep de derde mijn neus dicht. Op het moment dat ik naar lucht hapte, propte een van hen het eten in mijn mond. Vervolgens duwden ze mijn kaken stijf op elkaar. Maar ik kauwde niet en zodra ze mijn kin loslieten, spuugde ik het eten weer uit. Waarna zij het er weer in propten. Slikte ik uiteindelijk wel wat door, dan gaf ik meestal weer over. Ook dat braaksel hebben ze geregeld opnieuw in mijn mond gepropt.
Overdag ging ik naar de kleuterschool. Dat was gevaarlijk: ik viel op tussen al die blonde kinderen. Ik vond het schooltje prettig, dan was ik tenminste van die vrouwen verlost.’
Op vrijdagochtend 30 juni 1944 krijgen drie Utrechtse rechercheurs opdracht van hun superieuren om op twee adressen in Zeist na te gaan of daar inderdaad een joods jongetje zit ondergedoken, zoals een of meer tipgevers hebben doorgegeven. De drie agenten zijn de NSB-agent Jan Vroon, de opperwachtmeester en Rechtsfronter Marten Schra – vanwege zijn weke uitstraling door zijn collega’s ‘zuster Schra’ genoemd – en Andreas Peter de Vos, een medewerker van de Sicherheitspolizei. Ze gaan in burger op jacht naar een jongetje dat ‘Max van Leeuwen’ wordt genoemd en naar Jack Eljon. Beiden zijn door studenten naar Zeist gebracht.
Op het adres, waar ‘Max van Leeuwen’ zou moeten zitten – Egelinglaan 23 – belt De Vos aan en lopen de beide anderen naar de achterdeur. Agent Vroon bedreigt de bewoner met een getrokken pistool en vraagt naar het ondergedoken jongetje. ‘Max van Leeuwen’ zit hier echter niet meer ondergedoken. Max de Leeuw (1936), want zo heet hij in werkelijkheid, uit Utrecht is inmiddels naar Deventer gebracht en zal de bezetting overleven. Zijn voormalige onderduikadres wordt grondig doorzocht. Na deze huiszoeking en een bedreiging van de bewoner – ‘Denk erom dat je niet tegen mij liegt, want mijn pistool kan ook spreken!’ – concluderen de rechercheurs dat er niets te halen valt.
Dan gaan naar ze naar het volgende adres, Van der Merschlaan 52, naar de weduwe Looijen-Mulder. Die staat buiten een vloerkleed te kloppen, als de drie agenten haar overvallen. Ontkennen baat haar niet, want de drie mannen blijken volledig op de hoogte te zijn. Ze weten zelfs dat ‘Broertje’, zoals ‘Henkie Mulder’ in de wandeling genoemd wordt, onder zijn valse naam ingeschreven staat op een nabije kleuterschool.
De weduwe geeft toe dat het jongetje bij haar woont, maar zegt dat hij uitgebombardeerd is in Rotterdam. Zo’n dekmantel wordt vaker gebruikt voor ondergedoken kinderen, die na het bombardement op 14 mei 1940 dakloos zouden zijn geworden. De agenten inspecteren de woning grondig, waarbij ze en passant een armbandje van (verboden) zilveren dubbeltjes in beslag nemen.
De bewoner van Egelinglaan 16 heeft gezien hoe zijn overbuurman bedreigd werd. Als de mannen weg zijn gegaan, komt de bewoner van Egelinglaan 23 naar buiten en vertelt dat de mannen nog een ander jongetje gaan zoeken. Vervolgens ziet de overbuurman hoe Van der Merschlaan 52 overvallen wordt. Hij weet dat daar een joods jongetje is, dat op de kleuterschool zit en bedenkt zich geen seconde. Hij springt op zijn fiets en sprint naar de kleuterschool.
Het hoofd, juffrouw Berman geeft een andere juf opdracht om de kleine ‘Henkie Mulder’ in veiligheid te brengen. Die juf schakelt de broodbezorger in, die in de buurt van de school staat met zijn kar. De weduwe Looijen-Mulder heeft de agenten de weg naar de school moeten wijzen. Het is goed mogelijk dat ze onderweg de bakkerskar passeren. Als de juf terugkomt, wordt het hoofd al onder schot gehouden. Ze heeft nog de tegenwoordigheid van geest om aan de juf te vragen: ‘Heb je de brief al gepost?’ Het antwoordt is bevestigend. De overvallers hebben totaal niets in de gaten. Ze willen het hoofd eerst nog meenemen naar het bureau voor verder verhoor, maar laten haar uiteindelijk met rust. Na allerlei ernstige bedreigingen – onder meer met Kamp Vught – vertrekken ze. Het schoolhoofd heeft geen krimp gegeven, maar stort nu wel in en moet onder behandeling.
De beleving van Jack Eljon:
‘Ergens in oktober ’43 (moet zijn ’44) werd ik op een ochtend uit de klas geroepen: ‘Henkie Mulder moet zich melden bij het hoofd van de school’. Bij het hoofd van de school aangekomen, had ik niets meer in te brengen. Ze stopten me in een bakkerskar die voor de deur van de school stond.
Ik was verraden. De buren aan de overkant hadden gezien hoe de SS bij ons naar binnen was gegaan, vanzelfsprekend op zoek naar mij. De hele buurt wist dat ik bij de familie Looijen ondergedoken zat; ik had niet eens een schuilplaats. Hoewel ze er nooit achtergekomen zijn, heeft waarschijnlijk een van de andere buren mij aangegeven.
Op het moment dat de overburen de SS bij ons naar binnen zagen gaan, stond er bij hen net een bakkersknecht voor de deur. ‘Ga meteen naar het schooltje,’ zeiden ze tegen die knecht, ‘want dat Joodse kind moet weg. Als ze hem vinden gebeuren er nog veel ergere dingen’.
‘Ze stopten me in een bakkerskar die voor de deur van de school stond. Zodra ik eenmaal in het laaddeel van de kar zat, dat deel waar gewoonlijk brood in vervoerd werd, deed de knecht met een klap de klep dicht. Donker. Aan het gehobbel voelde ik dat de knecht wegfietste, de straat uit, het dorp uit. Na een tijd hield ik het in het donker niet meer uit, voorzichtig deed ik de klep een eindje open. De bakkersknecht reageerde onmiddellijk: ‘Die klep mag open als ik zeg dat die klep open mag.’ En hij gaf een klap op de klep. Zat ik weer in het donker.’
De weduwe Looijen-Mulder wordt omstreeks 13.00 uur op het politiebureau in Zeist gebracht, met de opdracht om haar ’s middags naar de Sicherheitspolizei op Maliebaan 74 in Utrecht te brengen. Maar ze wordt om 17.00 uur weer opgehaald voor verder onderzoek. Murw door alle bedreigingen en de stress vertelt ze dat ze in geval van problemen met de onderduik terecht kon bij de weduwe Was-Maltha die op Professor Lorentzlaan 103 woont. Dat zal verschrikkelijke gevolgen krijgen. Op het bedoelde adres treffen de agenten een joods meisje. Samen met haar onderduikgeefster wordt ze gearresteerd. Beiden zullen dat niet overleven.
Vier dagen later moet de oudste dochter van de weduwe Looijen-Mulder bij de Sicherheitspolizei komen. Uit het politiedagrapport van maandag 3 juli 1944:
‘15.10 uur verzoekt de Sipo te Utrecht voor hun te ontbieden tegen morgenmiddag 14 uur, Maliebaan n. 74, kamer 11, de oudste dochter van de wed. L., wonende te Zeist aan de van der Merschlaan n. 52. Zij moet gehoord worden in de zaak waarvoor haar moeder de vorige week is gearresteerd. Medegedeeld werd dat zij niet bang hoefde te zijn voor arrestatie. S.’
Na twee weken wordt mevrouw Looijen-Mulder weer vrijgelaten.
Intussen wordt Jack Eljon ‘s avonds op de fiets van adres naar adres gebracht, tot hij op een dag in Deventer belandt. Bij het Rode Kruis neemt een mevrouw hem op schoot en slaat een arm om hem heen. Zo’n liefdevolle behandeling is hij al lange tijd niet meer gewend:
‘Deventer heeft toen mijn hart gestolen. Na de oorlog werd ik supporter van de voetbalclub Go Ahead.’
De laatste tijd van de bezetting brengt hij door op een boerderij in Friesland. Daar krijgt hij goed te eten. Een razzia brengt nog wel een keer een hoop spanning met zich mee, als hij zich moet verstoppen tussen het dakbeschot. Tussen een spleet ziet hij vier soldatenlaarzen. Hij en de andere joodse onderduikers, die op het land werkten, worden niet ontdekt.
Na de bevrijding wil hij zijn werkelijke naam niet zeggen, ondanks aandrang en klappen. Hij weet zijn naam nog wel, maar heeft zijn tante nou eenmaal beloofd die nooit meer te noemen. Dat bemoeilijkt het zoeken naar zijn moeder die nog in Kamp Westerbork verblijft. Ze was in Leidschendam samen met nog zeven andere onderduikers verraden, nadat een buurjongen een kopje suiker was komen lenen. De jongen had alles doorverteld aan de hele buurt. Ze is op 5 februari geregistreerd in het kamp. Dat wordt op 12 april bevrijd, maar dan moet ze voorlopig blijven. Op 18 mei vraagt de gewestelijke commandant van de Marechaussee in Groningen namens Jacks ouders per brief bij de weduwe Looijen-Mulder naar zijn verblijfsadres, maar dat kan ze onmogelijk weten.
Pas als het Rode Kruis op 31 mei 1945 in Sneek een ontmoeting organiseert met twintig kaalgeknipte vrouwen herkent Jack op de 17e plaats zijn moeder na vier jaar feilloos en springt hij bij haar op schoot. Zoals hij het later in een gedicht uitdrukt: nooit had hij zich zo met haar verbonden gevoeld. Die avond volgt ook de hereniging met vader Maurits, die eveneens overleefd heeft – als ‘Anton de Boer’ – en alweer aan het werk is bij de Amsterdamsche Bank. Op 8 juni krijgen Elisabeth Eljon-Hamburger en Jack toestemming van de Militaire Commissaris om Kamp Westerbork te verlaten. Het gezin woont tijdelijk in Groningen, maar vestigt zich in juli weer in Amsterdam.
De relatie tussen Jack en zijn ouders zal altijd problematisch blijven door het vierjarige intermezzo. Hij moet zijn onderduikouders bedanken, zelfs ‘tante Da’ in Zeist:
‘Ze heeft je leven gered’, zei mijn vader altijd als hij me weer meesleepte. Dat is waar, ze heeft mijn leven gered. ‘En verpest’, zei ik er altijd achteraan.’
In 1977 vraagt Maurits Eljon nog bij de Friese gemeente Doniawerstal op welk adres zoon Jack zijn 7e verjaardag heeft bereikt. Hij krijgt dan het adres van het gezin Langeraap, Koevorderhuis 6 in Langweer, maar volgens Jack zelf was het bij het gezin Hommerts.
Op internet zijn meerdere interviews met Jack Eljon over zijn oorlogservaringen te vinden. Op deze website is een podcast te vinden, waarin hij en andere voormalige onderduikkinderen te beluisteren zijn.
NB/ De naam van de bakkersjongen wordt nergens vermeld, maar het moet hier haast wel gaan om de verzetsman Frank Verduijn die in de wijk brood bezorgde, dat zijn broer aan de Slotlaan bakte.
Bronnen:
- Mededelingen van Jack Eljon
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, inventarisnummers 150 en 64468, Jan Vroon en Marten Schra
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten van Maurits en Elisabethe Eljon-Hamburger
- Trouw van 16 april 2010, ‘Op plaats 17 zat mijn moeder’ (een van de onderduikverhalen die filmmaker Marcel Prins op www.andereachterhuizen.nl. in kaart bracht)
- Ad van Liempt en Jan H. Kompagnie, ‘Jodenjacht’, 91-93.
- www.joodsmonument.nl (Jack Eljon was ondergedoken in van der Merschlaan 52 Zeist)
- bevrijdingsportretten.nl (De familie Eljon)
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Max van Leeuwen’
- Zie ook de bewezen onderduikadressen Egelinglaan 23 (onderduikadres van Max de Leeuw) en Professor Lorentzlaan 103
1. Van der Merschlaan 52
2. Jack Eljon
3. Het voormalige kleuterschooltje
4. Onderduikerskaart van jack Eljon
5. Jack Eljon tekende op een kaart van Nederland zijn verblijfsplaatsen tijdens de bezetting
6. Het valse persoonsbewijs van de vader van jack Eljon, Maurits Eljon alias ‘Antoon de Boer’
7. Joodse Raad-kaart van de moeder van Jack Eljon, Elisabeth Eljon-Hamburger
8. Jack Eljon op oudere leeftijd
9. Gedicht van Jack Eljon over zijn beklemmende onderduikervaring
10. Gedicht over het weerzien van Jack Eljon met zijn moeder
11. Een van de gedichten die Jack Eljon schreef na de oorlog
12. Jack Eljon en Gerrit van der Vorst, tijdens de opnamen voor de podcast in 2022











