Tijdens de bezetting werden in Zeist meer dan 900 personen met valse gegevens opgenomen in het lokale bevolkingsregister, voor een groot deel joodse onderduikers en onderduikers voor de Arbeitseinsatz. Dit bericht beschrijft een adres met een of meer valse registraties van nog niet geïdentificeerde personen, die op grond van hun gegevens als joods worden aangemerkt: kinderen, vrouwen, mannen die qua leeftijd duidelijk niet in aanmerking kwamen voor de Arbeitseinsatz, echtparen en ouders met een of meer kinderen. Een overzicht van adressen is te vinden via valse registraties van onbekende onderduikers.

Het staat niet vast dat de betrokken personen werkelijk op die adressen ondergedoken waren.

Wie weet meer? Wie iets meer weet over dit adres en/of de genoemde onderduikers wordt vriendelijk verzocht om contact op te nemen via het contactformulier op deze site.

(Zie pagina’s 332-333 van het Onderduikboek en pagina’s 73-75 van het Supplement)

Expliciet genoemde onderduikers:

  • ‘Tante Toetie’. Geen nadere gegevens bekend
  • Joods echtpaar met een klein kind. Geen nadere gegevens bekend

Onderduikgevers:

  • Jacob Daniël Zijlstra (Zeist, 14 juli 1913 – Zeist, 19 augustus 1972), en
  • echtgenote Gerrigje Zijlstra-de Kruif (Linschoten, 28 juni 1913 – Zeist, 28 januari 2002)

Tijdens de bezetting drie kinderen (1935, 1936, 1939-overleden in 1942)

In het ouderlijke gezin van Zeistenaar Jaap Zijlstra – Hendrik en Maria Zijlstra-van Ee en zeven kinderen – heerste een felle anti-nazisfeer, sociaaldemocratisch in plaats van nationaalsocialistisch. Hendrik Zijlstra, zijn oudste dochter Geertje, jongste zoon Jaap en diens echtgenote Gerrigje Zijlstra-de Kruif waren illegaal actief tijdens de bezettingsjaren.

Opmerkelijk genoeg maakte de op een na jongste dochter (1918) van het echtpaar Zijlstra-van Ee een volledig tegengestelde keuze ten opzichte van het nationaalsocialisme. Zij trouwde in 1940 met de gescheiden automonteur Albert Korenhof, die zich tijdens de bezetting ontpopte als fanatiek nationaalsocialist. Korenhof misdroeg zich in Zeist ernstig in zijn hoedanigheid van lid van de lokale knokploeg van de NSB, de Weerbaarheids Afdeling (WA). Er ontstond op enig moment zelfs landelijke publiciteit rond Korenhof.

Hij had al enkele proces-verbalen aan zijn broek gekregen wegens poging tot mishandeling, toen hij zich op vrijdag 6 september 1940 had misdragen. Op de Slotlaan hadden hij en andere NSB’ers gecolporteerd met Volk en Vaderland. Een fietser was uitgeweken voor een achter hem rijdende tram en was volgens Korenhof, die op de verhoogde stoep had gestaan, te dichtbij gekomen. Een krantenkoper had een stap opzij gezet, maar de colporteur – die tegen de politie zou verklaren: ‘ik ga voor niemand achteruit’ – had het uitwijken van de fietser gekwalificeerd als een poging om hem omver te rijden. Hij had de fietser daarom een flinke slag in diens gezicht gegeven. Korenhof had er een aanklacht wegens mishandeling aan overgehouden, maar dat veranderde niets aan zijn instelling.

Dat bleek de volgende dag al. Op zaterdagavond 7 september was het druk geweest op het marktplein, waar de markt gaande was en geëvangeliseerd werd. Iemand, die naar de evangelisatie stond te luisteren, met zijn rug naar het plein en naar het marktpubliek, had plotseling een klap in zijn nek gekregen. Die kwam zo hard aan, dat hij bloedde. De dader was Albert Korenhof, die meteen door een politieagent met de gummistok werd neergeslagen en gearresteerd. Op het politiebureau verklaarde Korenhof dat hij en een andere WA-man naar het marktplein waren geroepen, omdat de colporteurs zich daar onveilig voelden en ‘moord en doodslag’ in de lucht had gehangen. Omdat de politie niets had gedaan, had Korenhof maar ingegrepen en het publiek met zijn koppelriem uiteengedreven.

Inderdaad was hoofdinspecteur George Goorhuis aangesproken door de colportageleider over de door de colporteurs ondervonden overlast. Maar daar had Goorhuis niets van bespeurd. Het publiek was rustig geweest. Een minuut of zeven na zijn komst op het marktplein was Albert Korenhof ineens te keer gegaan met zijn koppelriem.

De agressieve Korenhof werd medio november 1940 door de rechtbank in Utrecht veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, maar hij ging daartegen in beroep bij het Vredesgerechtshof. De Zeister affaire leverde in maart 1942 een opmerkelijk, politiek gemotiveerd vonnis op, waarover de hele, gelijkgeschakelde Nederlandse pers gelijkluidend over berichtte. De Zeister WA-man zou terecht zijn waardigheid verdedigd hebben als ‘drager van beginselen die slechts het welzijn van het vaderland zouden beogen’. De uitspraak kwam er op neer dat NSB’ers er op los mochten meppen als ze in hun eer aangetast werden.

In oktober 1942 werd Zeist verlost van deze lastpost, toen Albert Korenhof met zijn gezin naar elders verhuisde.

In elk geval slaakte zijn schoonfamilie Zijlstra-van Ee een zucht van verlichting. Oudste dochter Geertje Meijer-Zijlstra was al jong lid geworden van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), een socialistische jeugdbeweging die nauw was gelieerd aan de SDAP – de voorloper van de PvdA. Via de AJC raakte ze in de jaren dertig betrokken bij de opvang van vluchtelingen uit Hitler-Duitsland. Hulp aan onderduikers tijdens de bezetting lag in het verlengde daarvan. Ze raakte via die hulp bevriend met het joodse gezin Neuberg-Schönbrunn (ouders en drie zoons) in Amsterdam. Deze mensen waren na de Reichspogromnacht Duitsland ontvlucht, in december 1938. De ouders en hun getrouwde zoon werden gedeporteerd – ze zouden vermoord worden – maar de twee ongehuwde zoons konden onderduiken bij Geertje Meijer-Zijlstra. Dat werd verraden door een familielid, maar de gebroeders Walter en Ernst Neuberg konden tijdig elders ondergebracht worden. Zelf woonde Geertje vanaf 1943 weer bij haar ouders in Zeist, op Van der Heijdenlaan 5. Ze voerde haar illegaal werk samen met haar vader Hendrik Zijlstra uit. Ondanks toenemende gezondheidsklachten bleef ze Walter Neuberg – die als ‘Nieuwenhuis’ ondergedoken zat bij een boer in Mijdrecht – verzorgen. Toen ze op een voedseltocht was, wilde een Duitse soldaat haar fiets vorderen. Ze negeerde het stopbevel en werd in haar rug geschoten, waarna ze voorgoed invalide en arbeidsongeschikt raakte. Ze scheidde van haar echtgenoot en hertrouwde met haar voormalige onderduiker Walter Neuberg, op wiens voordracht ze op 5 april 1989 de Yad Vashem-onderscheiding zou krijgen.

Geertjes jongste broer Jaap – ook SDAP’er – en diens echtgenote Gerrigje Zijlstra-de Kruif onderhielden op Van der Heijdenlaan 79 een doorgangshuis voor joodse onderduikers. Jaap bracht onderduikers telkens verder naar een volgend adres. Een Engelssprekende joodse dame, die ‘tante Toetie’ werd genoemd, bleef langer op Van der Heijdenlaan 79. De enige blijvende herinnering aan deze onderduikster is dat ze de po vanuit het raam van haar kamer leegde.

De kinderen van het gezin Zijlstra-de Kruif moesten op het raam tikken als er een razzia in de buurt op komst leek. Ondergedoken vrouwen gingen dan met Gerrigje Zijlstra-de Kruif mee naar het Dijnselbos en de mannen verstopten zich onder de vloer.

Dochtertje Riet zat op de kleuterschool aan de Van der Heijdenlaan, recht tegenover haar ouderlijk huis. Ze hoorde daar over de kleine Jack Eljon die in een bakkerskar ontkomen was.

Op zeker moment bracht Jaap Zijlstra een joods echtpaar met een kindje vanaf Van der Heijdenlaan 79 naar de Van Doornweg. Ze waren echter de kleertjes van het kind vergeten. Zijlstra ging ze halen, maar toen hij weer op de Van Doornweg kwam, zag hij een overvalwagen klaar staan om het joodse gezin in te laden. Aan de Van Doornweg was eveneens een soort doorgangshuis en dat was verraden.

Geertje Neuberg-Zijlstra kon zich later geen namen van geholpen onderduikers herinneren. Die had ze nooit willen weten: ‘Dan kon ik niemand verraden. Ik ben een beetje een nerveus iemand. En als ik niets wist, kon ik ook niets zeggen.’ Ze gaf joodse onderduikers bijnamen, zoals ‘Ping en Pong’ voor een echtpaar dat van tafeltennissen hield.

Namen van joodse onderduikers kennen de nazaten van Jaap en Gerrigje Zijlstra-de Kruif ook niet. Wel hebben ze herinneringen aan hun onderduikershulp en ander illegaal werk. Daarvan getuigt ook nog het gedicht ‘Winteravond’ van Jaap D. Zijlstra uit de bezettingsjaren.

Bronnen:

  • Mededelingen van Gerrie van Dijk-Zuidam, deels ontleend aan mededelingen van Riet Zijlstra
  • www.delpher.nl, alle dagbladen van 5 maart 1942 (kwestie-Albert Korenhof)
  • www.delpher.nl, Nieuw Israelietisch Weekblad van 31 maart 1989, ‘Geertje Neuburg is nog steeds woedend om onrecht’
  • Zie ook het bewezen onderduikadres Van der Merschlaan 52 (Jack Eljon)

1. Van der Heijdenlaan 79

2. Het Marktplein bij de hoek Voorheuvel-Emmastraat

3. Krantenartikel in het Vaderland van 22 februari 1942 over het optreden van Albert Korenhof

4. Kop van het artikel in de Zuid-Willemsvaart van 6 maart 1942 over ht vonnis van het Vredesgerechtshof

5. Persoonsbewijs van Gerrigje Zijlstra-de Kruif uit 1941

6. Gerrigje Zijlstra-de Kruif voor de oorlog

7. De dochtertjes Bep,Riet en Gerrie Zijlstra (omstreeks 1940)

8. Jaap en Gerrigje Zijlstra-de Kruif met hun dochtertjes Bep en Gerrie

9. winteravond gedicht Jaap Zijlstra

10. winteravond gedicht Jaap Zijlstra

11. winteravond gedicht Jaap Zijlstra