Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie pagina 64-68 van het Onderduikboek)
In memoriam:
- Abraham de Leeuw, gehuwd geen beroep (Hilversum, 19 maart 1867 – Sobibor, 21 mei 1943), bereikte de leeftijd van 76 jaar
Onderduikgeefster:
- Hendrika Berendina Bakhuis-Wolters, weduwe (Arnhem, 19 juli 1876 – Zeist, 25 oktober 1958)
Helper (persoonsbewijs):
- Elbert Diesveld, gehuwd, chauffeur (Zeist, 8 november 1904 – Nunspeet, 1 augustus 1965)
Op maandagavond 29 maart 1943 brengt de Zeister jodenhelper Bart (Elbert) Diesveld rond 21.00 uur een bejaarde joodse onderduiker naar zijn pleegmoeder Hendrika Bakhuis-Wolters (66), op Van der Heijdenlaan 72. Volgens het valse persoonsbewijs van de onderduiker gaat het om ‘Arnold Bleijenberg’ die op Daalstraat 4 in Utrecht woont. Zijn werkelijke identiteit maakt hij niet bekend. Hij spreekt gebrekkig en is erg zenuwachtig.
Al na een paar dagen ontdekken twee opsporingsambtenaren van de Prijsbeheersing dat de weduwe Bakhuis-Wolters in haar woning op Van der Heijdenlaan 72 een joodse man verbergt. De standplaats van beide mannen is Zeist, en ze kennen politieman Evert Drost die zelf tot voor kort bij de Economische Dienst van de gemeentepolitie heeft gewerkt. Ze tippen Drost en hij komt meteen in actie.
Op zaterdag 3 april vervoegt hij zich ’s middags omstreeks 13.30 uur in uniform aan de woning van de weduwe, vergezeld door een eveneens geüniformeerde collega.
Drost is een bekende politieman in Zeist en het is duidelijk waar hij voor komt. Hij maakt ook niet veel woorden vuil aan de aanhouding van de onderduiker. Na een blik op diens persoonsbewijs, waar duidelijk aan geknoeid is, pakt hij de man ruw bij een arm: ‘Jij gaat met mij mee!’
Terwijl ‘Bleijenberg’ zich kleedt voor vertrek, stelt Drost een verder onderzoek in op Van der Heijdenlaan 72. De weduwe heeft hem gezegd dat de bejaarde man zelf bij haar aangeklopt heeft, met de vraag om onderdak voor een paar dagen. Die verklaring houdt niet lang stand.
Drost ziet iemand in de tuin werken en dat blijkt bij controle een man uit Oosterbeek te zijn. Die vertelt Drost dat hij een paar weken bij zijn tante logeert, maar hij is in werkelijkheid ondergedoken voor de Arbeitseinsatz. Mogelijk om zijn eigen hachje te redden, is de man uiterst coöperatief. Hij verklaart dat de oude man op maandagavond 29 maart gebracht is door Bart Diesveld. De man heeft verteld dat hij joods was – dat weet zijn tante dus ook – en had zich voorgesteld als ‘Bleijenberg’, maar dat is duidelijk een valse naam.
Bovendien wijst de Oosterbeker op een zwarte aktetas die Bart Diesveld in het kolenhok in het schuurtje achter het huis verborgen heeft. In de tas treft Drost hulpmiddelen aan om persoonsbewijzen te vervalsen, mislukte vervalsingen en aantekenboekjes. Op Diesvelds woonadres, Joost van den Vondellaan 42, zal daarom die middag ook een onderzoek ingesteld worden.
Maar eerst worden ‘Bleijenberg’ en de andere arrestant met de motor met zijspan naar het politiebureau gebracht. Uit het politiedagrapport van zaterdag 3 april 1943:
‘16 uur Omstreeks 15.15 door Drost aan bureau gebracht en in passantenkamer geplaatst:
1e volgens persoonsbewijs (hetwelk vermoedelijk vervalscht is) Arnold Bleyenberg, geb. 11 Dec. ’72 te Zeist
2e volgens paspoort genaamd Bernard Theodorus Gerrits, geb. te Renkum 15 oct. ’00. Deze laatste is vermoedelijk zonder verlof uit Duitsland in Holland.’
De onderduiker voor de Arbeitseinsatz zal er zonder veel kleerscheuren van afkomen. Na een paar dagen op het politiebureau zal hij naar Utrecht worden gebracht voor tewerkstelling in Duitsland. Hij weet dan op het station te ontkomen.
Bij onderzoek door Evert Drost blijkt dat de dienstbode van de weduwe Bakhuis-Wolters haar persoonsbewijs voor 2 gulden 50 aan Diesveld heeft verkocht, zodat hij dat kon vervalsen. De dienstbode wordt na verhoor door Drost naar huis gestuurd.
De weduwe Bakhuis-Wolters zelf is na de inval achtergebleven, maar Evert Drost heeft haar meegedeeld dat hij terug zal komen. Ze duikt meteen onder en komt pas na meer dan 3 maanden terug naar huis. Drost is dan inmiddels vertrokken naar Groningen en de kust lijkt weer veilig. In haar woning is de hele inboedel overhoop gehaald en ze mist een potje met ruim 100 gulden aan zilvergeld, dat – naar later blijkt – door Drost in beslag is genomen en verantwoord in een proces-verbaal. Behalve een boete van 25 gulden, omdat ze ‘Arnold Bleijenberg’ niet had aangemeld als tijdelijke inwoner van Zeist, ondervindt ze geen repercussies.
De gevolgen voor andere betrokkenen zijn veel groter. Jodenhelper Bart Diesveld zal tot medio juni uit handen van Evert Drost weten te blijven, maar bij een huiszoeking in zijn woning wordt een brief gevonden, waarin hem verzocht wordt spullen naar Constantijn Huygenslaan 18 te brengen. Door deze brief zal het onderzoek naar Bart Diesveld die dag ook voor een andere joodse onderduiker fatale gevolgen krijgen.
Evert Drost stelt onder meer een onderzoek in naar het valse persoonsbewijs U.16/No. 010380 van ‘Arnold Bleijenberg’. Dat blijkt afgegeven te zijn aan Anna Bleijenberg, geboren op 11 december 1892 in Zeist en woonachtig op Daalstraat 4 in Utrecht. Zij is een van de mensen die hun persoonsbewijs verkocht hebben aan Bart Diesveld.
Op woensdag 7 april bekent de onderduiker bij verhoor door Drost dat hij ‘volle jood’ is en Abraham de Leeuw heet, geboren op 19 maart 1867 in Hilversum. Hij heeft in Amsterdam gewoond en is daar inmiddels op verschillende onderduikadressen geweest. Waar zijn eigen persoonsbewijs is, weet hij niet, maar het persoonsbewijs op naam van ‘Arnold Bleijenberg’ is vals. Dat is ‘geregeld’ door familie of onderduikgevers.
Het lot van Abraham de Leeuw is bezegeld. Op 6 april wordt hij weggebracht naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam en vandaar vier dagen later naar Kamp Westerbork, waar hij opgesloten wordt in de strafbarak 65. Op 18 mei wordt hij gedeporteerd naar Sobibor en na aankomst meteen vermoord, op 21 mei 1943. Zijn echtgenote Elisabeth de Leeuw-Sternheim is door Bart Diesveld elders ondergebracht en zal de bezetting overleven, evenals haar zoon.
Aan het overlijden van onderduikgeefster Hendrika Berendina Bakhuis-Wolters op 25 oktober 1958 in een verpleeghuis in Bosch en Duin werd door de pers geen aandacht besteed. Volgens de overlijdensadvertentie was zij (zelf kinderloos) niet alleen de pleegmoeder van Elbert Diesveld, maar ook van anderen. Zij had na haar komst van Zaandam naar Zeist in de periode 1919-1928 een cruciale rol gespeeld in de Zeister gemeenteraad – als eerste vrouw – en de Provinciale staten van Utrecht, waar zij lid van was namens de SDAP. Ze was actief en speelde daardoor een rol in de lokale vrouwenemancipatie. Dat men daar toen nog moeilijk tegen aan keek, mag blijken uit de verbastering van haar naam tot ‘Bak thuis wortels’. Een principiële vrouw die dus ook bereid was om onderduik te verschaffen.
Met de Bakhuis-Woltersprijs eert de provincie Utrecht iemand die het verschil maakt in de maatschappij en voor vrouwenemancipatie in het bijzonder. Er is anno 2026 een geldprijs verbonden aan de prijs.
-0-0-0-0-
Arrestatie op dinsdag 15 juni 1943 in Utrecht
Op zaterdagmiddag 3 april 1943 heeft Evert Drost vastgesteld dat de 39-jarige chauffeur Bart Diesveld zich schuldig heeft gemaakt aan jodenhulp. Diesveld heeft persoonsbewijzen gekocht, vervalst en weer verkocht en hij heeft bovendien onderduikers ondergebracht. De twee in Zeist gearresteerde joodse onderduikers hebben zijn naam verzwegen – ‘een onbekende man’ – maar dat baat hem niet.
Zeer belastend is namelijk de inhoud van een zwarte aktetas die Drost op 3 april heeft gevonden op het eerst onderzochte onderduikadres Van der Heijdenlaan 72, waar hij een joodse onderduiker heeft gearresteerd. De tas bevatte allerlei hulpmiddelen voor het vervalsen van persoonsbewijzen, zoals scheermesjes, potloden, een duimstok, flesjes met drukkersinkt, Oost-Indische inkt en andere vloeistoffen. Verder zaten er tien persoonsbewijzen (ook van joodse personen) in, waarmee kennelijk geëxperimenteerd was, tien pasfoto’s van joodse personen en een of meer aantekenboekjes.
Bart Diesveld heeft tot dan toe gewerkt voor de Zeister fietsenhandelaar Gerrit Leijte die zelf jodenhulp georganiseerd heeft. Leijte en zijn mensen werken op eigen houtje en hebben kennelijk geen contact met de illegale werkers op het gemeentehuis, aangezien ze zelf proberen om persoonsbewijzen te vervalsen.
Toen Drost op zaterdagmiddag 3 april 1943 meteen naar het woonadres Joost van den Vondellaan 42 van Diesveld was gegaan, was de vogel gevlogen. Die ochtend waren er al twee marechaussees aan de deur geweest, om Diesveld aan te houden. In verband met de diefstal van een fiets moest hij een gevangenisstraf van 9 maanden uitzitten. Hij had bij elkaar voorlopig weinig reden om naar huis te komen.
De huiszoeking had wel meteen grote gevolgen gehad voor een joodse onderduiker op Constant Huygenslaan 18, die door Diesveld werd geholpen met distributiebescheiden en boodschappen. Drost vond namelijk een brief, waarin Diesveld werd verzocht spullen voor de onderduiker naar bedoeld adres te brengen. Die joodse onderduiker was ook meteen gearresteerd.
Het heeft meer dan twee maanden geduurd, voordat Evert Drost Bart Diesveld te pakken krijgt. Op dinsdag 15 juni is het zo ver. Waarschijnlijk heeft Drost een tip gekregen, want hij houdt Diesveld aan buiten Zeist, namelijk in de Stationsdwarsstraat in Utrecht. Drost brengt zijn arrestant op naar het politiebureau in Zeist.
De volgende dag bekent Bart Diesveld dat hij de aktetas op zaterdag 3 april in het schuurtje van zijn pleegmoeder had verstopt. De hulpmiddelen en ingrediënten had hij enkele malen gebruikt voor het vervalsen van persoonsbewijzen die hij van anderen kocht. Hij verving dan de foto en werkte de stempels bij. Hij had ongeveer tien personen aan een vervalst persoonsbewijs geholpen en die bewijzen allemaal verstrekt via J. Gobes, 1e Oosterparkstraat 98 in Amsterdam. Voor de onkosten had hij 25 gulden per persoonsbewijs ontvangen. Het was hem duidelijk dat zijn vervalsingen bestemd waren voor onderduikers. Zelf had hij Abraham de Leeuw, diens echtgenote Elisabeth de Leeuw-Sternheim, Jacob Cohen en ene Brandon ondergebracht op onderduikadressen.
Of deze mededelingen kwaad kunnen voor de genoemde personen is niet duidelijk. Enkelen zullen de oorlog overleven, maar de gewezen banketbakker Bernard (niet J. dus) Gobes, medewerker van de Joodse Raad voor Amsterdam, zal op 31 maart 1944 in Auschwitz sterven.
Bijna twee weken lang onderwerpt Drost zijn arrestant vrijwel dagelijks aan verhoren. Volgens de latere verklaring van Bart Diesveld heeft Drost hem daarbij voorgesteld om in ruil voor zijn vrijheid onderduikadressen te verraden en V-mann te worden voor de Sicherheitspolizei. Volgens Drost kan Diesveld maar beter volledige openheid betrachten over zijn jodenhulp, anders zal de Sicherheitspolizei de ontbrekende informatie wel uit hem krijgen. Drost zegt telkens dat hij met Ariërs als Diesveld nog wel wil praten, maar joden zal hij mee helpen uitroeien.
Op 28 juni brengen Evert Drost en zijn collega Van der Peijl Bart Diesveld per tram en trein naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam.
In de Euterpestraat wordt de arrestant afgeblaft door Duitse medewerkers van de Sicherheitspolizei. Daarna brengt Drost hem verder naar de gevangenis aan de Amstelveenseweg in Amsterdam. Zowel daar als af en toe in de Euterpestraat wordt Diesveld door verschillende Duitse medewerkers van de Sicherheitspolizei verhoord over zijn jodenhulp. Men wil weten hoe hij aan persoonsbewijzen kwam en wat de aantekeningen in die aktetas betekenen. Tijdens die verhoren wordt hij met een gummistok op zijn rug geslagen.
Na ongeveer zeven weken wordt Bart Diesveld met andere gevangenen naar Kamp Vught gebracht. Daar wordt hij op 2 augustus geregistreerd. Gedurende de ongeveer negen maanden die hij in het kamp doorbrengt, krijgt hij volgens zijn latere verklaring stokslagen, schoppen en trappen, en worden enkele tanden uit zijn ondergebit geslagen. Na zijn verblijf in Kamp Vught moet hij op 31 maart 1944 voor drie maanden naar Kamp Amersfoort, waar hij opnieuw mishandeld wordt. Aansluitend wordt hij op 23 juni 1944 met andere politieke gevangenen op bevel van de Sicherheitsdienst naar Duitsland gebracht, waar hij dwangarbeid moet verrichten in een spoorwegfabriek in Berlijn. Na ongeveer 10 1/2 maand weet hij te ontvluchten, in april 1945. Op 19 mei 1945 komt Bart Diesveld weer thuis, hevig getraumatiseerd.
Bronnen:
- Gemeentearchief Zeist, archief gemeentepolitie Zeist, toegang 3500, rapportenboeken, dagrapport 3 april 1943
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 20909, inventarisnummers 00 II-62533 en BvRC 847/48, E.C. Drost
- L. Visser, Bulletin van de Van de Poll-Stichting, jaargang 13, 1983, 41-66 (Hendrika Berendina Bakhuis-Wolters)
- www.provincie-utrecht.nl, Politiek bestuur, Provinciale staten, Bakhuis-Wolters-prijs
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Abraham en Elisabeth de Leeuw-Sternheim en registraties van Elbert Diesveld in Kamp Vught en Kamp Amersfoort




