Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie pagina’s 502-510 van het Onderduikboek)
Onderduikster:
- Froukeline van der Hoek-van Dam, gehuwd, geen beroep (Leek, 18 augustus 1916 – Melbourne-Australië, 18 augustus 2013)
Onderduikgevers:
- Jacob van de Kamp, gasmeteropnemer (Zeist, 7 augustus 1904 – Zeist, 1 mei 1970), en
- echtgenote Gerritje van de Kamp-van der Sluijs (Wijk bij Duurstede, 11 december 1902 – Zeist, 3 april 1987)
Twee dochters (1935, 1940)
Toon van de Kamp is tijdens de bezettingsjaren een prominente illegale werker in Zeist. Ben van der Hoek, een joodse leraar geschiedenis aan een privé middelbare school in Hilversum, komt voor het eerst met hem in contact als hij een onderduikplaats zoekt voor zijn schoonzuster Lisa van der Hoek-van Dam.
Lisa en haar echtgenoot Aaron van der Hoek zijn eerder gedwongen verhuisd van Hilversum naar Amsterdam. Op advies van het hoofd van de Afdeling Bevolking van de gemeente Hilversum hebben ze zich daar laten uitschrijven, maar zich niet in Amsterdam ingeschreven. Ze hebben bovendien een voorlopige vrijstelling van deportatie, omdat Aaron van der Hoek bakker is. Maar als ook voor hen de dreiging toeneemt, wil Aaron zijn ouders niet alleen laten. Probleem is dat die per se naar Kamp Westerbork willen, omdat hun dochter daar al naar toe gebracht is. Ze denken daar veilig te zijn, omdat een neef een topfunctie heeft bij de Joodse Raad. Een arts heeft Aaron en Lisa van der Hoek-van Dam echter gewaarschuwd dat dochtertje Gilah kwetsbaar is het kampvoedsel niet zal verdragen. Besloten wordt dat moeder Lisa en Gilah alvast verdwijnen.
Een onderduikersbestaan is niet verstandig voor kleine Gilah die nog jaren nodig heeft om fysiek op kracht te komen. Toon van de Kamp weet een plaats bij een pas getrouwde dominee zonder kinderen. Maar er komt ook een mogelijkheid om Gilah onder te brengen bij het Hoofd van de Afdeling Sociale Zaken van de gemeente Laren. Die heeft een gezin met zeven kinderen en haar ouders redeneren dat een moeder van zeven kinderen hun 16 maanden oude, ziekelijke kleintje de juiste zorg kan geven.
Toon van de Kamp waarschuwt wel dat daarmee de communicatie moeilijk zal worden en dat blijkt ook in de praktijk. Brieven van de verzorgers in Laren doen er drie weken over voor ze via twee tussenpersonen en Toon bij Lisa worden bezorgd.
Het is een loodzware beslissing voor het echtpaar Van der Hoek-van Dam om hun Gilah voor onbepaalde tijd af te moeten staan aan onbekenden. Ze besluiten hun geld in drie porties te verdelen, voor Aarons onderduik, voor Lisa’s onderduik en voor de verzorging van Gilah.
Als Gilah in april 1943 door Ati van Dorth uit Zeist naar een hotel is gebracht, waar een tussenpersoon haar overneemt en naar het opvanggezin brengt, kan Lisa van der Hoek-van Dam zelf onderduiken. Het is inmiddels mei of juni 1943. Toon van de Kamp reist naar Amsterdam om haar op te halen. Hij heeft net een zware maagoperatie achter de rug, en draagt daarom een melkflesje bij zich, waaruit hij af en toe een slokje neemt. Lisa krijgt een vals persoonsbewijs op naam van een 37-jarige ‘Janna IJtsma-Zuidersma’, een naam die wel bij haar Groningse accent past. In werkelijkheid is ze pas 27 jaar oud en er is nog even een ontspannen moment als Toon zegt dat ze er goed uitziet voor haar 37 jaar. Ze bedankt hem voor het ‘compliment’. Als hij bovendien ziet hoe ze rustig op een klapstoeltje in de drukke trein gaat zitten, beseft hij dat ze haar zenuwen onder controle heeft. Tijdens de treinreis naar station Utrecht centraal zitten beiden apart, maar ze houden oogcontact. Toon heeft haar geïnstrueerd dat ze hem in Utrecht de weg moet vragen. Hij is dan niet te beroerd om haar die even te wijzen. Op station Utrecht is het zeer druk, dus er is weinig risico dat ze samen opvallen. Toon brengt Lisa bij een jong gezin, waar ze zes weken kan blijven.
Als zijn ouders naar Kamp Westerbork zijn gebracht, moet Aaron van der Hoek met spoed zien onder te duiken. Via tussenpersoon Ati van Dorth, stuurt hij een telegram naar Toon van de Kamp die meteen afreist naar Amsterdam. Helaas is het Amsterdamse adres verkeerd gespeld in het telegram. Toon kan hem daarom niet vinden en reist op drie achtereenvolgende dagen naar Amsterdam om Aaron te zoeken. Dat is een gevaarlijke bezigheid omdat hij een vals persoonsbewijs voor Aaron bij zich heeft, op naam van ‘Eelke IJtsma’. Dat heeft hij, net als het valse persoonsbewijs voor Lisa, gekregen van illegale werkers op het gemeentehuis in Zeist. Het toeval helpt een handje. Net als Toon zijn zoektocht op wil geven, stuit hij op Aaron die tijdens een razzia op de vlucht geslagen is en de juiste van twee vluchtwegen heeft gekozen. De mannen herkennen elkaar van de keer dat Lisa van der Hoek-van Dam opgehaald is.
Toon brengt Aaron naar zijn ondergedoken echtgenote in Utrecht, waar hij nog een maand kan blijven. Het is een zwarte tijd voor hem. Gelukkig kan Toon van de Kamp een verbinding leggen met het echtpaar Schat-Truschel dat op Patijnlaan 49 in Zeist een bakkerij exploiteert. Aaron, die net als zijn vader, tot 1942 in Hilversum een koosjere bakkerij heeft gedreven, kan weer als bakker aan de slag en reist voortaan op en neer naar Zeist. Per slot beschikt hij over uitstekende valse papieren.
Intussen heeft zijn broer Ben zichzelf ook vervoegd bij Toon van de Kamp, met de vraag om onderduik voor zichzelf, zijn echtgenote Ferdi van der Hoek-van Dam en hun in 1941 geboren zoontje Jehoedi. Na een overnachting op Oude Arnhemseweg 160 kunnen de drie ondergebracht worden bij het echtpaar Verheul-de Groot, schuin aan de overkant.
In oktober of november 1943 moeten Aaron en Lisa van der Hoek-van Dam hun Utrechtse onderduikplaats te verlaten. De jonge vrouw des huizes is te bang geworden voor het gevaar. Toon van de Kamp zorgt er dan voor, dat Aaron van der Hoek kan onderduiken bij zijn werkgever in Zeist. De scheiding valt zijn echtgenote Lisa heel zwaar en ze mist ook kleine Gilah. Ze zal het later de donkerste periode uit haar leven noemen. Ze wordt na een tussenstop naar Westbroek gebracht, waar ze met een ouder joods echtpaar onderduik krijgt bij een jong gezin dat een vrij eenzaam dijkhuisje bewoont. Na een week moeten de onderduikers vanwege gevaar in een moeilijk bereikbare strohut op een eilandje slapen. Het vriest er tot 16 graden onder nul, en Lisa zal daar fysieke klachten aan overhouden. Ze worden verder wel goed verzorgd, maar op zeker moment merkt ze dat de jonge onderduikgever af en toe op dievenpad gaat, wat hem door zijn echtgenote hardop wordt verweten. Het risico van een huiszoeking wordt dan te groot en de onderduikers moeten weg.
Toon van de Kamp komt Lisa halen en mag haar naar zijn broer Job en schoonzuster Ger van de Kamp-van der Sluijs brengen. Dat echtpaar woont op Tulpstraat 5, vlak bij de Josephkerk. Ze hebben twee dochtertjes. De oudste wordt ingelicht. Haar wordt op het hart gedrukt dat ze tegen niemand wat mag zeggen over ‘Tante Jannie’. Als haar Oom Toon haar de volgende dag test, geeft Loes geen krimp. Lisa heeft een kleine zolderkamer van drie bij vier meter tot haar beschikking. Daar brengt Loes haar drie maal per dag eten. Als de 3-jarige Margot nieuwsgierig is naar de reden van dat extra bord, wordt haar verteld dat het eten voor een muis op zolder is. Dit met het gevolg dat ze andere kinderen mee naar huis uitnodigt om naar de muis te komen luisteren. Lisa van der Hoek-van Dam komt voorlopig alleen na spertijd naar de huiskamer, als kleine Margot slaapt. Maar soms trekt ze even aan de bel alsof ze van buiten op bezoek komt.
In de weekenden komt Aaron van der Hoek op bezoek. Hij verdient geld bij de bakkerij-Schat, waarvan Lisa 25 gulden per maand aan haar onderduikgevers betaalt. Bovendien mag hij brood meenemen. Lisa van der Hoek-van Dam komt aan eten niets te kort tijdens haar onderduikperiode. Zeker niet als er op een gegeven moment geen gas meer is. Job van de Kamp, die gasmeteropnemer is, heeft geen werk meer en wordt tewerkgesteld in de gaarkeuken. Voedsel is dan al helemaal geen probleem meer.
In huis zijn regels ingesteld om de veiligheid van de joodse gasten te waarborgen. Zo worden zij uitsluitend bij hun valse namen ‘Jannie’ en ‘Eelke’ genoemd. Bij een razzia moet Margot op de schoot van Lisa zitten, om te suggereren dat ze familie zijn. Veiligheidsmaatregelen zijn bepaald niet overbodig. In het pand van de Josephkerk, naast Tulpstraat 5, is een Duitse militaire organisatie gevestigd. Het wemelt in de Tulpstraat van Duitse soldaten die voortdurend langs de ramen van het huis lopen. Soldaten gebruiken regelmatig het balkon tegenover het zolderkamertje van Lisa van der Hoek-van Dam voor schietoefeningen. Toch voelt ze zich veilig, omdat zij denkt dat de Duitsers niet verwachten dat er iemand een joodse onderduiker onder hun neus zal verbergen.
Maar verraad loert altijd. Op 9 maart 1944 worden de ouders van haar schoonzuster Fer van der Hoek-van Dam, gearresteerd. Het echtpaar Jakob en Rosa van Dam-Benima zat ondergedoken op Eikenlaan 9.
Desondanks regelt Toon van de Kamp dat de onderduikers onderling contact kunnen hebben. Zo kan Lisa naar haar nichtje en schoonzuster Ferdi en zwager Ben, die op Oude Arnhemseweg 157 zitten. Dat gaat bijna fout. Op de terugweg naar Tulpstraat 5 belandt ze in een razzia. Een Duitse officier op paard schreeuwt: ‘Alle Weiber von der Strasse!’ ‘Janna IJtsma-Zuidersma’ zegt tegen hem dat ze naar huis moet. Daarop krijgt een – aardige – soldaat opdracht om haar daar naar toe te brengen. Als ze ver genoeg van de razzia verwijderd zijn, zegt ze dat het zo ver genoeg is en gaat ze het laatste stuk alleen verder.
Thuis wil ze meteen de schuilplaats in, maar daar zitten Job van de Kamp en een kennis al. Ze gaat aan tafel zitten, zoals afgesproken met Margot. De Duitsers komen het huis binnen en dan hebben ze geluk. Het is de aardige soldaat die met haar opgelopen is. Hij roept tegen de anderen: ‘Hier zijn we al geweest’. Daarmee gaat de razzia aan Tulpstraat 5 voorbij.
Het zijn ook spannende jaren, met die invallen door gewapende soldaten en het gestamp van Duitse laarzen op de trap. Dochtertje Margot is soms doodsbang, zullen ze zich later herinneren: ‘Maar mijn ouders namen het heel gelaten, voor hen leek een huiszoeking niet meer dan even wat extra spanning. Er kwamen ’s avonds mensen bij ons van de ondergrondse. Er was veel dat we niet wisten.’
Al bij al is het een zware tijd, natuurlijk vooral voor Lisa van der Hoek-van Dam. Ze breidt truien op haar kamertje. Maar haar bewegingsvrijheid is beperkt. Op een dag moet ze naar het toilet als niemand thuis is. Na twee uur wachten is ze de wanhoop nabij, maar dan komt Job van de Kamp gelukkig thuis.
Heel zwaar valt het echtpaar Van der Hoek-van Dam de scheiding van hun kleine Gilah. Helemaal als het contact na Dolle Dinsdag wegvalt, omdat hun tussenpersoon naar Groningen moet. Zal het wel goed gaan met Gilah in de Hongerwinter. Ze besluiten contact te zoeken. Het lijkt minder gevaarlijk op straat omdat de Duitsers vooral naar arbeidskrachten zoeken. Aaron van der Hoek leent een fiets van de bakkerij en rijdt naar Laren. Daar vraagt hij bij het gemeentehuis naar het Hoofd van de Afdeling Sociale Zaken. Die neemt hem mee naar huis, waar Aaron ziet dat Gilah in goede handen is en dol is op haar onderduikgevers. Die zeggen hem dat hij zich geen zorgen hoeft te maken over zijn dochtertje, want de adoptiepapieren liggen klaar. Ze hadden haar al rooms-katholiek willen laten dopen, voor het geval ze slachtoffer van een bombardement zou worden. Maar de geraadpleegde priester heeft dat geweigerd zolang de kans bestaat dat Gilah terug zal gaan naar haar ouders.
Ook Lisa kan nu een avond op bezoek komen. Gilah mag er bij blijven en praat de onbekende bezoekster de oren van het hoofd.
Er ontwikkelt zich stilaan een relatie tussen de onderduikgevers van Gilah en haar ondergedoken ouders. Dat heeft er mee te maken dat er een tekort aan eten komt. Het brood dat Aaron van der Hoek kan leveren, is een uitkomst in Laren. Wederzijds worden daarvoor fietstochten ondernomen.
In de buurt is Job van de Kamp inmiddels te boek komen te staan als een lafaard. Dat nadat een buurman gevraagd heeft of zijn zoon bij op Tulpstraat 5 mag onderduiken, nadat die een oproep voor de Arbeitseinsatz in Duitsland had ontvangen. Job moest beslist weigeren en kon daar geen uitleg voor geven. Pas na de bevrijding begrijpt de buurman de reden en zegt hij: ‘Daar vertelde ik aan iedereen dat jij een lafaard was, terwijl jij moediger was dan wie dan ook.’
Zijn echtgenote staat gedurende de onderduikperiode in de buurt bekend als hooghartig en kortaf, een houding die zij bewust inneemt om afstand te scheppen. Verraad is nooit ver weg en ook kunnen mensen, die niet echt ‘verkeerd’ zijn, uit angst rare dingen doen. Pas na de bevrijding, als de onderduikster tevoorschijn komt, hebben de buren begrip voor haar houding.
Op Bevrijdingsdag begroet het gezin Van de Kamp-van der Sluys de bevrijders op de hoek van de Waterigeweg en de Eerste Dorpsstraat. Lisa van der Hoek-van Dam is erbij, aanvankelijk nog wat onwennig, nu ze zich voor het eerst sinds jaren weer buiten kan laten zien. Reusachtige tanks rijden de smalle Dorpsstraat uit, volgeladen met juichende mensen. Er zijn biscuitjes, kauwgom en chocola, maar het eerste stukje chocola krijgen Loes en Margot van de Kamp niet van een bevrijder, maar van hun voormalige onderduikster die dat voor deze gelegenheid bewaard heeft.
Lisa van der Hoek-van Dam fietst daags daarna naar Laren. Als Gilah (3,5) uitgelegd wordt dat ze nu naar haar ouders terug moet, protesteert ze heftig. Er volgt een moeizame hereniging met haar ouders. In de loop van de volgende jaren zal Gilah een liefdevolle relatie ontwikkelen met moeder Lisa, maar er mist iets. Er zal altijd een subtiele afstand blijven, zo zal ze later schrijven, er blijven wonden die nooit helen. Ze verheugt zich geweldig op de schoolvakanties bij haar voormalige onderduikgezin en de binding met haar onderduikmoeder blijft sterk, wederzijds.
Haar ouders beginnen een banketbakkerij op Burgemeester Patijnlaan 134, waar voorheen een NSB-bakker heeft gezeten. Begin jaren vijftig emigreren ze met hun inmiddels drie kinderen naar Australië. Daar ontmoet dochter Loes van de Kamp hen weer, als ze zelf in 1986 met haar echtgenoot naar Australië emigreert.
Op 19 september 1989 worden Job en Ger van de Kamp-van der Sluys postuum door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren. In juli 1972 hebben Lisa en Aaron van der Hoek-van Dam uit dankbaarheid al een boom geplant voor de voormalige onderduikgevers in het Jerusalem Bos. Job van de Kamp was toen al twee jaar daarvoor overleden en heeft dat niet meer meegemaakt. Ger van de Kamp-van der Sluys overleed in 1987.
In ‘Het waren stille helden’, kijken Loes en Margot in De Nieuwsbode van 4 mei 1995 terug op hun ouders. ‘Dat eerbetoon had misschien voor hen niet zo gehoeven. Ze vonden het de gewoonste zaak van de wereld. Ze zagen het gevaar wel, maar stonden er nauwelijks bij stil. Ook na de oorlog hebben ze er niet veel over gepraat. We moesten er altijd naar vragen.’
Op 4 mei 1997 geven Aaron en Lisa van der Hoek-van Dam gevoelige, levendige interviews aan Lara Singal van de Shoah Visual History Foundation. Hoewel hun ervaringen bitter zijn geweest – ook zij moesten vermoorde familieleden betreuren – en hun leven daarna ook soms hard is geweest, geven ze een waardige getuigenis af. Met groot respect spreekt Aaron van der Hoek na al die jaren over de grote moed van hun helper, Toon van de Kamp.
Bronnen:
- Interviews die Aaron en Froukeline Vanderhoek-Vandam op 4 mei 1997 in Melbourne gaven aan Lara Singal van de Shoah Visual History Foundation
- Reddingsverhaal Yad Vashem voor Job en Gerritje van de Kamp-van der Sluys
- Zie de bewezen onderduikadressen Oude Arnhemseweg 157 (onderduikadres Ben en Ferdi van der Hoek-van Dam) en 160 (adres Toon van de Kamp) en Patijnlaan 49 (onderduikadres Aäron van der Hoek)
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen: ‘Eelke en Janna IJtsma-Zuidersma’
- De Nieuwsbode van 4 mei 1995, ‘We zien onze ouders als stille helden, Joodse onderduikster hoorde gewoon bij het gezin’ (interview met dochters Loes en Margot van de Kamp van de onderduikgevers)
- Julie Meadows (editor), ‘Courage to Care’, 28 Remarkable Stories of Rescue During World War II, Australian Centre for Jewish Civilisation, Faculty of Arts, Monash University Victoria (bijdrage Gilah van der Hoek)



