Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Supplement, pagina’s 140-144)

Onderduiksters:

  • Bertha Rozette van Oss, ongehuwd, mede-eigenaresse damesmodezaak (Vierlingsbeek, 1 oktober 1869 – Apeldoorn, 22 juni 1958)
  • Rica Alexandra Eugenie van Oss, ongehuwd, mede-eigenaresse damesmodezaak (Vierlingsbeek, 11 december 1870 – Apeldoorn, 12 november 1962)
  • Mathilde Louise van Oss, ongehuwd, mede-eigenaresse damesmodezaak (Vierlingsbeek, 19 april 1874 – Apeldoorn, 17 april 1957)

Onderduikgevers:

  • Wouter Aartsen, stukadoor (Apeldoorn, 11 oktober 1908 – Zeist, 23 juli 1957) en
  • echtgenote Aaltje Geertruida Aartsen-Eerland (Ridderkerk, 6 mei 1911 – Zeist, 25 april 2001)

Tijdens de bezetting één kind (1934)

Op zaterdag 17 oktober 2020 mailde Wout Aartsen junior ons:

Via, via kreeg ik het krantenartikel in handen uit de Zeister Nieuwsbode van 16 september jl. over de onderduik van Joden in Zeist. Voor het bepalen van het aantal ondergedoken Joodse mensen in Zeist kan ik u het volgende meedelen.

Mijn ouders (Wouter Aartsen en Aaltje Geertruida Aartsen-Eerland) hebben in de laatste oorlogsjaren twee Joodse dames in huis gehad. Het betrof de Joodse dames Riek (Rica Alexandra Eugenie) en Tilly (Mathilde Louise) van Oss, afkomstig uit Apeldoorn. Zij hadden in Apeldoorn een damesmodezaak. Via de broer van mijn moeder, Dominee H.W. Eerland, zijn zij met elkaar in contact gekomen.

Ik kan u er wel meer over vertellen, maar dat alles heb ik van horen zeggen en kan het niet meer staven.

Wout Aartsen junior had het bewuste krantenartikel uit de Zeister Nieuwsbode ontvangen van zijn in Zeist wonende schoonzuster. Bij het verdere contact met hem kwam er een nieuw onderduikverhaal op tafel.

Riek en Tilly van Oss waren ongehuwde winkeliersters uit Apeldoorn. Ze waren afkomstig uit het welgestelde gezin van Marcus van Oss, landbouwer en handelaar in graan, vee en andere zaken. Hij was geboren en getogen in Vierlingsbeek, toen hij in 1867 in het huwelijk trad met Roosje Meijer uit Werkendam. Het Noord-Brabantse Vierlingsbeek telde rond de eeuwwisseling 23 joodse inwoners op een totaal van 1.364 inwoners. De lokale synagoge en begraafplaats hadden een regionale functie. Het echtpaar Van Oss-Meijer kreeg twaalf kinderen, waarvan ten tijde van de Duitse inval nog twee zoons en acht dochters in leven waren. De oudste van de kinderen werd een prominente Nederlander.

Over zoon Salomon Frederik van Oss (1868-1949) is anno 2020 veel informatie te vinden op internet. Het was een slimme en avontuurlijke jongen die na zijn schooltijd, en enkele jaren in de handel gewerkt te hebben, naar Londen vertrok. Daar werd hij op 20-jarige leeftijd freelance correspondent voor het Algemeen Handelsblad.

Van begin 1890 tot de zomer van 1892 ondernam Fred van Oss, zoals hij genoemd werd, een rondreis door Amerika. Hij voorzag in zijn onderhoud door interviews met regionale directeuren van spoorwegmaatschappijen te verkopen aan bladen die aan de Oostkust van de Verenigde Staten en in Europa verschenen. Dat was belangrijke informatie voor de vele beleggers die geïnteresseerd waren in aandelen van die spoorwegmaatschappijen.

Hij werd gezien als een belangrijke expert en vervulde een tijdlang de functie van directeur en financier van de Oklahoma Central Railroad. Er werd zelfs een halteplaats naar hem vernoemd, die nog steeds bestaat, het kleine Vanoss. In 1895 reisde hij naar Zuid-Afrika, om daar de werkelijke waarde van goudmijnen te onderzoeken. Artikelen daarover raakte hij niet kwijt aan de Engelse pers, wat te maken had met de Boerenoorlog, waarna hij zijn aandacht op Rusland richtte. In de jaren 1899-1901 onderzocht hij in dat land voor een Engels consortium de mogelijkheden om een concessie voor de aanleg van een nieuwe spoorweg te bemachtigen.

Meteen daarna keerde hij terug naar Nederland. Hij werd hoofdredacteur van het blad ‘De nieuwe Financier en Kapitalist’, startte de uitgave van het jaarlijks verschijnende Van Oss’ Effectenboek en begon het effectenkantoor Van Oss & Co. Dat kantoor zette hij in Den Haag voort onder de naam Van Oss & Co.’s Bank. Met zijn jongere broer Alexander Marcus van Oss veroorzaakte hij in 1925 veel ophef in de pers, door een openlijke strijd tegen dubieuze effectentransacties op de beurs.

Fred van Oss beëindigde zijn bankzaken in 1913 – broer Alexander Marcus van Oss bleef te boek staan als bankier – en richtte het opinieweekblad de Haagsche Post op. Hij zou tot aan zijn dood in 1949 aan het blad verbonden blijven, met zijn vaardige en scherpe pen. Het door hem ook opgerichte Haagsch Maandblad werd geen succes, maar dat werd de uitgeverij die hij samen met iemand anders opzette wel.

Fred van Oss gold als bewonderaar van Mussolini, maar achtte Nederland te klein voor het fascisme. Over de opkomst van het nationaalsocialisme schreef De Haagsche Post vanaf het begin van de jaren dertig uiterst kritisch. In Hitler-Duitsland werd het blad daarom verboden en na de Duitse inval werd de leiding van het weekblad overgenomen door een Verwalter. Ofschoon Fred van Oss in 1925 was gescheiden van zijn niet-joodse Schotse echtgenote – het echtpaar had acht kinderen – zou dit huwelijk de reden zijn geweest waarom hij niet in aanmerking kwam voor deportatie? Zijn eveneens in Den Haag woonachtige broer Alexander Marcus van Oss was nog steeds gemengd gehuwd en was daarmee ook gevrijwaard voor deportatie. Na betaling van een aanzienlijk kapitaal zou Fred van Oss zelfs vrijgesteld zijn van het dragen van een jodenster. Fred van Oss vertoonde zich tijdens de bezetting zekerheidshalve niet op straat en schreef in deze periode aan zijn memoires. Beide broers overleefden de bezetting.

Hoe anders lag het voor hun zusters. Vier van hen, hun partners en een deel van hun kinderen werden vermoord in Auschwitz en Sobibor. De andere vier, ongehuwde zusters overleefden in onderduik, waarvan Bertha (Bertha Rozette), Riek en Tilly van Oss in Zeist en Apeldoorn. Laatstbedoelde drie zusters hadden samen vanaf 1910 op Hoofdstraat 144 in Apeldoorn de modezaak ‘Magasin de nouveautés’ (‘voorheen Gebroeders Levy’) gerund in een prachtig, Jugendstil of Art nouveau pand. De zaken liepen goed en de dames organiseerden modeshows. In de Nieuwe Apeldoornsche Courant verscheen op 20 en 21 maart 1923 een nogal hoogdravend verslag van een voorjaarsexpositie. Citaat:

In het net stemmige zaaltje, voor zulk een gelegenheid bijzonder geschikt, hangt een behagelijke sfeer vol stemming, nu de kleurige uitstalling van jurken en jumpers, mantels en hoeden er prijkt in ‘t vreugdige zonlicht, dat op deze dagen door de hooge ramen valt. We hebben hedenmorgen een kijkje genomen op deze mode-show, welke vandaag en morgen daar gehouden wordt. Wat we gezien hebben, heeft ons zeer geïnteresseerd. Steeds is een mode-show interessant voor wie heeft leren begrijpen dat de damesmode niet is de grillige gebiedster van slaafsche dienaressen, die zij gedacht wordt te zijn door velen, die haar niet kunnen waardeeren, maar een postulaat van stroomingen in het groote levensgebeuren. (…)

Men neemt deze expositie in oogenschouw alsof men op een uitspanningsgelegenheid is. ‘t Is ook een uitspanning voor de dames, al dat interessante moois te zien. En het strijkje, dat zich in de middaguren laat hooren – Guiseppe Brandoni strijkt er! – maakt de gezelligheid daar nog wat grooter. En als men vermoeid is van ‘t zien, dan geeft ‘t geboden kopje thee ‘n verkwikking. We kunnen ‘t den dames aanbevelen, deze mooie expositie te gaan zien. Het is bekend, dat men van de dames Van Oss en haar personeel vakkundige inlichtingen kan krijgen over hetgeen er alzoo te zien is. En dat is de moeite waard!

In zijn (ongedateerde) ‘Report of my happy memories of the Van Oss family’ koesterde Salomon van Son (Apeldoorn, 1921) zijn herinneringen aan de drie tantes Van Oss. Hij beschreef ze als goed opgeleide vrouwen met een brede belangstelling, bijvoorbeeld voor kunst en literatuur.

Andere familieleden vulden deze beschrijving aan in een onbekende publicatie (auteur, datum?). De drie tantes waren ruimdenkend en genereus. Dat ze strikte morele standaards aanhielden, werd gecompenseerd door moederlijke gevoelens voor iedereen die tot de grote familie behoorde. Door hun gastvrijheid was hun woning een populaire vakantiebestemming voor de neven en nichten. Ze waren geestig en hadden een ironische, licht-cynische humor – die typisch Van Oss werd genoemd – die getypeerd kan worden aan de hand van de volgende anekdote.

Als kleine jongen ging neefje Mark Kolthoff voor het eerst alleen per trein op reis, om zijn drie tantes in Apeldoorn te bezoeken. Hij had van zijn moeder geld meegekregen om bloemen te kopen. Om wat geld voor zichzelf over te houden, kocht hij een weliswaar kloek, maar verwelkt boeket tegen een gereduceerde prijs. Toen hij dat boeket aanbod, riep een van de tantes: ‘O leuk, een verdorde verrassing!’ Het werd een standaard uitdrukking in de Kolthoff-tak van de familie.

De drie zusters waren niet orthodox, maar hun keuken was koosjer en ze hielden zich aan de sabbat. Ze hadden belangstelling voor de zionistische beweging en steunden die. Riek van Oss, in leeftijd de middelste van de drie, was in 1933 bijvoorbeeld betrokken bij de organisatie van de landdag van de joodse Vrouwenbond voor Practisch Palestinawerk. Ze was daarnaast ook bestuurslid van de joodse voogdijvereniging Lesammeiag Halejed.

Eind april 1936 – hartje crisistijd – sloten de zusters Van Oss na dik 25 jaar de deuren van het modemagazijn. Blijkbaar konden ze van de opbrengst rentenieren. Ze betrokken een mooi huis, waar onder meer schilderijen hingen van hun neef Mark Kolthoff, inmiddels een bekende en zeer veelzijdige kunstenaar.

Ook bleven er dienstmeisjes in huis en dat bracht uitkomst toen ze tijdens de bezetting moesten onderduiken. Het had wel geklikt tussen de dames Van Oss, hun hulp in de huishouding Grietje Ploeg en haar verloofde.

Net als drie van haar zusters was Grietje getrouwd met een christelijk gereformeerde dominee, namelijk met Hendrik Eerland. Diens vader Adrianus Eerland was een echte AR-man (AR is de afkorting voor de voormalige politieke Anti-Revolutionaire Partij, in 1980 opgegaan in het huidige CDA) die wekelijks als schipper kolen vanuit het Ruhrgebied naar Apeldoorn vervoerde voor de plaatselijke gasfabriek. Hij had daar genoeg gezien om een sterke anti-Duitse gezindheid te ontwikkelen. Zijn zoon dacht er niet anders over. Nadat hij in november 1941 getrouwd was, was hij zijn loopbaan in Dokkum begonnen. Hij zou zich daar manifesteren als een illegaal werker, door onderduikers een schuilplaats aan te bieden in de kerk. Aan het einde van de bezetting, medio januari 1945, zou hij opgepakt worden, naar aanleiding van uitlatingen in een bidstond, en voor een korte tijd opgesloten worden in de gevangenis in Leeuwarden.

Toen de voormalige werkgeefsters van Grietje Eerland-Ploeg in 1942 of 1943 in problemen raakten, kwamen zij, haar echtgenoot en diens vader in actie. Adrianus Eerland was als pater familias invloedrijk en stimuleerde zijn dochter en schoonzoon, Alie en Wout Aartsen-Eerland, in Zeist om Bertha, Riek en Tilly van Oss in huis te nemen.

Wout Aartsen was een van de vier uit Apeldoorn afkomstige broers die in Zeist het vak van stukadoor uitoefenden. Zijn oudste broer had Torenlaan 27 gekocht. Toen hij in april 1941 vertrok naar de Kersbergenlaan, mocht zijn broer Wout het pand huren. Het was een vrij groot huis met een bedrijfsruimte erachter, recht tegenover de Middellaan. Het echtpaar Aartsen-Eerland had daar voldoende ruimte voor de joodse zusters en was bereid hen onderduik te verschaffen op Torenlaan 27.

Dat leek gewaagd, want de verhurende broer stond in Zeist te boek als lid van de NSB. In elk geval waren de onderduikgevers erg voorzichtig.

Die voorzichtigheid had, behalve op henzelf, ook grote impact op hun zoontje Jan (Driebergen-Rijsenburg, 3 november 1934). In de leeftijd van 8-10 jaar werd het jongetje op het hart gedrukt dat hij zijn mond moest houden over wat er in huis gebeurde. Tegelijkertijd had men liever dat hij buiten speelde, zodat hij niet te veel meekreeg van de onderduiksituatie. Als zijn moeder voor het gezin naar de gaarkeuken ging, moest hij apart voor de onderduiksters daarnaartoe. Dat moest dan strikt gescheiden gebeuren. Gelijktijdig terugkomen, mocht pertinent niet, want dan zouden de mensen zien dat er dubbel gehaald werd voor het driepersoons gezin. Een aspect van onderduik geven, dat na de bevrijding weinig aandacht heeft gekregen, dat is de betrokkenheid van minderjarige kinderen van onderduikgevers. Op een leeftijd waarop kinderen onbevangen moeten kunnen zijn, werd er op hen een grote druk gelegd. Dat leek wel het geval bij Jan Aartsen. Een oorlogstrauma is misschien wat veel gezegd, maar aan de toch al beladen bezettingsjaren hield hij wel ‘wat’ over. Hij was en bleef zwijgzaam over die voor hem zo beladen periode, een man van weinig woorden.

En alle voorzichtigheid ten spijt waren er – zoals vaker het geval was – uiteindelijk meer personen op de hoogte geweest van de onderduiksituatie. Dat bleek meteen na de bevrijding al. Alie Aartsen-Eerland leende in de Openbare bibliotheek aan de Hogeweg boeken voor de onderduiksters. Daar moesten die boeken opgezocht worden in een papieren catalogus, waarna de bibliothecaresse ze uit de kast haalde en overhandigde aan de lener. De eerste keer na de bevrijding, toen Alie Aartsen-Eerland boeken inleverde, feliciteerde de bibliothecaresse haar er mee dat ze de bezetting met joodse onderduikers goed doorgekomen was. Blijkbaar had ze dat gemerkt aan het genre boeken dat geleend was. Alie Aartsen-Eerland stortte ter plekke in, toen ze besefte welk risico zij en haar gezin gelopen had.

Wanneer de zusters Van Oss op Torenlaan 27 waren gekomen, is niet bekend. Bertha van Oss was, waarschijnlijk vrij spoedig daarna, ondergebracht bij de ouders van Hendrik en Alie Eerland, in Apeldoorn. Haar zusters Riek en Tilly overleefden de bezetting op Torenlaan 27 overleefd. Na de bevrijding bleek overigens dat er een nicht van hen ondergedoken had gezeten in een woning aan de Verlengde Slotlaan.

Volgens Wout Aartsen junior hadden de onderduiksters een belangrijke culturele invloed gehad op zijn ouderlijke gezin. Na de bevrijding stapten zijn ouders bijvoorbeeld over naar de vrijzinnige Nederlandse Protestanten Bond aan de Kerkweg.

Riek en Tilly van Oss hadden hun onderduikgevers uit eigen beweging pensionkosten betaald voor de tijd die ze doorbrachten op Torenlaan 27. Ze waren zeer dankbaar en uitten dat ook. Bijvoorbeeld met een kostbaar ingelijst antiek borduursel, en vooral hielpen ze Wout Aartsen aan een startkapitaal om zelfstandig een eigen bedrijf te beginnen, de firma W. Aartsen & Co. Het zou een goed lopend bedrijf worden, met zo’n 30 werknemers.

Er bleef dus in de naoorlogse jaren goed contact tussen de dames Van Oss en het voormalige onderduikgezin. Het echtpaar Aartsen-Eerland ging regelmatig op bezoek in Apeldoorn. Dat werd minder toen Wout Aartsen ziek werd en in 1957 overleed aan longkanker.

Tilly van Oss was hem een dikke drie maanden voorgegaan, Bertha stierf in 1958 en Riek als laatste in 1962, 91 jaar oud. Ze werden begraven op de joodse begraafplaats in Apeldoorn. De familie plaatste sobere advertenties, waarin met geen woord over de oorlogsjaren werd gerept. ‘Aan huis geen bezoek. Geen toespraken. Geen bloemen.’

Bronnen:

  • Mededelingen van Wout Aartsen junior
  • ITS Arolsen, digitale collecties, geen Joodse Raad-kaarten voor Bertha R. van Oss, Rica A.E. en Mathilde L. van Oss
  • Wikipedia, Salomon Frederik van Oss
  • www.joodserfgoeddenhaag.nl, informatie over Salomon Frederik van Oss (1868-1949), bankier en oprichter van de Haagsche post
  • www.bhic.nl, informatie over Salomon Frederik van Oss, 1868-1949, handelaar en journalist
  • Veel andere biografische beschrijvingen van Salomon Frederik van Oss
  • www.hdc.vu.nl, ‘Predikanten die joden hielpen’ -> Hendrik Willem Eerland)
  • Dagboek Grietje Eerland-Ploeg, 14 (verkregen via Wout Aartsen)
  • Salomon van Son, ‘Report of my happy memories of the Van Oss family’ (ongedateerd, kopie in bezit van de auteurs)

1. De Torenlaan anno 2020, met links het huidge nummer 27

2. Marcus van Oss

3. Advertentie voor Rosenzweigs closetpapier in Het Nieuws van den Dag 19 juni 1886

4. Overlijdensadvertentie van de weduwe R. van Os-van Oss in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 20 mei 1910

5. Het gezin van Salomon Frederik en Winifred Agnes Davidson-van Oss

6. ‘Necrologie van S.F. van Oss’ in de Nieuwe Apeldoornsche courant van 1 februari 1949

7. Bericht in de Nieuwe Apeldoornsche Courant van 30 april 1936 aan clientèle over de definitieve sluiting van het winkelbedrijf

8. Grietje en Henk Eerland-Ploeg op 11 januari 1938

9. De zusters Riek (links), Tilly (midden)en Bertha van Oss (rechts)

10. Het voormalige onderduikgezin Aartsen in 1953

11. Overlijdensadvertentie van Rica van Oss op 12 november 1962

12. Bedanktekst van de dames Van Oss op het geschonken, antieke borduursel