Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 497-499; aangevuld)

Onderduikers:

  • Maurice Monas (Amsterdam, 1923)
  • broer Israël Monas (Amsterdam, 28 mei 1925 – overleden in de VS)

Onderduikgevers:

  • Petrus Bertinus Busschbach, controleur metaalwarenfabriek (1901-1974), en
  • echtgenote Hendrika Busschbach-Verhoeven (7 maart 1902 – 23 mei 1987)

Vijf kinderen (1927, 1929, 1932, 1937 en 1942)

Marcus en Schoontje Monas-Walvisch werken in de diamantindustrie, waardoor ze aanvankelijk vrijstelling van deportatie zouden hebben gehad. Die Sperr is aannemelijk, maar staat niet aangetekend op hun Joodse Raad-kaarten. Als die vrijstelling vervalt, heeft het gezin Monas-Walvisch geluk. De mannen die hen komen arresteren, gaan eerst naar hun vorige adres en de vroegere buren waarschuwen hen.

Een oom, tante en neef zijn dan al ondergedoken, en hebben gezegd dat het echtpaar Monas-Walvisch een bepaalde contactpersoon moet bellen als ze willen onderduiken. Dat doen ze, en in afwachting van een onderduikplaats splitst het gezin alvast op – de ouders blijven bij elkaar – en verbergen ze zich bij vrienden. Na een paar dagen worden Marcus en Schoontje Monas-Walvisch door onderwijzer Jan Gerrit Rietberg naar Zeist gehaald en hun beide zoons Maurice en Israël volgen al gauw.

Het echtpaar Monas-Walvisch blijft bij het echtpaar Rietberg-Kroes, op Dalweg 38, afgezien van incidentele uitwijk. De beide zoons worden naar Tollenslaan 17 gebracht door Jan Gerrit Rietberg, met het verzoek om ze 14 dagen te huisvesten. Dat zal wat langer worden …

Op Tollenslaan 17 woont het echtpaar Piet en Hendrika Busschbach-Verhoeven met hun vijf kinderen, waarvan de jongste in 1942 wordt geboren. Het gezin is gereformeerd en bezoekt de Noorderkerk aan de Bergweg. Ze hebben het niet breed. Toch neemt het echtpaar de twee joodse jongens in huis. Ze zijn dan in de leeftijd van 18-20 jaar.

Gerrit Jan Rietberg blijft wel betrokken bij de onderduik van de zoons van zijn eigen onderduikers. Hij is een liefhebber van modelbotenbouw, maar heeft daar geen tijd meer voor. Op zeker moment brengt hij een onaf exemplaar met gereedschap bij Maurice Monas. Het is een schot in de roos. Maurice Monas maakt de boot af, bij wijze van tijdsbesteding, en houdt er een levenslange hobby aan over. Eerder hebben zijn broer en hij al borduren geleerd. Het leven is voor onderduikers zonder zulke bezigheden ondragelijk.

Maurice wordt Henk genoemd. Israël Jaap en dat zal zijn naam blijven voor de rest van zijn leven. Jaap Monas wordt op zeker moment elders ondergebracht, maar broer Maurice zal de volgende twee jaren ondergedoken blijven op Tollenslaan 17, tot de bevrijding aan toe. Aanvankelijk weten de onderduikgevers niet dat Maurice Monas joods is. Ze denken dat hij wegens illegale activiteiten moet onderduiken. Maar als ze de waarheid vernemen, verandert dat niets aan hun bereidheid om hem onderduik te verschaffen.

Marcus en Schoontje Monas-Walvisch willen voor de onderduik van hun zoons betalen zolang ze dat kunnen, maar de onderduikgevers – die het allesbehalve breed hebben – weigeren elke betaling. Om aan voldoende eten te komen, gaan de dochters Nel en Ria Busschbach werken op een boerderij bij Dwarsgracht bij Giethoorn. Het verzet zorgt wel voor de nodige bonnen, vermoedelijk via onderwijzer Rietveld.

Het gezin Busschbach-Verhoeven is gereformeerd en hun dominee Jan Gillebaard bezoekt Maurice Monas af en toe, om zoals hij zegt, de moed er in te houden en hem verhalen te vertellen, maar probeert hem niet te bekeren.

De ouders van de jongens wijken soms uit naar het adres Scheeperslaan 3, waar de moeder van Hendrika woont, Maria Verhoeven-van Manen.

In 1942 is de jongste zoon van het echtpaar Busschbach-Verhoeven geboren. De ouders zijn bang dat het nakomertje de onderduikers zal verraden. Aan de overkant woont op nummer 12 een NSB’er. Maar verraad blijft uit.

Maurice en Jaap (Israël) Monas hebben een vorm van TBC. Als zoon Ton Busschbach besmet raakt, wordt bij de behandeling een fout gemaakt, waaraan hij voor de rest van zijn leven een vreemde, krakende stem overhoudt. Het helpt hem wel een keer als hij, verkleed als vrouw op voedseljacht gaat. Hij wordt gepakt, maar als hij vanwege de TBC bloed opgeeft, laten de Duitsers hem gaan.

Van 1943 tot mei 1945 moeten Maurice en Jaap (Israël) Monas binnenshuis blijven en naar hobby’s zoeken. ’s Nachts kunnen ze een paar minuten naar buiten om wat frisse lucht te ademen, maar een doorsnee dag bestaat uit zo lang mogelijk in bed blijven als hun spieren dat toestaan. De jonge Maurice Monas verstijft gaandeweg, maar als hij na de bevrijding verneemt wat anderen meegemaakt hebben, realiseren hij en zijn gezinsgenoten zich dat hun ervaringen daarbij verbleken.

Na de bevrijding blijft het echtpaar Monas-Walvisch in Zeist wonen tot in 1946.

Zoon Maurice gaat al eerder naar Amsterdam, waar hij met zijn toekomstige echtgenote weer in de diamantindustrie gaat werken. Ze trouwen in 1946, maar realiseren zich dat Amsterdam te veel pijnlijke herinneringen voor ze betekent. Zijn echtgenote heeft haar hele familie verloren aan de Holocaust, uitgezonderd een tante waar ze tot haar trouwen bij woont. In 1954 helpt een joodse organisatie in Parijs ze te emigreren naar de VS. In Michigan is weinig emplooi voor diamantbewerkers en Maurice Monas gaat bij General Motors werken.

In 1996 legt Maurice Monas voor het eerst een getuigenis af over de bezetting, aan een interviewster van het Holocaust Memorial Center. Opmerkelijk is dat hij in die opname met geen woord over zijn broer Jaap rept.

Ook Jaap Monas is dan al lang geleden met zijn niet-joodse echtgenote naar Amerika geëmigreerd. Er is nog steeds contact met de onderduikgevers in Zeist.

Bronnen:

  • Mededelingen van Olga Busschbach-Bonefaas en Hans Busschbach
  • ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Marcus en Schoontje Monas-Walvisch (geen Sperr op aangegeven)
  • Zie de bewezen onderduikadressen Dalweg 38 en Scheeperslaan 3, voor de onderduik van het echtpaar Monas-Walvisch
  • Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten voor Marcus en Schoontje Monas-Walvisch
  • www.holocaustcenter.org: interview op 16 januari 1996 van Dorothy Medalie met Maurice Monas, voor het Holocaust Memorial Center

1. Tollenslaan 17

2. Het echtpaar Busschbach-Verhoeven

3. Maurice Monas op latere leeftijd in Amerika