Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
Steynlaan 47 (Tijdens de bezetting Steinlaan 47)
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)
Onderduiker (?):
- Salomon de Leon (Amsterdam, 14 januari 1935 – Amsterdam, 11 september 1991)
Bewoners (= onderduikgevers):
- Willem Frederik van Milligen, drogist (Utrecht, 25 maart 1891 – Zeist, 8 maart 1968), en
- echtgenote Louise van Milligen-Woldinga (Rhenen, 24 september 1892 – Zeist, 29 oktober 1987)
Vier nog thuiswonende kinderen (1915, 1919, 1930, 1931)
Willem Frederik van Millingen en zijn (eerste) echtgenote Neeltje Barendina van Millingen-Konings vestigden zich op 24 mei 1922 met hun drie dochters in Zeist, op Steynlaan 47. Daar begon Van Milligen een drogisterij, op de hoek van de Steynlaan met de Costerlaan (een enkele keer gebruikte hij het adres Costerlaan 31). Hij was vanaf 1927 jarenlang actief in de buurtvereniging Steynlaan, als eerste penningmeester.
Het echtpaar Van Milligen-Konings kreeg in Zeist nog twee zoons, waarvan er eentje in 1928 doodgeboren werd. Op 14 oktober 1930 werd Willem van Milligen weduwnaar, een dikke twee maanden na de geboorte van zoon Willem Frederik junior. Hij was toen op de dag af 16 jaar getrouwd geweest met Neeltje Konings uit Veenendaal, die op 38-jarige leeftijd in Amsterdam was overleden. Van Milligen (40) hertrouwde negeneneenhalve maand later in Veenendaal met Louise Woldinga (38). Met zijn tweede echtgenote kreeg hij in 1931 nog een vierde dochter. In dat jaar gaf hij ook opdracht om de voorgevel van zijn pand te veranderen. Anno 2026 is op nummer 47 een erotisch warenhuis gevestigd, maar voor en tijdens de bezetting was Steynlaan 47 het pand op de hoek van de Steynlaan met de Costerlaan.
Van Milligen begon in 1937 eerst een filiaal op Panweg 5a, maar dat bestond vermoedelijk vrij kort. Toch zouden minstens drie van zijn vijf kinderen, al dan niet tijdelijk, ook in de drogisterij actief worden. Zijn dochters Lien (Carolina Theodora) en Willy (Willemina Frederika) zouden het drogisterijdiploma halen, en Willy en zoon Willem junior zouden na de oorlog elk een drogisterij in Zeist exploiteren.
Tijdens de bezetting ontpopte Willem van Milligen senior zich als zeer actieve illegaal werker en jodenhelper. Hij was een van de socialisten in het netwerk van de leidende illegaal werker en jodenhelper Anton Lingeman op Acaciaweg 2a. Ook werkte Van Milligen nauw samen met het Utrechts Kindercomité (UKC).
Zijn oudste dochter Cor (1915) was koerierster voor Lingeman en was als medewerkster van het distributiebureau betrokken bij fraude met bonkaarten. Dat kwam bijna aan het licht toen de beruchte NSB-politieman Evert Drost tijdens Pinksteren 1943 een man met een vals persoonsbewijs verhoorde op het politiebureau. Volgens de man had hij dat document van Van Milligens dochter Cor gekregen. Die werd prompt ook gearresteerd, maar werd wegens het ontbreken van bewijs na een nacht in de cel weer vrijgelaten.
Een bijzondere actie ondernam Willem van Milligen samen met slager Willem Pos die ook een zaak op de Steynlaan had op zondag 11 juli 1943. Van Milligen had een driejarig joods jongetje ondergebracht bij de winkelierster Johanna Lanclé op Kritzingerlaan 26. Blijkbaar werd dat verraden. Na drie weken, op zaterdag 10 juli 1943, werd onderduikgeefster Lanclé na een huiszoeking met het onderduikertje gearresteerd door diezelfde NSB-politieman Evert Drost. Uit het politiedagrapport voor die dag:
‘13.30 uur In passantenkamer geplaatst voor Drost Johanna Lanclé, geboren Utrecht 7-10-1891 won. Kritzingerlaan 26, die bij zich heeft een klein jongetje.
15.u. J. Lanclé heengezonden, jongetje bij Schoonhoven ondergebracht. E.C.D.’
Johanna Lanclé moest het jongetje achterlaten op het politiebureau. Hij werd ter verzorging naar het gezin van Gerard van Schoonhoven gebracht. Van Schoonhoven was de vaste ‘verzorger’ van het politiebureau. Hij en zijn echtgenote moesten die nacht voor het jongetje zorgen.
De tuin van het echtpaar werd het ‘Schoonhovenveldje’ genoemd. Vanaf de Walkartweg was er een pad dat via het veldje naar het politiebureau liep. Dit pad werd gebruikt om dronken mensen naar het politiebureau te brengen, hetgeen soms met veel geweld gepaard ging. Op zondagmorgen werd het jongetje vanwege het prachtige zomerweer door agent Willem Otto te spelen gezet op het ‘Schoonhovenveldje’.
Bij de arrestatie van het jongetje was al ruzie ontstaan tussen Drost en de overige dienstdoende agenten. De Zeister afdeling van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) werd geïnformeerd. Illegaal werkers hadden de sleutel weten te bemachtigen van de brandweerkazerne, waarvan het terrein aan dat van het politiebureau grensde. Slager Pos en drogist Van Milligen haalden het jongetje weg van het veldje. De dienstdoende agenten hadden zogenaamd niets gezien. Het kind was angstig, en wilde eerst niet mee, maar werd toch onder een cape meegenomen.
Het jongetje werd door Van Milligen eerst ondergebracht in Driebergen, maar daar waren zoveel politie-invallen, dat hij het kind in maart 1944 overplaatste naar een onderduikadres in De Bilt. Daar bleef het jongetje tot de bevrijding.
Van Milligen hielp in september 1943 ook, toen twee studentes hem om raad vroegen. Ze hadden een Portugees-joods jongetje (1940) in huis genomen. Diens ouders hadden het kind aan een vrouwelijk familielid van vaderskant toevertrouwd, voordat ze tijdens de grote razzia op 20 juni 1943 gearresteerd zouden worden (en vier weken later vermoord in Sobibor). Het – zwijgzame – jongetje had langs een paar adressen gezworven en zag er verwaarloosd en slecht gekleed uit. Auteur Bert Jan Flim citeert uit het naoorlogse rapport van Oorlogspleegkinderen (OPK) voor de reactie van Van Milligen: ‘De heer van Milligen had zelf reeds verschillende onderduikers in huis. Het was hem onmogelijk om ‘Rudi’ er nog bij te nemen. Hij zei: “Mijn familie op De Klomp (bij Ede) is er goed voor.” Het jongetje werd inderdaad ondergebracht bij de familie van Van Milligen. Hij kreeg de valse naam ‘Bob Minkhorst’. De onderduik pakte goed uit en na de bevrijding zou het jongetje bij zijn onderduikfamilie blijven.
Namen van de beide jongetjes of van joodse onderduikers in huize Van Milligen zijn niet bekend. Wel werd na de bevrijding Salomon de Leon (‘Klaas de Leeuw’ tijdens zijn onderduik in Zeist) op 15 september 1945 in het Zeister bevolkingsregister geregistreerd op Steynlaan 47. Deze 6-jarige jongen, geboren op 14 januari 1939, was enig kind van ouders die inmiddels vermoord waren. Hij vertrok op 21 januari 1946 naar Maartensdijk.
Na de bevrijding werd Willem van Millingen penningmeester van Stichting 1940-1945 in Zeist. Volgens een bericht in de Zeister Post van 3 oktober 1945 was er in Zeist al een bedrag van 91.655,55 gulden ingezameld voor de stichting (qua koopkracht vergelijkbaar met bijna €679.000 anno 2025).
Bronnen:
- Annemiek Bal, ‘Het Zeister Verzet’, 58, 74 en 75
- Bert Jan Flim, ‘De verborgen generatie’, Amphora Books, 2025, 242-244 en 380
- Gemeente Zeist, oud bevolkingsregister
- Geheugen van Zeist, oude kranten
- Zie ook de bewezen onderduikadressen Acacialaan 2a en Kritzingerlaan 26
1. Steynlaan 47, in vroeger tijden
2. De overlijdensadvertentie in De Zeister Courant van 15 januari 1930 van de eerste echtgenote van Willem van Milligen
3. Gezinskaart voorzijde
4. Gezinskaart achterzijde
5. Advertentie in De Zeister Courant van 20 juli 1940
6. NSB-politiemanEvert Drost
7. De Joodse Raad-kaart voor Wolf de Leon
8. De valse registratie van Salomon de Leon in het bevolkingsregister van Zeist kopie







