Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie pagina’s 326-328 van het Onderduikboek)
Onderduikers:
- Renée Sara Hollaender-Roth, gehuwd (Hodonin, Tsjecho-Slowakije, 23 mei 1906 – Rotterdam, 28 november 1994)
- dochter Erika (Praag, januari 1930
Onderduikgevers:
- Ludwig Kurt Selowsky, juridisch adviseur (Berlijn, 25 augustus 1893), en
- echtgenote Auguste Charlotte Selowsky-Liedermann, voormalig actrice (Wenen, 11 mei 1903)
Op 13 april 1943 wordt het echtpaar Hollaender-Roth in Driebergen door de politieman Samuel Esmeijer gewaarschuwd dat hun vrijstelling vervallen is. Ze moeten onderduiken. Georg Hollaender duikt onder in Zeist. Zijn vrouw Renée en hun 13-jarige dochter Erika verstoppen zich ’s avonds en ‘nachts bij de buren, waar ze vanaf de zolder horen dat er inderdaad politiemensen – vergeefs – komen om hen op te halen.
De volgende morgen lopen ze – zonder ster – de vijf kilometer naar Zeist, waar ze aankloppen op Driebergseweg 3 bij hun joodse kennis Ludwig Kurt Selowsky en diens niet-joodse echtgenote, een voormalige Weense actrice. Van de pensionhouder mogen ze hooguit 1-2 nachten blijven vanwege het gevaar dat ze met zich meebrengen. Omdat Selowsky zelf ook ‘voljoods’ is, kan immers elk moment controle plaatsvinden. Gelukkig komt de verzetsman Esmeijer ze de volgende dag ophalen.
Kurt Selowsky, rechtskundig adviseur van beroep, zal op zeker moment zelf moeten onderduiken. Als gemengd gehuwde jood komt hij (nog) niet in aanmerking voor deportatie, mits hij zich aan de voor hem geldende anti-joodse maatregelen houdt. Dat doet hij niet. Hij probeert andere vervolgden te helpen.
In 1944 zoekt hij contact met Rudolf Pollak, een gemengd gehuwde joodse Tsjech in Amsterdam, die tegen forse betalingen vergunningen en ariër-verklaringen regelt. Deze ritselaar heeft zichzelf tot ‘half-jood’ weten laten te verklaren en kan daarom zonder ster over straat. Kurt Selowsky vraagt Rudolf Pollak of hij een ariër-verklaring kan bewerkstelligen bij het Bureau-Calmeyer voor een joodse kennis. Hij bezoekt Pollak meerdere keren en leert zo ook diens echtgenote kennen, Amalie Pollak-Bauckhage.
Op 23 maart 1944 wordt het echtpaar Rudolf en Amalie Pollak-Bauckhage echter gearresteerd. De vrouw verraadt meteen een ondergedoken joods echtpaar, volgens een latere verklaring van haar om tijd te winnen en de meeste anderen te sparen. Haar echtgenoot gaat een stap verder en verklaart zich bereid om voor de Sicherheitspolizei te gaan werken. Als ‘Kriminalkommissar Müller’ gaat hij voor het tijdelijk naar Velp verplaatste Judenreferat IV B 4 van de Sicherheitspolizei werken. Mensen die in die periode met hem te maken krijgen, omschrijven hem als een klein dikkig mannetje, zwart geplakt haar met de scheiding in het midden, een fijn zwart snorretje, vals loerende ogen of een zonnebril en een lange ivoren sigarettenpijp. Tekenaar-schrijver Marten Toonder zal ‘Müller’ later omschrijven als een soort Mexicaanse roverhoofdman.
De arrestatie van Rudolf Pollak is gevaarlijk voor Kurt Selowsky – er kan belastend materiaal gevonden worden – en die is ook onmiddellijk zelf ondergedoken nadat hij erover gehoord heeft. Als er niets gebeurt, komt hij na weken terug in zijn pension op Driebergseweg 3 in Zeist. Maar dan komt er begin mei opeens een telegram: ‘Het wordt u aanbevolen, onmiddellijk met vacantie te gaan, zooals de dokter het u heeft gezegd.’ Er staat geen afzender onder, maar Kurt Selowsky denkt dat deze waarschuwing om te onderduiken afkomstig is van Rudolf Pollak, diens echtgenote of een boodschapper.
Kurt Selowsky duikt meteen weer onder – waar is niet bekend – en haalt zo de bevrijding. Rudolf Pollak niet. Op vrijdag 17 november 1944 schieten twee KP-leden hem neer in Amsterdam. De verrader overlijdt een dag later aan de gevolgen.
Kurt Selowsky hoort later van een andere pensiongast dat Amalie Pollak-Bauckhage aan het pension op Driebergseweg 3 geïnformeerd had of hij een telegram had ontvangen en of hij dit wel direct had vernietigd. Na de bevrijding bevestigt de weduwe Pollak-Bauckhage bij verhoor door de politieke recherche, dat zij degene was, die het telegram naar Kurt Selowsky had gestuurd, in een poging om de schade van het verraad nog enigszins te beperken.
De naar Den Haag verhuisde Kurt Selowsky vervult na de bevrijding een belangrijke rol bij het Nederlandse Rode Kruis. Hij doet in 1947 met twee andere medewerkers van het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis een onderzoek naar het aantal Nederlandse Holocaust-slachtoffers, en schrijft ‘Het dodenboek van Auschwitz’. Tien jaar later emigreert hij naar Australië.
Bronnen:
- ‘Family memories’ van Georg Hollaender, Renée Sara Hollaender-Roth en Erika Maurer-Hollaender (collections-ushmm.org)
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, inventarisnummer 253, H.J. Verbaan, en/of inventarisnummers 98586-772 en 260, H. Westerdijk (Rudolf Pollak)
- Sytze van der Zee, ‘Vogelvrij’, 384-390 (over Rudolf Pollak)
- www.delpher.nl (Zie bijvoorbeeld Trouw van 22 september 1947, ‘Het dodenboek van Auschwitz, Sombere balans der nazi-terreur’)
- Zie de bewezen onderduikadressen Acacialaan 2, Berkenlaan 42 en Lindenlaan 7, voor de onderduik van Georg en Renée Sara Hollaender-Roth en Erika Hollaender


