Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie pagina’s 480-482 van het Onderduikboek)
Onderduiker:
- Morris Henri Sajet, tijdens de onderduikperiode gescheiden, chef-monteur (New York, 5 juli 1904)
Vals geregistreerd op dit adres:
- Louis Abraham Levie, gehuwd, slager (Bennekom – Ede, 13 juni 1890 – ????)
Onderduikgevers:
- John George Roby, drogist (Zeist, 2 oktober 1914 – Driebergen-Rijsenburg, 21 augustus 1987), en
- echtgenote Frederika Johanna Roby-van Daalen, (Den Haag, 17 januari 1917).
Tijdens de bezetting geen kinderen
Op Slotlaan 31/33 wordt op 13 februari 1943 Louis Abraham Levie vals geregistreerd, onder de naam ‘Louis Abraham ‘Levée’, met het juiste adres (Snipstraat 12 in Utrecht), de juiste geboortedatum en -plaats en de juiste gegevens voor zijn joodse echtgenote Jenny Schall (Berlijn, 4 juli 1892), maar met andere namen voor zijn ouders Abraham Levie (‘Gerardus Antonius Levée’) en Lientje Polak (‘Petronella Voet’).
Van het echtpaar Levie-Schall en hun dochter Rosalie (5 december 1927) is weinig bekend. Levie vertrok in 1916 vanuit Amsterdam naar Duitsland, keerde in 1919 terug uit Hamburg en vestigde zich volgens een onduidelijke bron in 1921 in Berlijn. Daar trouwde hij Jenny Schall uit die stad. In 1933 – het jaar waarin Hitler de macht greep – vestigde hij zich in Utrecht.
Of hij tijdens de bezetting werkelijk in Zeist onderduikt, is nog niet bevestigd. In 1958 zou hij van Utrecht naar Berlijn vertrekken, waar hij vanaf 1967 in een verzorgingshuis zou verblijven.
Wel vast staat de onderduik van Morris Sajet op Slotlaan 31. Zijn komaf is beslist internationaal van aard. Hij is in New York geboren uit het huwelijk van een Belgische vader en een Engelse moeder. Zijn ouders zaten in het diamantvak en togen daarom indertijd naar New York, waar de branche floreerde. Omdat ze ten tijde van de geboorte van zoon Morris elk nog de Nederlandse nationaliteit hadden, heeft hij zelf zowel de Nederlandse als de Amerikaanse nationaliteit.
Hij is in 1931 in Zeist getrouwd, en werkt als chef-monteur bij een bekende zaak op het gebied van kantoormachines in zijn woonplaats Amsterdam,
Het Yad Vashem-reddingsverhaal over de onderduik van Morris Sajet (New York 1904), is merkwaardig. Vertaald:
‘Op 12 augustus 1942, enkele dagen nadat de Duitsers de moeder van Morris Sajet hadden gedeporteerd, kwam mevrouw Jansen op bezoek bij Morris in Amsterdam. Tijdens dat bezoek ging de deurbel en werd er door een Duitser geroepen: “Inspectie!” Terwijl zijn achtervolgers de trap op kwamen, verstopte Morris zich op zolder. Mevrouw Jansen vertelde de Duitsers dat Morris niet thuis was, en toen zij op zolder wilden gaan kijken, zei ze dat er niemand boven woonde. De Duitsers zeiden dat ze om drie uur terug zouden komen en dat mevrouw Jansen ervoor moest zorgen dat Morris dan thuis was. Een kwartier nadat de Duitsers vertrokken waren gaf Morris mevrouw Jansen het adres van een vriend van hem, de heer Zanders, die in een andere wijk in Amsterdam woonde, en zei tegen haar dat hij zich daar de rest van de dag zou verschuilen. Diezelfd avond is mevrouw Jansen naar de familie Zanders gegaan en heeft tegen Morris gezegd: “Als het donker is zal ik met je meegaan naar Zeist, waar ik een goed schuiladres voor je weet.” Rond elf uur die avond werd Morris naar het huis van John en Frederica (Frida) Roby gebracht, die J.F. Althuis al in huis verborgen, een vriend die uit een trein gesprongen was op weg naar een werkkamp in Duitsland. De Roby’s waren bereid om ook Morris bij te laten onderduiken.’
Het adres Slotlaan 31 in Zeist waar Morris Sajet in augustus 1942 naar toe gebracht wordt, is hem maar al te goed bekend. Hij is namelijk in 1931 getrouwd met Grada Roby, een zuster van John Roby junior die op bedoeld adres in 1940 de drogisterij van zijn vader heeft overgenomen. Met andere woorden, Morris Sajet duikt onder bij zijn zwager en schoonzuster John en Frida Roby-van Daalen.
Het is overigens de vraag waarom/of de Duitsers in augustus 1942 werkelijk op zoek zijn naar Morris Sajet, want hij loopt vanwege zijn gemengde huwelijk geen acuut deportatiegevaar. Dat ligt anders na 25 mei 1943, wanneer in Zeist de scheiding wordt uitgesproken tussen hem en Grada Roby. Vanaf dat moment moet hij vrezen voor zijn leven.
Omdat er in de buurt regelmatig en onverwacht huiszoekingen worden verricht, bouwen de Roby’s een schuilplaats in een kast en leggen zij een stil alarmsysteem aan om de onderduikers te kunnen waarschuwen. Op zeker moment blijkt de onderduiksituatie verklikt te zijn. John Roby brengt dan uit veiligheidsoverwegingen Morris Sajet, ’s nachts naar een adres in Driebergen. Na vijf maanden kan Morris weer terugkeren naar de woning van zijn voormalige zwager. De verzorging van een onderduiker wordt extra problematisch tijdens de Hongerwinter. Zoals zoveel vrouwen moet Frida Roby-van Daalen dan voedseltochten ondernemen, op haar fiets met houten banden. Ze rijdt geregeld op en neer naar Overijssel.
Morris Sajet overleeft de bezetting. Na de bevrijding verneemt hij dat zijn moeder Mary Ann Sajet-Mug al op 7 december 1942 vermoord is (zijn vader was al ruim voor de bezetting overleden.) Hij blijft tot half april 1946 op Slotlaan 31 wonen, voordat hij terugkeert naar zijn Amsterdamse woning. Ondanks de scheiding in 1943 van zijn echtgenote blijft de relatie met het echtpaar Roby-van Daalen goed.
– 0 – 0 – 0 –
Morris Sajet hertrouwt in 1954 met een blinde vrouw. In 1962 publiceerde het dagblad Trouw een uitgebreid interview met hem, onder de titel ‘MORRIS SAJET: virtuoos op de “zaag”’. Daarin vertelt hij over zijn leven, maar demonstreert hij vooral zijn vaardigheid met de zingende zaag. Tijdens de bezetting was er weinig gelegenheid geweest om muziek te maken op de zaag, maar heeft hij er, met valse papieren en vermomd, bomen mee omgezaagd om aan brandstof te komen.
Op 15 september 1991 worden John junior en Frida Roby-van Daalen door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren.
Vijf jaar later, op 25 oktober 1996, vertelt Frida uitgebreid over de onderduik aan een medewerker van het United States Holocaust Memorial Museum.
Bronnen:
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Louis Abraham Levée
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, oud bevolkingsregister
- tel.archives-ouvertes.fr/tel-02895372v1/html_references
- Reddingsverhaal Yad Vashem voor John junior en Frida Roby-van Daalen
- Trouw van 8 juni 1962, ‘Morris Sajet: virtuoos op de “zaag”’
- Niet geraadpleegd (niet digitaal beschikbaar): interview met Frederika Roby (collections.ushmm.org)




