Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 408-409; uitgebreid aangevuld)
Onderduikers:
- Emil Landecker (München-Duitsland, 12 december 1876 – Los Angeles-Verenigde Staten, 22 november 1957)
- echtgenote Fanni Landecker-Cohen (Mönchengladbach-Duitsland, 29 november 1888 – Los Angeles-Verenigde Staten, 14 december 1967)
Onderduikgevers:
- Hendrik Polman, kleermaker (Zeist, 9 november 1890 – Zeist, 14 december 1964), en
- echtgenote Hendrika Polman-van Slooten, (Nijkerk, 24 september 1895 – Zeist, 9 december 1963)
Tijdens de bezetting drie kinderen (1918, 1926-1926)
In de hoop dat ze uiteindelijk naar de Verenigde Staten zouden kunnen emigreren, vlucht het echtpaar dr. Emil en Fanni Landecker-Cohen met hun twee kinderen in april 1936 van München naar Heemstede. Daar voegen de moeder en zuster van Fanni zich bij hen, de weduwen Marta Cohen-Simon en Anna Hecht-Cohen. Dochter Eva Selma (1914) en zoon Fred Klaus (1919) slagen er in februari 1937 in om door te reizen naar de VS, maar hun ouders zitten nog vast in Nederland als de Duitsers daar binnenvallen.
In het najaar van 1940 krijgt ook het echtpaar Landecker-Cohen bevel om de kuststreek te verlaten. Ze verhuizen op 18 oktober 1940 met Fanni’s moeder en zuster naar Zeist, eerst naar Professor Lorentzlaan 12 en later naar Graaf Janlaan 27.
Lang wordt ze geen rust gegund, want op 1 september 1942 moeten ze alle vier naar Amsterdam, waar Emil Landecker medewerker van de Joodse raad wordt. Als zijn vroegere werkkring wordt genoteerd: ‘Rechtsanwalt Justizrat München’. Een belangrijke functie en daarom wordt hij, ondanks dat hij hartpatiënt is, benoemd tot lid van de evacuatiecommissie. In verband met die functie krijgt hij een voorlopige vrijstelling van deportatie, een zogenaamde Sperr. Zijn echtgenote, die daarmee ook voorlopig veilig lijkt, houdt zich bezig met pastorale werken.
Marta Cohen-Simon en Anna Hecht-Cohen worden ondergebracht in Rusthuis Stibbe op Amstellaan 178 I. Daar worden ze onverwacht weggehaald en op 18 januari 1943 geïnterneerd in Kamp Westerbork.
Marta Cohen-Simon is ziek en wordt daarom ondergebracht in de ziekenbarak. Haar dochter Anna bekommert zich om haar en haar dochter Fanni informeert ook naar haar gezondheidstoestand. Er wordt veel moeite gedaan om de oude vrouw vrij te krijgen, en naar Palestina te laten emigreren, maar op 16 maart 1943 sterft ze, 85 jaar oud. De volgende dag verstuurt dochter Anna vanuit het kamp een bericht naar het echtpaar Landecker-Cohen: ‘Mutter sanft entschlafen’. Weer een dag later wordt het lichaam van de overledene gecremeerd. De urn met as wordt bijgezet op de joodse begraafplaats in Diemen, in veld U, rij 4, graf nr. 15.
Haar dochter belandt begin april zelf ook in de ziekenhuisbarak 85, maar wordt op 24 augustus gedeporteerd naar Auschwitz, twee dagen na haar 68e verjaardag.
Of het echtpaar Landecker-Cohen dat allemaal nog meekrijgt, is de vraag. Ze nemen op zeker moment contact op met illegaal werkers die hen voorzien van een vals persoonsbewijs op naam van ‘Van Zuylen’. In april 1943 worden ze onder die naam ondergebracht bij het gezin Polman-van Slooten in hun voormalige woonplaats Zeist, tien huizen verwijderd van hun eerste adres in Zeist.
Geboren Zeistenaar Hendrik Polman is in 1922 getrouwd met Hendrika van Slooten die na een huwelijk van vijf jaar gescheiden was. Ze heeft twee kleine kinderen. Polman werkt als kleermaker. Zoals relatief veel plaatsgenoten vullen hij en zijn echtgenote hun inkomen aan door af en toe kamers te verhuren. Eerder hebben ze bijvoorbeeld kamers verhuurd aan de joodse Ida Betsy Adèle Dreyfus-Dreyfuss en haar dochtertje Liliane Laure. Deze werden in 1942 door de politie gezocht, maar zijn tijdig elders ondergedoken (met uiteindelijk dramatische gevolgen).
Het echtpaar Landecker-Cohen krijgt op Professor Lorentzlaan 34 twee kamers tot hun beschikking. Ze betalen daarvoor een kleine onkostenvergoeding, totdat hun geld op is.
De onderduikgevers hebben nog twee thuiswonende dochters in de tienerleeftijd. De 17-jarige Loukie is betrokken bij de illegale informatievoorziening in Zeist en de in Amsterdam wonende derde dochter Jane doet daar aan illegaal werk. De zoon en dochter uit het eerste huwelijk van Hendrika Polman-van Slooten zijn blijkbaar al de deur uit.
De onderduikers moeten binnen blijven, om te voorkomen dat de buren achterdocht krijgen. Een enkele keer maakt Hendrik Polman in het donker een wandelingetje met hen.
Vlak achter de woning van de Polmans ligt een Duits legerkamp (in het Bisonpark?), zodat er altijd soldaten in de buurt zijn. Eens wordt er ’s morgens vroeg een huiszoeking gedaan, maar de Polmans blijven er rustig onder en de onderduikers worden niet ontdekt. Aan de overkant, op de hoek van de Professor Lorentzlaan en de Boslaan, verblijven ook Duitsers in hotel Boschlust, waar te allen tijde een bewaker voor de deur staat. Op een gegeven ogenblik worden er Oostenrijkse soldaten ingekwartierd in het huis van de Polmans. Ze slapen in de kamer naast die van de Landeckers.
Begin oktober 1944 krijgt dochter Eva Selma Landecker schriftelijke toestemming om haar ouders naar de VS te laten komen, maar dat is dan niet mogelijk. Emil en Fanni Landecker-Cohen blijven ondergedoken op Professor Lorentzlaan 34 tot het eind van de bezetting. Illegaal werkers zorgen voor extra voedselbonnen voor de onderduikers, maar tijdens de Hongerwinter van 1944-’45 deelt het gezin Polman-van Slooten hun karige rantsoen met hun onderduikers.
Na de oorlog wordt duidelijk dat Anna Hecht-Cohen op de dag van aankomst in Auschwitz vermoord is, op 27 augustus 1943, 68 jaar oud. In Zeist zullen Marta Cohen-Simon en haar dochter Anna Hecht-Simon herdacht worden. Op het Holocaustmonument in Zeist staan hun namen vermeld.
Oorlogsleed blijft de onderduikgevers ook niet bespaard. Op 13 september 1945 krijgt Hendrika Polman-van Slooten het bericht dat het oudste kind uit haar eerdere huwelijk, en haar enige zoon, Carel Derk van Kuyk, in krijgsgevangenschap in Thailand overleden is, 28 jaar oud.
Emil en Fanni Landecker-Cohen blijven nog een jaar op Professor Lorentzlaan 34 wonen, tot hun emigratiepapieren in orde zijn en ook zij naar de VS en hun kinderen kunnen vertrekken. Zij houden na hun vertrek uit Nederland contact met hun voormalige onderduikgevers.
Op 10 maart 1992, bijna 30 jaar na hun dood, worden Hendrik en Hendrika Polman-van Slooten door Yad Vashem postuum erkend als Rechtvaardigen onder Volkeren.
Omdat Professor Lorentzlaan 34 het laatste woonadres geweest is van de Holocaust-slachtoffers Ida Betsy Adele Dreyfus-Dreyfuss en haar dochtertje Liliane Laure, worden op 20 mei 2026 drie struikelstenen onthuld nabij het adres. Een extra steen is voor Ida’s in onderduik in Utrecht geboren zoontje Robert.
Bronnen:
- Reddingsverhaal Yad Vashem voor Hendrik en Hendrika Polman-van Slooten
- Lorentzlaan 34 was ook het pensionadres van Ida Betsy Adéle Dreyfus-Dreyfuss en dochtertje Liliane Laure (zie Oranje Nassaulaan 71, kindertehuis Zonneschijn)
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Emil en Fanni Landecker-Cohen, Marta Cohen-Simon en Anna Hecht-Cohen
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten voor Emil en Fanni Landecker-Cohen, Marta Cohen-Simon en Anna Hecht-Cohen
- www.joodsmonument.nl, Marta Cohen-Simon en Anna Hecht-Cohen
- www.fdrlibrary.marist.edu, brief van 5 oktober 1944: toestemming om naar de VS te komen



