Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 544-551)

Onderduikstertjes:

  • Ans Ellen Emmering (Amsterdam, 13 oktober 1930 – Chaville (Hauts de Seine) – Frankrijk, 16 april 2018)
  • zusje Henriette Gaja Emmering (Amsterdam, 20 april 1933)

Onderduikgeefster:

  • Elizabeth Hendrika Johanna ten Broek-Knetemann, gehuwd (Rotterdam, 25 mei 1913 – Terneuzen, 31 december 2012)

Geen kinderen

Omstreeks 1930 wordt bij Sara ‘Zus” Emmering-Lek de ziekte van Hodgkin vastgesteld, kanker aan de lymfklieren. Die diagnose wordt gesteld na de bevalling van haar eerste kind, dochter Ans, en betekent bij de medische stand van zaken dat ze nog drie jaar te leven heeft. Zelf weet ze dat niet, maar echtgenoot Sieg Emmering is huisarts en beseft maar al te goed wat de diagnose inhoudt. Het ziekteproces vergt veel van zijn echtgenote, maar Zus geniet van haar gezin. Na haar zoon André Hertzberger, uit een eerder huwelijk, en dochter Ans krijgt ze in 1933 nog dochtertje Henriëtte Gaja. In de verdere loop van haar leven zal zij afwisselend Jetteke, Gaja, Jetteke en – na de bevrijding – weer Gaja worden genoemd.

Als de oorlogsdreiging eind jaren dertig steeds groter wordt, overweegt het echtpaar Emmering-Lek emigratie naar Amerika. Het is echter op voorhand duidelijk dat Sara niet door de vereiste medische keuring heen zal komen. Daarbij is het idee om als vluchteling in Amerika te leven niet bepaald aanlokkelijk, gelet op de ervaring met de vele joods-Duitse emigranten in Amsterdam. Tenslotte zal Nederland wel opnieuw neutraal kunnen blijven, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog, is veler hoop of gedachte.

Dan valt Duitsland op 10 mei 1940 toch Nederland binnen. In de paniek van de eerste dagen gaat het gezin Emmering-Lek met familie nog naar IJmuiden, maar tevergeefs. In de chaos die daar heerst, vallen er geen plaatsen op een boot meer te bemachtigen. Er zit niets anders op dan de ontwikkelingen af te wachten.

Al gauw komt er daarmee een einde aan een gegoed bestaan. Het echtpaar heeft zich nooit joods gevoeld, al heeft het zich altijd in de joodse zuil van de Nederlandse samenleving bevonden. Nu vallen ze onder alle anti-joodse maatregelen van de bezetter.

Vanaf 1 mei 1941 mag de Amsterdamse huisarts Sieg Emmering zijn praktijk niet meer uitoefenen. Dat laat hij zijn patiënten met een zakelijke mededeling weten, onder verwijzing naar andere huisartsen waar ze wel terecht kunnen, maar deze anti-joodse maatregel treft het gezin Emmering-Lek natuurlijk extra.

Sieg Emmering mag in zijn praktijk op Apollolaan 101 wel joodse patiënten behandelen. Zo wordt hij op 15 oktober 1942 naar Apollolaan 86 huis geroepen, om daar de dood te constateren van het joodse echtpaar Louis en Mina Stibbe-Anholt. Louis Stibbe, als succesvolle schoenenhandelaar een vooraanstaand zakenman, en zijn echtgenote hebben door gasverstikking een einde aan hun leven gemaakt.

Sieg Emmering heeft dan al van een Duitser, die ontkomen is uit een concentratiekamp, gehoord dat joodse gevangenen werden vergast in vrachtwagens, waar de uitlaatgassen naar de laadruimte werden gevoerd. Aan dat bericht had Sieg geen geloof gehecht.

Op 27 december 1942 overlijdt Zus Emmering-Lek, op pas 38-jarige leeftijd. De drie jaar die ze zou hebben na de diagnose zijn er toch nog twaalf geworden. Het overlijden van hun moeder, en de afstandelijke wijze waarop men met hen om gaat bij het afscheid, vormen een trauma voor haar kinderen André, Ans en Gaja.

Weduwnaar Sieg Emmering, die achterblijft met de drie kinderen, probeert van alles om te ontkomen aan deportatie. Zijn poging om zich te laten ariseren mislukt en hij probeert vervolgens om op de zogenaamde Puttkammer-lijst te komen. Voor minstens 30.000 gulden kan zo een Sperr gekocht worden. Dat lukt evenmin, maar de Puttkammer-lijst is ook een vorm van georganiseerde oplichting, waardoor circa tien miljoen gulden opgehaald kan worden voor de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung. Uiteindelijk zullen ook de mensen die op deze lijst staan toch gedeporteerd worden en dat weet Erich August Puttkammer dondersgoed.

Zijn poging om met de kinderen op de lijst te komen, brengt Emmering ook nog eens ernstig in problemen. Hij beschikt over kostbaarheden die al lang ingeleverd hadden moeten zijn. Na verraad wordt hij eind mei door twee medewerkers van de Sicherheitspolizei naar de gevangenis aan de Amstelveenseweg gebracht. Hij komt in een cel van vier bij twee meter, met vijf andere mannen. Daar maakt hij bij wijze van tijdverdrijf tekeningen van zijn omgeving en medegevangenen. Tien kilo lichter, als gevolg van het slechte gevangeniseten, zal hij op 1 november 1943 naar Kamp Westerbork moeten en vandaar in april 1944 naar Bergen-Belsen.

Intussen zijn de drie kinderen (10, 12 en 15) achtergebleven in het grote appartement aan de Apollolaan. Halfbroer André Hertzberger is op een gegeven moment al naar een onderduikadres gebracht. Hun grootmoeder van moederskant zoekt een goed onderduikadres voor de meisjes, maar als dat te lang duurt, grijpt haar andere dochter in. Ze haalt de kinderen op 18 juni 1943 weg. Dat is net op tijd, want twee dagen later vindt een grote razzia plaats in Amsterdam-Zuid, ook in de Apollolaan. Na een kort verblijf bij bekenden in Amsterdam, worden Ans en Jetteke Emmering naar Wageningen gebracht. De rector van het Amsterdams Lyceum heeft daarvoor gezorgd. Het onderduiken wordt verder verzorgd door een katholieke organisatie en hun tante betaalt ervoor. Na een week gaan de meisjes naar Nijmegen, waar ze maandenlang in huis zijn bij een ouder echtpaar. Een extra moeizame situatie vanwege het leeftijdsverschil. Ze worden vervolgens naar Rhenen gebracht.

In Rhenen komen ze bepaald niet in een warm nest. Het echtpaar dat ze onderduik geeft, heeft een slechte relatie. Er is veel ruzie en Ans en Jetteke voelen zich er heel verdrietig en angstig. De vrouw des huizes zit een beetje met haar onderduikstertjes in haar maag. Ze moeten in een koude kamer sokken stoppen. Met kerstmis worden ze de sneeuw in gestuurd, als lucifersmeisjes uit het sprookje van Andersen. Om onduidelijke redenen moeten ze een paar uur het huis uit. Als ze naar school gaan, wordt ze als raad meegegeven: ‘Loop rechtop, anders zien ze meteen dat je een jood bent.’ In april 1944 moeten ze opeens weg, omdat het gastgezin de spanningen van de onderduiksituatie niet langer meer aan kan. Er moet op stel en sprong een nieuw onderduikadres gezocht worden. Ene pater De Ruiter van de katholieke hulporganisatie brengt ze naar Beebs ten Broek-Knetemann in Zeist, die bereid is om de meisjes voor veertien dagen in huis te nemen. De pater prijst Ans en Jetteke Emmering aan, maar hij vertelt er niet bij dat ze joods zijn. Ze mogen komen.

Beebs ten Broek-Knetemann woont tijdelijk op Pauw van Wieldrechtlaan 22, want haar eigen woning Lorentzlaan 171 is gevorderd door de Duitsers. Haar echtgenoot, reserve eerste luitenant Joop ten Broek, was verbonden aan het LVA in Soesterberg. Hij heeft tijdens de meidagen 1940 op Texel gevochten tegen de Duitse invallers en vervolgens – tevergeefs – geprobeerd om naar Engeland te vliegen. Na die poging is hij inspecteur geworden bij de centrale gaarkeukens in Utrecht. Omdat hij in de zomer van 1941 een vergadering van hoge officieren heeft bijgewoond, is hij in december alsnog gearresteerd en naar de strafgevangenis in Scheveningen overgebracht. Na verhoren is hij in januari 1942 weer vrijgelaten, maar het militaire verzet heeft hem voorlopig gemeden. Omdat Joop ten Broek vermoedde dat hij in de gaten werd gehouden, is hij in december 1943 alsnog gevlucht naar Engeland.

Beebs ten Broek-Knetemann is in uiterlijk en doen een aantrekkelijke jonge vrouw, met mooi zwart haar. Ze staat er voorlopig dus alleen voor. Sommige, Calvinistische buurtgenoten volgen haar handel en wandel met argusogen en ze wordt een beetje in de gaten gehouden. Later zal Gaja Emmering – die in deze tijd Jetteke wordt genoemd – over de entree van haar en haar zusje schrijven:

De tafel was gedekt met een blauw servies en ik herinner me nog de rode radijsjes die op de schaal lagen. Het was een feestelijke en warme ontvangst!

Die ontvangst neemt niet weg dat de meisjes zich wel van het gevaar bewust zijn. Bovendien volgt er al gauw een kritisch moment, als de fietsen van de meisjes nagebracht worden. Op het ene fietsplaatje staat ‘Emmering-Lek’, maar op het andere ‘Hertzberger’. Het is Beebs ten Broek-Knetemann bekend dat dat een joodse naam is, want ze is verloofd geweest met een Hertzberger. Ze vermoedt meteen dat de meisjes joods zijn en haar illegale contactpersoon bevestigt dat desgevraagd. Ze is ontdaan, maar houdt Ans en Jetteke die twee weken in huis. Als die tijd voor hen voorbij is, smeken de meisjes of ze mogen blijven. Dat mag en ze gaan voortaan naar een school in de nabijheid.

Ans en Jetteke merken dat hun onderduikgeefster een moedige vrouw is. Behalve de zorg voor twee onderduikstertjes helpt ze ’s nachts om geallieerde parachutisten in veiligheid te brengen. Ze is bepaald niet bang aangelegd en is een aanpakker. Ze knutselt aan de elektriciteit, waardoor er ’s avonds in huis gelezen kan worden. In de tuin kweekt ze tabaksplanten en onder de vloer luistert ze naar de radiouitzendingen uit Londen.

In de zomer van 1944 mag ze terug naar haar woning op Lorentzlaan 171. Omstreeks diezelfde tijd strijkt de Sicherheitsdienst neer in het nabijgelegen gebouw van het Christelijk Lyceum en in de omringende huizen wonen Duitse officieren. Soms vragen Duitsers aan haar of Ans en Jetteke joods zijn, en dan vertelt ze dat het de dochters van haar broer in Rotterdam zijn, wiens huis gebombardeerd is. Dat is ook geloofwaardig omdat zij, net als de meisjes, donker haar heeft. Om haar illegale activiteiten te verbloemen, houdt ze de Duitsers enigszins te vriend, bijvoorbeeld door af en toe sokken voor soldaten te stoppen.

Aanvankelijk ontvangt Beebs ten Broek-Knetemann via de rooms-katholieke organisatie 150 gulden per kind per maand voor de onderhoudskosten van de meisjes. Maar op een gegeven ogenblik stoppen de vergoedingen, en tijdens de Hongerwinter wordt het moeilijk. Ze komen er doorheen, al moet Ans een verre voedseltocht naar Zwolle maken.

Ans Emmering zal de verhouding met Tante Beebs als volgt karakteriseren:

Ze was niet moederlijk, maar gewoon aardig voor ons. Het was toch een andere omgeving, je voelde je niet echt thuis. Je miste je ouders, je vertrouwde omgeving. Maar we waren niet ongelukkig.

Dat laatste blijkt als bij tante Beebs de zeer besmettelijke ziekte roodvonk wordt geconstateerd. Gedurende zes weken wordt ze thuis verpleegd en in die tijd nemen de buren tijdelijk de zorg over Ans en Jetteke over. Er is daar al een dienstmeisje in huis, waarvan ze vermoeden dat ze joods is (dat blijkt veel later inderdaad het geval te zijn geweest).

Vooral Jetteke mist tante Beebs dan heel erg, staat dagelijks voor het raam waarachter ze op bed ligt en schrijft aandoenlijke briefjes aan haar. ‘Lieve knollebol van een tante Beebseltje’ krijgt ontelbare zoentjes toegezonden. Extra ontroerend is dat Jetteke als een PS in een van haar met tekeningetjes versierde briefje schrijft: ‘Als ik u in bed zie liggen denk ik altijd aan moeder.

Ans en Jetteke – die later weer Gaja wordt genoemd – overleven de bezetting bij Beebs ten Broek-Knetemann. Na de bevrijding worden ze door een neef van hun moeder opgehaald, en met hun halfbroer André Hertzberger (die naar Zeist gebracht is), in een militaire vrachtauto onder een dekzeil naar Brussel gebracht, waar hun tante de zorg overneemt. Met haar gaan ze terug naar Amsterdam.

Hun geliefde oma Anna ‘Moesje’ Canes-Bos en haar echtgenoot zijn vermoord. De jongste broer van vader Sieg Emmering is vermoord en twee kinderen van zijn andere broer zijn ook omgebracht.

Maar ze worden wel herenigd met hun vader die in het concentratiekamp Bergen-Belsen als arts heeft moeten werken en zo de oorlog heeft overleefd. Hij hertrouwt met een andere overlevende van het kamp, een vriendin van vroeger. De gezinsvorming verloopt moeizamer dan verwacht – er is te veel gebeurd – en pas met de kleinkinderen erbij worden de verhoudingen warmer.

– 0 – 0 – 0 –

Beebs Knetemann scheidt na de bevrijding van haar echtgenoot en hertrouwt in juni 1946 met dichter, declamator, vertaler, hoorspelauteur en politicus mr. Albert Nuver. Op 13 september 1989, zo’n kleine 45 jaar na de bevrijding, wordt Beebs Nuver-Knetemann door Yad Vashem erkend als Rechtvaardige onder de Volkeren. Haar reactie is veelzeggend. ‘De meest waardevolle beloning is dat Ans en Gaja de oorlog hebben overleefd, en dat ik verzekerd ben van hun blijvende vriendschap, het is bijna een moeder-dochterverhouding’, schrijft ze – zelf kinderloos gebleven– aan Yad Vashem. Ze benadrukt de goede relatie door een van haar twee geliefde hondjes Gaja te noemen.

Het bijzondere verhaal van het gezin Emmering verschijnt in 1996 in boekvorm, onder de titel ‘Eindstation Tröbitz’.

Bronnen:

  • Klazien Laansma, ‘Eindstation Tröbitz’, Kok Kampen, 1996
  • Mededelingen van Gaja Reuling-Emmering
  • Reddingsverhaal Yad Vashem voor Elizabeth Hendrika Johanna Nuver-Knetemann
  • De Volkskrant van 27 mei 1999, ‘Commissie-Scholten is doof’ (Puttkammer-lijst)
  • www.joodsmonument.nl, Samuël Gaim en Anna Canes-Bos

1. Pauw van Wieldrechtlaan 22

2. Links Ans, rechts Gaja

3. brief gaja aan tante Beebs, 16-11-1944, blz 1

4. Op 16 november 1944 zal Gaja dit briefje schrijven aan tante Beebs, die dan ziek is 2

5. Ans (rechts en Gaja

7. Na de bevrijding, van links naar rechts halfbroer André Hertzberger, Ans, tante Beebs, JettekeGaja

8. JettekeGaja (links) terug in Amsterdam

9. Advertentie met het bericht dat dokter S. Emmering zijn praktijk op 26 september 1945 hervat

10. Gaja trouwde in 1954 met cellist Bob Reuling

11. Tante Beebs bij de Yad Vashem-ceremoniewie