Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina 170-179; aangevuld met nieuwe informatie)
In memoriam:
- Liliane Laure Dreyfus (Parijs-Frankrijk, 8 januari 1936 – Zeist, 31 december 1943), bereikte de leeftijd van 7 jaar
- Raphael Altmann (Berlijn-Duitsland, 24 september 1937 – Auschwitz, 26 maart 1944), bereikte de leeftijd van 6 jaar
- broertje Martijn Franklin Altmann (Den Haag, 5 november 1940 – Auschwitz, 26 maart 1944), bereikte de leeftijd van 3 jaar
- Flora Celine Hamburger (Heemstede, 27 augustus 1934 – Auschwitz, 25 oktober 1944), bereikte de leeftijd van 10 jaar
- Eduard Keizer (Utrecht, 23 december 1937 – Auschwitz, 26 maart 1944), bereikte de leeftijd van 6 jaar
- Benjamin Waterman (Amsterdam, 3 juli 1942 – Auschwitz, 8 april 1944), bereikte de leeftijd van 1 jaar. Werd samen met zijn moeder omgebracht, zijn vader stierf op 31 augustus 1944 in Auschwitz
- Saartje Gosschalk-van Spiegel, weduwe (Voorst, 26 april 1893 – Auschwitz, 31 augustus 1944), bereikte de leeftijd van 51 jaar
In memoriam (onderduikgeefster):
- Marie Antoinette Moll van Charante, gescheiden, directrice van kindertehuis Zonneschijn (Wenen-Oostenrijk, 30 september 1899 – Kamp Ravensbrück-Duitsland, 6 maart 1945)
Onderduiker(tje)s die de bezetting zouden overleven (de volledigheid van de lijst staat niet vast):
- Agnes Irene Beem, scholier (Amsterdam, 25 september 1926 – Capelle aan den IJssel, 14 september 1993)
- Eleonore Louise Beem, jeugdleidster (Amsterdam, 25 juni 1924 – Den Haag, 24 maart 1971)
- Ruth Cahen (Geldrop, 4 mei 1933)
- Ruben Lothar Cahn (Keulen-Duitsland, 24 februari 1935 – Naarden, 31 oktober 2019)
- Ruth Falk (Keulen-Duitsland, 1 november 1935)
- Alfred Hamburger (Heemstede, 29 september 1932 – Bloemendaal, 19 oktober 2018)
- Robert Oscar Kan (Arnhem, 14 november 1934 – Baltimore-VS, 17 juli 2018)
- Gerard Jitzchak Kreisberg (Wenen-Oostenrijk, 9 augustus 1939)
- Inge Leers (Hamburg-Duitsland, 21 januari 1931)
- Peter Leers (Hamburg-Duitsland, 21 november 1934)
- Simon Michael Namenwirth (Hilligersberg, 8 september 1934)
- Joseph Zvi Namenwirth (Rotterdam, 27 juni 1931 – Storrs, Mansfield, Tolland City, Connecticut-VS, 23 oktober 1993)
- Henriette Johanna Rood (Amsterdam, 9 oktober 1930 – Amsterdam, 3 september 2020)
- Max Gustaaf Rood (Enschede, 21 augustus 1927 – Amsterdam, 2 december 2001)
Andere onderduikgeefster (overlevende):
- Grietina Alijda Kramer, ongehuwd, directrice van kindertehuis Zonneschijn (Smilde, 18 november 1887 – 1979)
- In het volgende is met toestemming van de auteur veel gebruik gemaakt van ‘Schaduw over Zonneschijn’ uitgegeven in 2016 bij Brave New Books, geschreven door Jim
- Terlingen.
In 1933 laten twee dan uit Rotterdam afkomstige vrouwen op Oranje Nassaulaan 71 een herstellingsoord voor kinderen bouwen. Het tehuis Zonneschijn biedt plaats aan kinderen met onder andere astma, bronchitis en nerveuze klachten, stofwisselings- en voedingsstoornissen en bloedarmoede, maar ook aan ‘schoolzwakke kinderen’.
Directrice Grietina Kramer en haar kapitaalkrachtige ex-schoonzuster Marie Moll van Charante hebben elk een verpleegkundige achtergrond, maar Grietina Kramer – ‘tante Zuster’ voor de kinderen en ‘tante Kramer’ voor volwassenen – staat voor de verpleegkundige zorg. Haar partner Marie, ‘tante Miek’ voor de kinderen en ‘mevrouw Moll van Charante’ voor volwassenen, houdt zich met moeilijk lerende kinderen bezig en ze overhoort hun huiswerk.
Er is een vaste groep kinderen en er zijn kinderen die gedurende een periode of een seizoen in Zonneschijn verblijven. Uit latere getuigenissen van kinderen blijkt dat het regime op Zonneschijn de naam van het tehuis geen eer aan doet. Het eten is er beroerd, en wie in bed plast, gaat onder de koude douche.
Ramses Shaffy wordt in 1939 in Zonneschijn ondergebracht als zijn moeder, de Poolse gravin Alexandra de Wysocka, langdurig behandeld moet worden voor tbc. Hij wordt ingeschreven als Chaffy. Zijn ervaringen in huize Zonneschijn zal hij in 1974 verwerken in een lied. Citaat:
‘Al gauw belandt-ie in een kinderhuis
Waar-ie ‘m de eerste dag al is gesmeerd
Ze vinden hem weer terug en straffen hem ongenadig
En denken: zo, dat heb je afgeleerd’
Hij moet een keer toekijken hoe een klein meisje haar eigen braaksel moet opeten, tekenend voor het heersende, bar kind-onvriendelijke regime in Zonneschijn. Net voor de Duitse inval wordt Ramses opgenomen in een pleeggezin in Leiden.
Als de jodendeportaties beginnen, en veel mensen een onderduikadres zoeken, krijgt de directie van Zonneschijn het verzoek om joodse kinderen op te nemen. Daar zijn beide vrouwen toe bereid, tegen betaling vooruit van 80 tot 90 gulden per maand, hetzelfde bedrag dat voor niet-joodse kinderen wordt gevraagd (koopkracht van 80 gulden is vergelijkbaar met €700 anno 2025). De exacte verdiensten van Zonneschijn kunnen niet berekend worden, omdat niet bekend is hoe lang de onderduiker(tje)s in Zonneschijn zaten. Maar de verdiensten zijn goed voor de beide directrices. Een maand met twintig onderduikers levert al gauw 1.600-1.800 gulden op (koopkracht van 1.600 gulden vergelijkbaar met €14.000), waarbij bedacht moet worden dat joodse vrouwen moeten werken en dat de kwaliteit van het voedsel volgens ooggetuigen slecht is.
Eerst worden er joodse kinderen uit Zeist ondergebracht in Zonneschijn, en later ook joodse kinderen van elders. Hoe men buiten Zeist weet dat kinderen kunnen onderduiken in Zonneschijn is niet bekend. Een aantal kinderen wordt door de Zeister illegaal werker Antoon Lingeman in het tehuis geplaatst.
Fred en Floortje Hamburger worden bijvoorbeeld van een boerderij in de Haarlemmermeer naar Zonneschijn gebracht.
Peter Leers en zijn oudere zusje Inge komen uit Rotterdam. Daar zijn ze in 1937 naar toe gevlucht, nadat hun vader Gustav Leers twintig maanden gevangenisstraf wegens vermeende deviezensmokkel had uitgezeten. In november 1940 heeft het gezin Leers-Abel op last van de bezetter het Nederlandse kustgebied moeten verlaten. Ze zijn verhuisd naar Blaricum en in 1941 naar Soest. Toen de jodenster ingevoerd is, is vader Leers gevlucht, met de bedoeling om in Zwitserland kwartier te maken voor zijn echtgenote en kinderen. Rond augustus 1942 is hij echter opgepakt. Na slavenarbeid in een steengroeve zal hij op 31 januari 1944 in Auschwitz vermoord worden.
Moeder Lea Leers-Abel brengt daarop haar kinderen onder in Zonneschijn en duikt zelf onder in Amsterdam, waar ze verzetswerk gaat doen, zoals het rondbrengen van distributiekaarten voor onderduikers.
Rudy Paardje (1941) wordt door leden van het Utrechts Kindercomité naar Zonneschijn gebracht. Vanwege zijn jonge leeftijd wordt besloten om hem te verhuizen naar het kindertehuis Kindjeshaven in Utrecht, opgezet door Trui van Lier. Later zal het jongetje overgebracht worden naar een onderduikadres in Deventer. In tegenstelling tot zijn ouders David en Mary Ann Paardje-de Swarte zal Rudy de bezetting overleven. In 1966 zal hij echter sterven aan een aangeboren hartafwijking, op 24-jarige leeftijd.
Ook enkele joodse vrouwen duiken onder in Zonneschijn en helpen dan mee in de verzorging. Zij en de joodse kinderen worden door illegaal werkers op het gemeentehuis doorgaans onder een andere naam ingeschreven op het adres Oranje Nassaulaan 71. In totaal duiken er minstens 26 joodse kinderen, van baby’s tot grotere kinderen, en vrouwen onder in Zonneschijn. Van 21 van hen is een onderduiknaam bekend:
| Werkelijke persoonsinformatie | Vervalste persoonsinformatie | |
|---|---|---|
| 1 | Martijn Franklin Altmann (Den Haag, 5 november 1940 – Auschwitz, 26 maart 1944) | Christiaan Anton Koudeijs (Batavia – Nederlands-Indië, 11 juli 1939) |
| 2 | Raphael Altmann (Berlijn-Duitsland, 24 september 1937 – Auschwitz, 26 maart 1944) | Willem Koudeijs (Batavia-Nederlands-Indië, 7 augustus 1937) |
| 3 | Agnes Irene Beem (Amsterdam, 25 september 1926 – Capelle aan den IJssel, 14 september 1993) | Cornelia Miesje van der Tak (Zwolle, 10 december 1926) |
| 4 | Eleonore Louise Beem (Amsterdam, 25 juni 1924 – Den Haag, 24 maart 1971) | Wilhelmina Hendrika van Munster (Bussum, 24 maart 1922) |
| 5 | Ruth Cahen, Geldrop, 4 mei 1933) | Niet bekend |
| 6 | Ruben Lothar Cahn (Keulen-Duitsland, 24 februari 1935 – Naarden, 31 oktober 2019) | Rudolf Koenders |
| 7 | Liliane Laure Dreyfus (Parijs-Frankrijk, 8 januari 1936 – Zeist, 31 december 1943) | Lilian Drijfhout (Tjapol-Nederlands-Indië, 8 januari 1936) |
| 8 | Ruth Falk (Keulen-Duitsland, 1 november 1935) | Marietje Druiven |
| 9 | Saartje Gosschalk-van Spiegel (Voorst, 26 april 1893 – Auschwitz, 31 augustus 1944) | Anna van der Plas-Zadel (Zandvoort, 27 oktober 1895) |
| 10 | Alfred Hamburger Heemstede, 29 september 1932 – Bloemendaal, 19 oktober 2018 | Alfred Terstege |
| 11 | Flora Celine Hamburger (Heemstede, 27 augustus 1934 – Auschwitz, 25 oktober 1944) | Flora Terstege (Soerabaja-Nederlands-Indië, 27 augustus 1934) |
| 12 | Robert Oscar Kan (Arnhem, 14 november 1934 – Baltimore-VS, 17 juli 2018) | Robbert Verheul |
| 13 | Eduard Keizer (Utrecht, 23 december 1937 – Auschwitz, 26 maart 1944) | Eduard Brederoode (De Bilt, 22 december 1938) |
| 14 | Gerard Kreisberg (Wenen-Oostenrijk, 9 augustus 1939) | Gerard Leenards (Wenen-Oostenrijk, 9 augustus 1939) |
| 15 | Inge Leers (Hamburg-Duitsland, 21 januari 1931) | Geen onderduiknaam |
| 16 | Peter Leers (Hamburg-Duitsland, 21 november 1934) | Idem |
| 17 | Wilhelmine Meijer, ongehuwd, kinderverzorgster (Keulen, 21 juni 1922 – Den Haag, 16 januari 2009) | Niet bekend |
| 18 | Joseph Zvi Namenwirth (Rotterdam, 27 juni 1931 – Storrs, Mansfield, Tolland City, Connecticut-VS, 23 oktober 1993) | John Nanning |
| 19 | Simon Michael Namenwirth (Hilligersberg, 8 september 1934) | Nico Nanning |
| 20 | Rudy Paardje (Amsterdam, 12 april 1941 – 1966) | Niet bekend |
| 21 | Max Gustaaf Rood (Amsterdam, 9 oktober 1930 – Amsterdam, 3 september 2020) | Maximiliaan Roodenburg (Weltevreden-Nederlands-Indië, 21 augustus 1930) |
| 22 | Henriette Johanna Rood (Amsterdam, 9 oktober 1930 – Amsterdam, 3 september 2020) | Jetty Roodenburg (Weltevreden-Nederlands-Indië, 9 oktober 1930) |
| 23 | Benjamin Waterman (Amsterdam, 3 juli 1942 – Auschwitz, 8 april 1944) | Bernard Veldhuizen (Amsterdam, 3 juli 1942) |
| 24 | Niet bekend | Juultje Veraart (Soekaboemi-Nederlands-Indië, 22 juni 1930) |
| 25 | Niet bekend | Clarina de Vries (Amsterdam, 20 juli 1922) |
| 26 | Mogelijk Caroline Juliette Zeldenrust (Den Haag, 20 juli 1907 – Den Haag, 26 juni 1985) | Evelina de Wit (Den Haag, 8 januari 1909) |
Minimaal 15 van hen werden in het bevolkingsregister van Zeist opgenomen met hun valse namen.
Op de registratie van ‘Evelina de Wit’ (in 1942 en in 1944 overgeschreven naar dit adres) stond het adres Van Limburg Stirumstraat 21 in Den Haag. Dat was het adres van de bekende musicus Henri Leonard Zeldenrust en diens echtgenote Justine Victorine Zeldenrust-Enthoven die op 5 februari 1944 geïnterneerd werden in de strafbarak 67 van Kamp Westerbork, op 8 februari op straftransport naar Auschwitz moesten en daar na aankomst op 11 februari werden vermoord. Qua leeftijd zou ‘Evelina de Wit’ hun dochter Caroline Juliette Zeldenrust (Den Haag, 20 juli 1907 – Den Haag, 26 juni 1985) moeten zijn. Zij was in de jaren dertig in Zeist en zou in die periode Zonneschijn hebben leren kennen?
Ramses Shaffy staat niet alleen in zijn kritiek op het harde regime in Zonneschijn.
In Zonneschijn ervaren ook Peter en Inge Leers liefdeloosheid van de dominante en strenge ‘Tante Zuster Kramer’ – ‘bij het sadistische af’ – en Maria Moll van Charante. De directrices straffen snel. Peter Leers moet als achtjarige jongen bijvoorbeeld de gang dweilen, wat hij een oneindig zwaar karwei vindt. Hij gruwt van de smerige karnemelk die in zinken teilen op zolder wordt bewaard. In zijn latere herinneringen op www.joodserfgoedrotterdam.nl:
Bovenop kwam er een korst, onderop was er troebel doorschijnend vocht en door de reactie van de zure karnemelk met het zink lag er een blauwe gloed over. Je moest het drinken, maar als je geluk had en Grietina liep weg, spuugde je het snel uit in het fonteintje.
John Namenwirth heeft voor zijn onderduik in Zeist gewoond. Zijn vader heeft hem en zijn broertje Micha in die tijd wel eens met Zonneschijn gedreigd, als ze zich misdroegen. Als ze zo doorgingen, zouden ze daar nog eens terechtkomen. Ze komen er daadwerkelijk terecht, maar dat ligt minder aan hun gedrag dan aan de nazi’s. Ze zien het spijkerharde bewind en vinden het er gevaarlijk. Hun ouders halen hen er weer weg. Micha krijgt dan van november 1942 tot maart 1944 onderduik bij de broer van directrice Grietina Kramer, Jan Kramer in Leeuwarden. Nota bene iemand die lid van de NSB is geweest. Later in hun leven zal elk van de broers over Zonneschijn schrijven. John Namenwirth:
‘*Living in the children’s home was a nightmare. The place wasn’t safe at all. The food was atrocious, the atmosphere abonimable. Frightened children pee-ed in their beds at night and, as was customary in Calvinist quarters, were forced to take ice showers in the morning both as remedy and punishment. I can still hear their screaming.
We were there for a month, two months, I don’t recall. At least we had each other.
When it became too risky to stay, our parents picked us up and we left in the middle of the night.*’
De dood van Liliane Laure Dreyfus
Een nachtmerrie. Dat zal het verblijf in Zonneschijn zeker worden voor de kleine Liliane Laure Dreyfus.
Ida Betsy Dreyfus-Dreijfuss heeft een deel van haar jeugdjaren in België en Nederland doorgebracht. In 1934 is ze met haar ouders naar Parijs verhuisd. In 1938 komt ze terug naar Nederland, samen met haar in 1937 geboren dochtertje. Ze is in Parijs getrouwd met de eveneens joodse Paul Henri Dreyfus en daardoor hebben zij en Liliane de Franse nationaliteit. Waarom Paul Dreyfus niet mee komt, is niet bekend. Kort na aankomst – moeder en dochtertje vestigen zich in Wassenaar – laat Ida Dreyfus-Dreijfuss zich wegens een angstneurose opnemen in de antroposofische Rudolf Steinerkliniek in Den Haag, een verpleeghuis voor psychiatrische patiënten. Ze neemt Liliane mee.
Als de oorlog uitbreekt, en in september alle joden verplicht uit de kuststreek moeten evacueren, krijgt Ida toestemming om in Den Haag te blijven. Maar ze kiest ervoor om naar Zeist te verhuizen. Op 19 december 1940 worden zij en Liliane ingeschreven in het Christelijk Sanatorium voor Zenuwlijders in Zeist. In de loop van 1941 gaan moeder en dochter in pension op Professor Lorentzlaan 34.
Het lijkt erop dat Liliane Dreyfus in het Zeister bevolkingsregister niet correct is overgeschreven naar het pensionadres.
Op zondag 2 augustus 1942 laat de bezetter bij wijze van represaille joden arresteren, die het rooms-katholieke geloof aanhangen. Dit in verband met het protest in rooms-katholieke kerken tegen de jodenvervolging. Twee agenten van de Zeister gemeentepolitie gaan daarom naar Professor Lorentzlaan 34. De pensionhouder deelt hen mee dat Ida Dreyfus-Dreijfuss in de voormiddag van zaterdag 1 augustus met haar dochtertje vertrokken is, om het weekend elders door te brengen. Dat doen ze vaker, maar de hoofdbewoner en andere inwonenden kunnen niet vertellen waar moeder en dochter naar toe zijn gegaan. De pensionhouder zal later joodse onderduikers opnemen op Professor Lorentzlaan 34.
Twee andere agenten gaan dan diezelfde dag tevergeefs kijken of Liliane gearresteerd kan worden in het Christelijk Sanatorium. Laatstgenoemden rapporteren meteen over de ‘aanhouding van L.L. Dreijfus’, aan de Heer Commissaris van Politie:
‘Ondergeteekenden, hebben de eer U Edelgestrenge beleefd als volgt te rapporteeren.
Ingevolge bekomen opdracht hebben wij ons op 2 Augustus 1942, des voormiddags te omstreeks 7 uur begeven naar perceel Oude Arnhemscheweg 260 te Zeist, zijnde het Christelijk Sanatorium voor zenuwlijders, teneinde aldaar aan te kunnen houden LILIANE LAURE DREIJFUS, geboren te Parijs, 8 Januari 1936, nationaliteit Fransche (niet arier).
Evenwel is ons daar gebleken dat zij ruim een jaar geleden al vanuit deze inrichting was vertrokken naar het adres van haar moeder aan de Prof. Lorentzlaan 34 te Zeist.
Zij was slechts heel kort als verpleegde in die inrichting geweest, zoodat zij niet kon worden aangehouden.’
Op 17 september van dat jaar laat de Zeister gemeentepolitie aan de Procureur-Generaal/fungerend Directeur van Politie in Amsterdam en de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung weten dat moeder Ida en Liliane in het kader van de geheime arrestatieopdracht van de Sicherheitspolizei niet zijn aangetroffen op de opgegeven adressen. Gememoreerd wordt dat dat ook het geval is geweest bij de opgedragen arrestatie van ‘R.K. niet-arische joden’ op 2 augustus in Zeist en bij de ‘evacuatie’ op 19 augustus van joodse Zeistenaren. Eind 1942 wordt ‘VOW’ aangetekend in het Zeister bevolkingsregister, ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’.
Waar moeder en dochter in die periode wonen, is niet bekend. Mogelijk bij de uit Duitsland afkomstige, 27-jarige musicoloog Werner Runge. In het voorjaar van 1943 wordt Liliane ondergebracht in Zonneschijn – ze is dan zeven jaar – en haar moeder vraagt dan de zelf kinderloze Runge om Liliane te bezoeken. Dat doet Runge die op Syberiëlaan (de omgedoopte Julianalaan) 48 woont, dichtbij Zonneschijn, een keer per week. Zijn persoonsgegevens in het bevolkingsregister van Zeist zijn overigens ook licht vervalst. De reden daarvan is onduidelijk. Liliane Dreyfus heeft de valse identiteit ‘Lilian Drijfhout’ gekregen. Ze zou geboren zijn in Nederlands-Indië, ter verklaring van uiterlijke kenmerken, zoals donker haar.
De kleine Liliane is diep ongelukkig in het tehuis. Beide directrices hebben om onduidelijke redenen een hekel aan het meisje. Volgens dagboekverslagen van een onbekende Zonneschijn-bewoonster wordt Liliane geslagen en meerdere malen onder de koude douche gezet. Werner Runge ziet bij zijn bezoeken wel dat Liliane stil is, en zich teruggetrokken gedraagt – zo was ze niet – maar ze uit zich niet. Ook niet naar haar moeder toe, die na lang aandringen een keer op bezoek mag komen. Vaker mag niet, omdat directrice Grietina Kramer zulke bezoeken gevaarlijk vindt.
Blijkbaar is Liliane zeer muzikaal. Op 2 oktober 1943 speelt ze piano, ter gelegenheid van de viering van de verjaardag van Marie Moll van Charante, drie dagen eerder. Dat betekent niet dat ze warmer wordt behandeld. Integendeel, citaat uit het dagboekverslag van 15 november:
‘Liliane geslagen. ‘Je stinkt van jaloezie’ zei tante Zuster.
Een dag later:
‘Liliane weer geslagen. Tante Zuster zei dat ze er onsympathiek uitzag. Het gordijntje van de kleine badkamer ging dicht en daar kreeg zij op d’r donder (woorden van tante Zuster).’
Een week later escaleert het. Op 23 november is vanuit ‘de blauwe kamer’, een kamer op de zolder, geschreeuw te horen. Marie Moll van Charante gilt van alles tegen Liliane. Veel kabaal en dan valt Liliane opeens van de trap. Een dag later heeft ze een opgezwollen gezicht dat bont en blauw ziet. Andere kinderen zien dat Grietina Kramer haar slaat en dwingt haar eigen braaksel op te eten. De pas zevenjarige Liliane verliest aan tafel haar bewustzijn. De directrices haasten zich met het meisje naar hun gezamenlijke slaapkamer en sluiten de deur achter zich.
De kinderen en de medewerkers krijgen Liliane daarna niet meer te zien. De directrices suggereren dat ze naar het ziekenhuis is gebracht. Geruchten doen de ronde, maar pas na de oorlog wordt duidelijk wat er gebeurd is. Meerdere getuigen zullen in juli 1946 aan een rechercheur verklaren over de veelvuldige mishandeling van Liliane en haar mysterieuze verdwijning. Grietina Kramer ontkent de mishandelingen, maar verklaart over de verdwijning het volgende:
‘Liliane werd ineens ernstig ziek. Ik heb meteen dokter De Vries gewaarschuwd, die direct kwam. Daar het nacht was, en het licht onvoldoende, vertrok hij meteen weer. Dokter De Vries kwam de volgende ochtend met dokter Kamerling terug, maar toen was Liliane al dood.
Het lijkje is de nacht erop door mij en mevrouw Moll van Charante in de tuin begraven. Het ligt ongeveer 75 tot 100 centimeter onder het aardoppervlak. Ze is niet gekist; we wikkelden haar in een oude mantel.’
Ook de beide artsen leggen verklaringen af.
Dokter Karel de Vries:
‘Het meisje was half bewusteloos. Haar gezicht was gezwollen en had een grijze tint. Door het slechte licht heb ik echter niet kunnen zien of dat door mishandeling kwam. Ik nam een slechte hartwerking waar en dacht dat ze een nierziekte had.’
Dokter Anton Kamerling: ‘Ik heb bij mijn lijkschouwing geen uitwendige tekenen van mishandeling waargenomen.’
De artsen zeggen dat ze directrices hebben geadviseerd om het joodse meisje in de tuin te begraven. Op deze mededeling reageert de prominente Zeister illegaal werker Antoon Lingeman kritisch: ‘Wanneer zij normaal overleden was en een politiek vertrouwde arts haar had behandeld, dan was het via de illegaliteit heel goed mogelijk geweest het kind op een begraafplaats te begraven.’
Directrice Grietina Kramer meldt het overlijden van Liliane direct aan notaris Weve, die de betalingen voor Liliane regelt. De notaris licht op zijn beurt Liliane’s moeder in. Ida Betsy Adéle Dreyfus-Dreijfuss is twee weken eerder bevallen van haar tweede kind Robert Lodewijk, op 12 november 1944. Ze vermoedt dat Liliane vermoord is en vraagt Werner Runge om navraag te doen bij dokter De Vries. Runge: ‘De Vries had het over een acuut ziektegeval en sprak de kwade gedachten uit mijn hoofd.’
Precies twee maanden na de geboorte van Robert Dreyfus wordt de baby met zijn moeder overgebracht naar Kamp Westerbork. Blijkbaar zijn ze in onderduik gearresteerd, want Ida Dreyfus-Dreijfuss wordt geregistreerd als ‘strafgeval’. Na een tijdje wordt ze opgenomen in een van de ziekenhuisbarakken. Van daaruit wordt ze met haar zoontje op 25 januari 1944 op straftransport naar Auschwitz gesteld en daar worden moeder en kleine Robert meteen na aankomst op 28 januari 1944 vermoord.
Pas op 31 juli 1946 worden in de tuin van het tehuis de stoffelijke resten van Liliane Dreyfus opgegraven, in het bijzijn van allerlei functionarissen en van directrice Grietina Kramer die de plek toen eindelijk aanwees. De directrice: ‘Ik was het vergeten.’ Vijf dagen later, op 5 augustus 1946, wordt het lijkje herbegraven op de Algemene Begraafplaats in Zeist. Vader Dreyfus heeft de oorlog overleefd, maar niet duidelijk is of er contact met hem is geweest. Vijftien jaar later wordt het graf van Liliane weer geruimd, omdat de graftermijn verstreken is en niemand bezwaar maakt tegen de ruiming. Paul Henri Dreyfus zou op enig moment in Rio de Janeiro hebben gewoond, en op 27 januari 1981 in Toulon overleden zijn, op 71-jarige leeftijd. Of hij op de hoogte was van de grafruiming?
Van 2001 tot 2022 zal de naam van Liliane Dreyfus op het monument voor gedeporteerde Zeistenaren in het Walkartpark in Zeist staan. Alsof ook zij gedeporteerd is, maar dat is dus niet het geval. Het is de Utrechtse onderzoeker/auteur Jim Terlingen, die daar in zijn boekje ‘Schaduw over Zonneschijn’ op attendeert. Het drama van het meisje verdiende een andere herdenking*.* In 2022 is het monument opnieuw beschreven met een tekst waarmee ook niet-gedeporteerde Zeister slachtoffers van de jodenvervolging herdacht worden.
De razzia
Begin februari 1944, drie maanden na het drama met Liliane Dreyfus, volgt een nieuw drama bij Zonneschijn. Verschillende ouders hadden Zonneschijn risicovol gevonden als onderduikplek, vanwege het relatief grote aantal joodse kinderen en vrouwen. Om die reden hadden de echtparen Cahn-Samuel, Falk-Hanauer, Kreisberg-Krochmal en Namenwirth-Monasch hun kinderen daar weggehaald, om ze elders onder te brengen. In die februari-maand blijkt dat ze een juiste keuze hebben gemaakt.
Bij het Bureau Joodse zaken in Amsterdam is de tip binnengekomen, dat er in Zonneschijn joodse kinderen ondergedoken zitten. Na de bevrijding zal een collega van dat bureau verklaren dat de tip afkomstig was van ‘Kobus’ (ook ‘Piet’?), een vertrouwensman oftewel V-mann van de Sicherheitspolizei. Achter deze naam schuilt de Amsterdammer Anton Cornelis Schraa.
Schraa was actief voor een Amsterdamse groep van illegaal werkers, waartoe ook moeder Edith (Lea) Leers-Abel behoort. Hij kent daardoor het adres van Zonneschijn. Na arrestatie en verhoor door de Sicherheitspolizei is hij verklikker geworden. Dat wil zeggen, aanvankelijk heeft hij een dubbelrol vervuld, maar nadat de Sicherheitspolizei hem opnieuw heeft gearresteerd en geconfronteerd met die dubbelrol, heeft Schraa een lange lijst gegeven met namen en adressen van onderduikers die bonkaarten van hem en anderen ontvangen. Op deze lijst staat ook het adres van Zonneschijn.
Illegaal werkers krijgen lucht van het verraad, en de directrices worden gewaarschuwd maar ondernemen niets. Er komt nog een keer een waarschuwing, in de vorm van een anonieme, in het Duits geschreven brief. Ook die waarschuwing wordt niet serieus genomen.
Dan gaan op die fatale donderdag 24 februari drie agenten van Bureau Joodse Zaken op pad. Gerrit Mozer, Klaas Nap en Johan Koning zijn gewapend en reizen per trein en tram naar Zeist. Omstreeks 12.30 uur komen ze aan bij het tehuis. De eerste die ze aanhouden, is een student die in Zonneschijn ondergedoken zit, omdat hij geen loyaliteitsverklaring heeft ondertekend. Hij heeft zich onttrokken aan de Arbeitseinsatz. Vervolgens nemen de mannen strategische posities in.
Binnen zijn de tafels net gedekt voor het middagmaal en de schoolgaande kinderen komen net terug voor hun middagpauze. Zonneschijn-medewerkers die de agenten ontdekken, proberen in allerijl joodse kinderen in schuilplaatsen te verstoppen. Een joodse medewerkster, Saartje Gosschalk-van Spiegel, alias ‘Anna van der Plas-van Zadel’, raakt in paniek. Ze probeert via een zij-ingang naar het bos te vluchten, maar loopt direct in de armen van een van de agenten en wordt gearresteerd.
Een bewoonster waarschuwt vanuit het raam van haar kamer van school terugkerende kinderen – het is middagpauze. Inge Leers, Ruth Cahen en anderen verstoppen zich in het bos of lopen terug naar school? De Zeister illegaal werker Anton Lingeman heeft lucht gekregen van de razzia. Hij is meteen met zijn klas gaan wandelen in het bos, zodat een aantal joodse kinderen zich onopgemerkt bij de groep kan aansluiten.
Andere onderduikers verstoppen zich in het tehuis. Zo ontkomt een aantal in Zonneschijn ondergedoken joodse volwassenen en kinderen aan de razzia.
De achtjarige Robert Kan, onderduiknaam ‘Rob Verheul’, weet zich bijvoorbeeld op tijd te verstoppen. In een Engelstalig boek zal de geboren Arnhemmer veel later een hoofdstuk wijden aan zijn periode in Zonneschijn. En dus aan de angstige momenten op 24 februari 1944:
‘Nobody spoke, nobody whispered. […] After a very long time heavy footsteps and voices werd heard. It lasted quite a while but finally the sounds drifted away. I had to go to the bathroom badly but I kept very still, like the other kids.’
Bij de hoofdingang treffen de twee directrices een van de drie agenten. Die eist dat alle kinderen en medewerkers bijeengeroepen worden. Een half uur later zitten de meeste kinderen aan de lange tafels in de eetkamer, inclusief de joodse kinderen die niet op tijd verstopt konden worden.
Peter Leers zit ook in de val, tegenover hem aan tafel zit één van de overvallers met een pistool. Dan volgt er voor hem een vreemd moment. Zuster Kramer begint borden op te stapelen en duwt hem onder de ogen van de overvaller weg van tafel. Ze brengt hem in een schuilplaats in de kelder. De overvaller moet het gezien hebben.
De agenten willen weten wie van de andere kinderen aan tafel joods zijn. De kinderen worden op uiterlijke kenmerken bekeken. In eerste instantie worden de zesjarige Edu Keizer (alias ‘Eduard Brederode’), de driejarige Martijn Altmann (‘Christiaan Koudeijs’) en de eenjarige Bennie Waterman (‘Bernard Veldhuizen’) gearresteerd als joodse kinderen. Dan komt plotseling de zesjarige Raphael Altmann (‘Willem Anton Koudeijs’), het broertje van Martijn, van onder de tafel tevoorschijn. Raphael moet ook mee. Martin Altmann zegt tegen zijn oudere broertje: ‘Wanneer komen we hier terug?’ Raphael beslist: ‘We komen hier nooit meer terug.’
De agenten bestellen telefonisch bij een garage in Zeist twee auto’s. Ze willen een van de directrices meenemen, als verantwoordelijke voor het laten onderduiken van de joden. Na overleg zegt Grietina Kramer: ‘Miek, ga jij maar, want met jouw slechte gezondheid kun jij het huis niet runnen.’ Marie Moll van Charante gaat mee. Het gezelschap vertrekt dan naar het politiebureau in Zeist, waar zeven arrestanten overgedragen worden. Het zijn de vier joodse kinderen, de weduwe Gosschalk-van Spiegel, Marie Antoinette Moll van Charante en de student. Uit het Zeister politiedagrapport van donderdag 24 februari 1944:
‘15.45 uur Worden door de opperwachtmeester Domselaar en wachtmeester v.d. Bank per auto en trein gebracht naar Amsterdam de volgende personen. Frits Donker, geb. te Amsterdam 15 Augustus 1919, bouwk. tekenaar, won. Noordeinde 5 Naaldwijk, Anna van der Plas-van Zadel, geb. te Zandvoort 17-10-95, wonende te Scheveningen geevacueerd.
Marie Anthonetta Kamer-Moll van Charrante, geb. te Weenen 13-9-1899, wonende Oranje Nassaulaan No 71. En de volgende kinderen: Frits Koudijs oud 6 jaar, Frans Koudijs oud 4 jaar, Eduard Brederoode oud 5 jaar, Bennie 1 ½ jaar.
Deze personen waren gebracht door de recherche van Amsterdam.’
De agenten Domselaar en Van de Bank van de gemeentepolitie Zeist moeten de arrestanten naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam brengen. De vier kinderen worden de volgende dag naar de crèche tegenover de Hollandse Schouwburg gebracht.
Op die fatale 28e februari 1944 zijn de elfjarige Alfred Hamburger en zijn negenjarige zusje Floortje naar de hei gevlucht – waarschijnlijk naar het tegenover Zonneschijn gelegen Stuifheuvel-gebied – waar ze de nacht (!) van 28 op 29 februari doorbrengen. De temperatuur schommelt ’s middags tot en met de volgende dag van -4 tot 4 graad Celsius. Een koude nacht dus.
Alfred vraagt Floortje de volgende ochtend om voorzichtigheidshalve nog even te blijven, maar ze wil per se terug naar Zonneschijn. Ze wordt meteen ondergebracht op Lorentzlaan 103, bij de weduwe Louise Was-Maltha op Professor Lorentzlaan 103. Daar zal ze op 30 juni 1944 met haar onderduikgeefster verraden worden, met voor beiden fataal gevolg.
Zelf gaat Alfred een halve dag later terug, maar een vrouw roept vanuit een raam van Zonneschijn dat hij weg moet gaan, omdat de overvallers nog terug kunnen komen. Hij wordt dan voor even ondergebracht bij een tandarts in Zeist en vervolgens door een Utrechtse studente naar Nijverdal gebracht. Daar komt hij in onderduik bij een Frans gezin, dat betrokken is bij de productie van kleding bij Ten Cate (kleurstoffen). Bij een bominslag komen de echtgenoot en zoon van het gezin om, waarna de onderduikgeefster in de war raakt en haar verdriet afreageert op Alfred. Die wordt dan bij een fietsenmaker in Nijverdal geplaatst, zijn zevende onderduikadres.
Als de oorlog afgelopen is, zoekt Alfred (13 jaar oud) zijn ouders door een briefje te schrijven naar een buurman in Heemstede. Het Rode Kruis had hem niet snel geholpen. Na de bevrijding raakt zijn ouderlijke gezin niet meer over de ondervonden ellende heen.
In het tehuis zaten ook Max Rood, samen met zijn zuster Jetty. Op 28 maart 1944 is hun vader Isidor Maurits Rood in Zeist gearresteerd. Heeft hij een bezoek gebracht aan zijn kinderen? Max en Jetty Rood worden na de razzia ondergebracht op Verlengde Slotlaan 15 respectievelijk Van Renesselaan 70. De kinderen zullen de bezetting overleven, net als een broer en een zusje, maar hun beide ouders worden vermoord.
Max Rood zal jaren later een prominente Nederlander worden. De advocaat Rood wordt minister en hoogleraar sociaal recht in Leiden. Max Rood is in het derde kabinet-Van Agt minister van Binnenlandse Zaken namens D66. Eerder maakt hij al deel uit van het Schaduwkabinet-Den Uyl. Zijn echtgenote Madzy de Boer, eveneens hoogleraar, is in 1972 eveneens schaduwminister.
Het illegaal werk in Zeist moet overuren gedraaid hebben om alle oudere en jongere onderduikers elders onder te brengen. In elk geval zijn de twee grootste jodenhelpers in Zeist hierbij betrokken. Anton Lingeman zorgt voor kinderen en Kees Kirpensteijn brengt enkele oudere onderduikersters onder, zoals de zusjes Agnes en Eleonore Beem die naar Pauw van Wieldrechtlaan 13 en 24 gaan.
Daags na de inval zegt ‘tante Zuster’ tegen het joodse onderduikertje Robert Kan, dat hij die avond opgehaald zal worden. De hele dag verkeren Robert Kan en de andere joodse kinderen, die bij de inval gespaard zijn gebleven, in spanning wat hen te wachten staat. En dan komt er inderdaad ’s avonds een vreemde man Robert Kan ophalen: ‘He took my hand and we left through the big front door without saying goodbye to anyone.’
Peter en Inge Leers worden na de schokkende razzia gescheiden van elkaar ondergebracht in Amsterdam, waar ook hun moeder verblijft. De reden waarom Peter zo opzichtig gered kon worden, zal hem later duidelijk worden. De dubbelspion zou bij zijn verraad bedongen hebben dat de twee kinderen Leers gespaard moesten blijven bij de razzia. Eerder had hij Edith Leers-Abel, toen ze verraden was en zich in handen van de Sicherheitspolizei bevond, weer vrij weten te krijgen.
De broertjes Altmann, Eduard Keizer en Saartje Gosschalk-Van Spiegel worden op 9 maart 1944 overgebracht naar Kamp Westerbork. De jongetjes gaan dan naar het weeshuis, barak 35. Saartje komt in strafbarak 69, want op onderduiken heeft de bezetter zware straffen gezet. Zij gaat op 23 maart 1944 op straftransport naar Auschwitz, en dan moeten de broertjes Martijn en Raphael Altmann en Edu Keizer ook mee. Na aankomst op 26 maart worden de kinderen meteen na aankomst vermoord. Saartje Gosschalk-Van Spiegel wordt op 31 augustus 1944 vermoord. Haar vijf kinderen zullen allen de bezetting overleven. Van Saartje is een ongedateerde brief bewaard, die ze in Kamp Westerbork met de hand geschreven heeft en die vervolgens gecensureerd is.
De eenjarige Benjamin Waterman zal ook naar het weeshuis van Kamp Westerbork gebracht zijn? Dat staat niet geregistreerd. Op zijn Joodse Raad-kaart staat: ‘Onbekend kind nr. 8. Zie Bernard Veldhuizen [onderduiknaam van Benjamin]’. Na drie weken wordt Benjamin echter herenigd met zijn ouders, want het echtpaar Erna en Barend Waterman-Rath wordt op 1 april 1944 in het kamp ondergebracht. In de strafbarak 67, dus vermoedelijk zijn ook zij in onderduik gearresteerd. Dan gaat het snel. Op 5 april gaan ze op straftransport naar Auschwitz, waar Benjamin en zijn moeder op de dag van aankomst vergast worden, op 8 april 1944. Barend Waterman wordt viereneenhalve maand later omgebracht, op 31 augustus 1944.
Directrice Marie Antoinette Moll van Charante wordt verhoord en beschuldigd van illegaal activiteiten. Ze wordt langere tijd vastgehouden en daarna zit ze nog een tijd in het Huis van Bewaring in Amsterdam. Haar broer probeert zijn zus vrij te kopen, maar beschikt niet over het benodigde vermogen. Collega-directrice Grietina Kramer wel, maar zij wil niet verder gaan dan 3.000 gulden. Dat is niet genoeg.
Op 6 april 1944 wordt Marie Moll van Charante naar Kamp Vught vervoerd, waar gevangene 0877 dwangarbeid moet verrichten voor Philips. Vanaf 26 augustus ligt ze in het hospitaal van het kamp. Op 23 september zou haar straf er op zitten – op jodenhulp staat sinds eind maart 1943 zes maanden – maar op 5 september, Dolle Dinsdag, wordt besloten het kamp te ontruimen en een dag later worden alle geïnterneerde vrouwen per trein naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück in Duitsland gestuurd. Marie Moll van Charante overlijdt daar waarschijnlijk door uitputting of een infectieziekte op 6 maart 1945. (Op een tweetal documenten staat aangetekend dat ze vergast zou zijn in februari 1945.)
Huize Zonneschijn blijft onder leiding staan van Grietina Kramer die het hele vermogen van Marie Moll van Charante heeft geërfd, wat in 1946 is geschat op 122.000 gulden (qua koopkracht een bedrag tussen de €800.000 en €900.000). In 1952 stopt ze met de exploitatie van Zonneschijn, trouwt alsnog en verhuist naar Oost-Nederland. Ze overlijdt in 1979, op 91-jarige leeftijd.
Het pand Oranje Nassaulaan 71 krijgt andere bestemmingen, tot het in 2001 wordt afgebroken.
Op 20 mei 2026 laat de gemeente Zeist struikelstenen onthullen voor Liliane Laure Dreyfus, Raphael Altmann en Martijn Franklin Altmann nabij hun voormalige woonadressen in Zeist.
Belangrijkste bron: Jim Terlingen, ‘Schaduw over Zonneschijn’, Brave New Books, 2016
Bronnen:
- Gemeentearchief Zeist, bevolkingsregister voormalige bewoners inrichtingen (I-1036, doos 2), inschrijvingen bij Zonneschijn; map 225, kopieën van politiemeldingen aangaande joden; register van illegalen (1499-1500), 15 valse identiteiten voor Zonneschijn en een valse registratie voor Werner Robert Ludwig Runge
- Zie de bewezen onderduikadressen Acacialaan 2a, Pauw van Wieldrechtlaan 13 en 24, Professor Lorentzlaan 103, Van Renesselaan 70 en Verlengde Slotlaan 15
- Stadsarchief Den Haag, personen, gezinskaart voor het gezin van Henri Leonard Zeldenrust
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaart voor Caroline Juliette Zeldenrust
- Wikipedia, Henri Leonard Zeldenrust (straftransport niet vermeld)
- Jim Terlingen:
- ‘Schaduw over Zonneschijn’, Brave New Books, 2016
- ‘Trui van Lier, Utrechtse verzetsvrouw’, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2026
- Robert Kan, ‘How Warm it Was and How Far’, Vantage Press, New York, 2008 (niet geraadpleegd)
- Micha (Simon Michael) Namenwirth, ‘Nico – herinneringen aan de onderduik’ (opgenomen in ‘Verzameld Werk I’), Aspect, Soest 2010
- www.joodserfgoedrotterdam.nl, Peter Leers
- John Ree (pseudoniem van prof. dr. Joseph Zvi Namenwirth), ‘A Happy Holocaust’, privé-uitgave, 1991 (niet geraadpleegd)
- Kamp Westerbork, Collectie – Een Naam en een Gezicht
- Mededelingen van Henny Hamburger-Meester
- ITS Arolsen, digitale collecties, informatie over Marie Moll van Charante, Joodse Raad-kaarten voor het gezin Waterman-Rath, gearresteerde kinderen, de leden van het echtpaar Zeldenrust-Enthoven en het gezin Hamburger-van Os
- joodsbw.nl, Database Joods Biografisch Woordenboek, David Abraham Hamburger
1. Kindertehuis Zonneschijn
2. Advertentie voor kindertehuis Zonneschijn
3. Liliane Dryfuss op het monument in het Walartpark in Zeist met haar moeder en broertje
3.a. Onduidelijk is gebleven waarom Paul Dreyfus niet met zijn gezin naar Nederland kwam. Hij overleefde de oorlog.
4. Saartje Gosschalk-van Spiegel
5. Saartje Gosschalk-van Spiegel met haar eerste kleinkind in 1941.
6. Fragment van een brief die Saartje Gosschalk-van Spiegel nog vanuit Kamp Westerbork schreef
7. Eduard Keizer met zijn moeder
9. Valse persoonsregistratie voor Eduard Keizer
10. Martijn Altmann
11. Valse persoonsregistratie voor Martijn Franklin Altmann
12. Raphaël Altmann
13. Valse persoonsregistratie voor Raphael Altmann
14. Robert Kan emigreerde later naar de VS, waar hij de episode in Zonneschijn in zijn boek ‘How Warm it Was and How Far’ nog een keer beschreef
15. Floortje en Alfred Hamburger eind jaren ’30
16. Oproep in De waarheid van 29 oktober 1945 om inlichtingen over Rudy Paardje.
17. Tekening van het kindertehuis
















