Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 83-88; uitgebreid aangevuld)
In memoriam:
- Abraham Cohen, confectiefabrikant (Veendam, 10 februari 1900 – Sobibor, 4 juni 1943), bereikte de leeftijd van 43 jaar en
- echtgenote Henriette Martha Cohen-Serlui (Amsterdam, 8 oktober 1897 – Sobibor, 4 juni 1943), bereikte de leeftijd van 45 jaar
- Zoontje Samuel Abraham Cohen (Amsterdam, 27 november 1932 – Sobibor, 4 juni 1943), bereikte de leeftijd van 10 jaar
- Zoontje Joseph Elias Cohen (Amsterdam, 8 februari 1934 – Sobibor, 4 juni 1943), bereikte de leeftijd van 9 jaar
- Julie Rika Vet, kinderverzorgster bij de Joodse Raad voor Amsterdam (Zaandam, 17 november 1923 – Sobibor, 4 juni 1943), bereikte de leeftijd van 19 jaar
Ook ondergedoken:
- Een onbekend kind. Geen nadere gegevens en dus ook het lot onbekend
In memoriam (ontvlucht bij inval, maar in het buitenland gearresteerd):
- Onderduikgever Willem Koudijs, reiziger (Austerlitz, 15 mei 1900 – Buchenwald, 8 oktober 1944), bereikte de leeftijd van 44 jaar
Onderduikgeefster:
- Echtgenote Jannetje Koudijs-Bos (Zeist, 13 februari 1902 – Zeist, 22 september 1968)
Twee zoons (1926, 1934)
Op 23 maart 2021 neemt Michal Doron, een Engels sprekende toergids in Amsterdam, per mail contact op. Ze helpt een vriendin in Israël om haar familiegeschiedenis in Nederland gedurende WO II te achterhalen. Het zou om de lotgevallen gaan van het echtpaar Abraham en Henriette Cohen-Serlui en hun zoons Samuel en Joop (Joseph). Die waren eind mei 1943 opgepakt in Zeist en op 4 juni vermoord in Sobibor, na enkele dagen in Kamp Westerbork. Ook de onderduikgever had de oorlog niet overleefd, maar over hem (naam, hoe/waar gestorven?) is Michal niets bekend. Of onze research gestuit is op een soortgelijk verhaal? Jazeker, het gaat om het drama van Oranje Nassaulaan 6, dat beschreven staat in het grote Onderduikboek.
Zoals gebruikelijk, ontstaat er in enkele dagen een intensieve wisselwerking vanwege de wederzijdse belangstelling. Naar aanleiding van de zending van de desbetreffende paragraaf uit het grote Onderduikboek ontvangen we onder meer een link met een lang interview dat Esther Steiner-Cohen heeft afgegeven aan de USC Shoah Foundation, op 12 november 1996. In drie deel-interviews van elk circa een half uur vertelde ze over de droevige geschiedenis. Uit dat interview blijkt dat ze niet in Zeist, ondergedoken heeft gezeten, zoals werd beweerd.
Esther was de enige overlevende van het gezin Cohen-Serlui. Ze werd geboren op 11 september 1926 in Amsterdam en overleed op 27 oktober 2020, 94 jaar oud, in Haifa (Israël).
Haar ouderlijke gezin woonde in de Michelangelostraat in Amsterdam. Behalve Esther waren er de jongere broers Samuel (1931) en Joop (Joseph) (1934). Vader Abraham dreef een fabriek in jurken, met 200 werknemers. Moeder Henriette Cohen-Serlui hielp op kantoor met brieven in vreemde talen e.d.
Esther bezocht gedurende vier jaar een Daltonschool, maar, omdat ze door de sabbat veel lessen miste, stapte ze voor de laatste drie jaar over naar een joodse lagere school. Vervolgens ging ze naar het middelbaar onderwijs. Haar broertje Samuel doorliep een joodse school, terwijl jongste broertje Joop een openbare school bezocht. Tot 1 september 1941, toen alle joodse kinderen naar speciale joodse scholen moesten. Voor de bezetting was er sprake van een onbezorgde jeugd, er werd veel aan sport gedaan, zoals tennissen, zwemmen, kanoën. Dat werd door de bezetter allemaal verboden voor joodse mensen.
Esther Cohen wist nog precies wanneer de oproep kwam voor vertrek naar het Oosten. Haar vader wist via de Joodse Raad tijdelijk een Sperr voor haar te regelen. Ze werd kinderverzorgster in een kindertehuis, totdat het gezin besloot te gaan onderduiken.
Het besluit om onder te duiken, noemt ze bij het interview het meest vreselijke moment, om te weten dat je niet terug kunt.
Daar zat in dit geval een extra pijnlijk aspect aan verbonden. Het echtpaar Cohen-Serlui had een joodse vluchtelinge uit Duitsland opgenomen. Het was een meisje uit Kassel. Het echtpaar voelde zich niet gerechtigd om dat huisgenootje ook onder te laten duiken – zonder toestemming van haar familie. Omdat het onderduiken in het diepste geheim moest plaatsvinden, was de huisgenote vooraf niets verteld. Ze was thuisgekomen in een verlaten woning, waar een briefje voor haar lag. Een schokkende ervaring voor het meisje. Ze was naar familie gegaan, met hen gedeporteerd naar Bergen-Belsen, maar had dat overleefd. Ten tijde van het interview woonde ze in Newton bij Houston (VS). Esther en zij hadden anno 1996 nog steeds regelmatig contact.
Het tijdstip waarop het gezin Cohen-Serlui hun woning had verlaten, was vrijdag 15 augustus 1942 om vijf uur ’s middags. De beide jongetjes werden meteen ondergebracht bij een katholiek gezin in Elst bij Nijmegen (ze hadden het daar zwaar zonder hun ouders). Esther en haar ouders zouden naar een adres in Hilversum gaan, maar via-via. Ze werden geholpen door een vrouwelijke arts, wier joodse echtgenoot (ook arts) tijdig ontkomen was naar Engeland.
Eerst liepen Esther en haar ouders naar de Ceintuurbaan bij het Sarphatipark, waar ze op een bovenverdieping naast de RIALTO (Ceintuurbaan 338-340) moesten wachten.
’s Avonds deed zich meteen een typisch onderduikprobleem voor. Het eten was stamppot met vlees. Niet koosjer, maar Henriette Cohen-Serlui gaf haar dochter toestemming om het te eten. Het verblijf duurde drie dagen. Elke dag kwam een met vader Abraham Cohen bevriende kapper – die ook spullen voor het gezin in bewaring had genomen – naar hen toe, om hun haar te doen en vooral te bleken.
Op maandag 18 augustus 1942 moest de reis naar Hilversum worden ondernomen. Daarvoor moesten Esther en haar ouders elk apart, de ster bedekt, naar een garage op de Nieuwezijds Voorburgwal lopen, waar een grote verhuiswagen met meubilair klaar stond. Met die wagen – die niet op benzine reed – werden de drie naar Blaricum gebracht. Vandaar werden ze in het donker door de illegaal werker ‘ome Jan’ te voet naar Hilversum gebracht.
Het onderduikadres was aan de Geuzenweg, bij een ex-marinier, wiens echtgenote als dienstbode had gewerkt bij een joods gezin in Amsterdam. Bij hun aankomst om elf uur ’s avonds schrokken ze van de hond, die aansloeg, en de buren alarmeerde, maar ze hadden het er goed. Er werd veel naar de Engelse radio geluisterd. Met de broertjes in Elst – toen 9 en 11 jaar oud – was af en toe via-via contact. In januari 1943 kwam er een einde aan de goede onderduiksituatie. De buren, die een conflict hadden met onderduikgever over een stuk land waren begonnen te dreigen: ‘Als we ’t niet krijgen…’ Esther en haar ouders moesten weg.
Hun helper ‘ome Jan’, een fijne man die iedere maand langskwam (met eten e.d.), bracht ze ’s avonds door de sneeuw naar het tweede onderduikadres, Lorentzweg 100, bij het gezin Wieringa. Daar kregen de onderduikers eigen kamers. Overdag mochten ze beneden zijn, waarbij aan de voorkant de vitrage dicht ging en aan de achterkant de gordijnen. De onderduikgevers waren aardig, en ze hadden het ook daar goed, veel gelezen.
In februari 1943 was vader Abraham Cohen jarig. Voor die gelegenheid bracht ‘ome Jan’ de broertjes. Dat kon, omdat hun onderduiksituatie veranderd was. In Elst liepen te veel Duitsers in de buurt van de boerderij en daarom waren ze naar Huizen gebracht. Op dat onderduikadres zaten tijdelijk 8-10 joodse onderduikers.
Toen de jongens weer terug moesten, was dat verdrietig. Ze hadden gehuild, en hun moeder en de onderduikgeefster ook. Daarop hadden de onderduikgevers besloten dat de broertjes ook mochten komen. Er was ruimte genoeg in huis. Hierdoor waren er wel praktische problemen ontstaan. Er moest namelijk veel voedsel gekocht worden en dat was opgevallen. In combinatie met de dichte gordijnen had een collaborateur gevraagd of er misschien joden in hun huis waren. Kortom, het gezin Cohen-Serlui moest weer weg.
Iemand bracht ze naar Amersfoort, waar ze in een leeg, oud huis kwamen. De ‘helper’ bleek veel geld te willen. Henriette Cohen-Serlui werd nerveus en riep hulp in. Daarop werd het gezin overgebracht naar familie van dokter Kamerling, maar daar zaten tot hun schok nog vijf joodse onderduikers te wachten op een nieuw adres. In Amersfoort waren de wegen van Esther Cohen en de rest van het gezin gescheiden. Als vaste identiteit hadden ze de achternaam ‘Carstens’ aangenomen – Abraham Cohen had voor veel geld valse persoonsbewijzen en distributiekaarten gekocht – en Esther heette ‘Elly Carstens’, een naam die ze gedurende de hele bezetting zou blijven dragen.
Het echtpaar Cohen-Serlui en hun twee zoontjes werden naar Zeist gebracht. Vanuit Amersfoort was Esther nog twee keer bij hen gebracht door illegaal werker Hans Senff die later de dood zou vinden in Dachau. Het afscheid was telkens moeilijk geweest.
Esther was drie weken als huishoudelijke hulp bij een dokter De Hartog in huis geweest en ze was met hulp van de moeder van Hans Senff naar elders vertrokken. Ze had in Amersfoort op de trein moeten stappen en er was haar verteld dat de vrouw die tegenover haar kwam te zitten, haar naar een nieuw adres zou brengen. Dat gebeurde inderdaad. In Beilen waren ze uitgestapt en bleek de zoon van de brengster klaar te staan met twee fietsen. Het nieuwe onderduikadres bleek een huis in een bos in Laaghalerveen te zijn, op enkele kilometers van Kamp Westerbork. Ze was tot de bevrijding in die omgeving gebleven en had vaak joodse dwangarbeiders gezien: ‘Vreselijk!’ Dit adres was voor veertien dagen. In die periode vond een dramatische gebeurtenis plaats.
Op vrijdag 21 mei 1943 was geweldige paniek ontstaan onder het personeel van de Joodse Raad. Op die dag hadden maar liefst zevenduizend medewerkers van de Joodse Raad een oproep gekregen om zich te melden voor vertrek naar Duitsland. De 19-jarige Julie Vet werkte bij de Raad als eerstejaars verzorgster in een tehuis voor joodse kinderen. De vrijstelling van deportatie die ze in verband met dat werk had gehad, was nu vervallen. In een brief op 24 mei aan een vriendin leek Julie niet erg geschokt. Een ‘pretje’ leek het haar niet – haar ouders en zij hielden rekening met tewerkstelling in de zilvermijnen van Polen. Ze schreef: ‘Beste Annie, ik heb een heel tijdje weer niets van me laten horen, maar ’t is nu wel heel noodzakelijk want ik heb zojuist vanmorgen een oproep voor Duitsland gekregen. Ik moet me morgen melden en hoogstwaarschijnlijk zullen mijn ouders als ze er vandaag geen krijgen, er de volgende week wel een krijgen. (…) Je zult waarschijnlijk wel begrijpen dat ik vandaag een beetje krabbel, want het gaat je allemaal niet in je koude kleren zitten. Maar toch ben ik nu ik er voor sta wel een beetje flink, mijn moeder is zenuwachtiger dan ik. (…) Ik ben er niet eens zo erg van geschrokken dat ik een oproep gekregen heb, want ik had me er al op voorbereid toen ik gister van een kennis hoorde dat de lijsten naar belangrijkheid geschrapt waren. Toen wist ik wel dat het niet anders kon dat de eerstejaars geschrapt waren.’
Julie Vet ging er in deze brief van uit dat zich alle opgeroepenen zich de volgende dag, dinsdag 25 mei, zouden melden op de bij het Muiderpoortstation gelegen Polderweg. Maar dat deed lang niet iedereen. Daarom vond op 26 mei een grote razzia in het joodse getto van Amsterdam-Centrum plaats, waarbij 3.000 joodse mensen opgepakt werden. Zelf had Julie Vet zich ook niet gemeld. Nadat ze haar brief had geschreven, ontvluchtte ze Amsterdam, kennelijk in de wetenschap dat ze in Zeist terecht kon op een onbekend gebleven adres in de Oranje Nassaulaan. Ze nam een aan haar zorgen toevertrouwd kind mee. Het was een paniekvlucht, zonder bruikbaar vals persoonsbewijs. Ze gebruikte de vrij joods klinkende achternaam Wijnberg(h) van haar moeder en ze wist de naam van het meegenomen kindje blijkbaar niet.
De onderduikgevers haalden Julie Vet van het station in Zeist. Met haar en het onbekend gebleven kindje kwam het aantal onderduikers op zeven. Het echtpaar Abraham en Henriette Cohen-Serlui uit Amsterdam en hun zoontjes Samuel en Joop waren er al.
Het onderduikavontuur van Julie Vet en het kindje was van hele korte duur. Controleur Abel Dijkstra van de Centrale Crisis Controle Dienst, moest in 1943 regelmatig bij zijn chef zijn, die aan de Oranje Nassaulaan woonde. Dijkstra had op 30 april al samen met jodenjager Evert Drost een inval uitgevoerd op Willem de Zwijgerlaan 10. Een paar weken na die inval had Dijkstra in de gaten gekregen dat de buren van zijn chef onderdak verleenden aan joodse onderduikers. De CCD-controleur rook geld en had zijn chef voorgesteld om zijn buren met die wetenschap af te persen. Zijn chef wilde dat niet en waarschuwde zelfs zijn buren. De gealarmeerde onderduikers zijn daarop naar enkele huizen verderop verhuisd. Naar nummer Oranje Nassaulaan 6, waar het echtpaar Willem en Jannetje Koudijs-Bos woonde. Dat was niet ver genoeg, want Dijkstra had de verhuizing in de gaten gekregen. Hij deelde zijn kennis met Evert Drost. Gezamenlijk voerden ze op maandagmiddag 24 mei omstreeks 14.30 uur een inval uit op Oranje Nassaulaan 6.
Jannetje Koudijs-Bos was op dat moment buitenshuis. Toen ze op de bovenverdieping merkten dat er wat aan de hand is, kon onderduikgever Willem Koudijs nog onopgemerkt in de schuilplaats kruipen, maar de andere onderduikers waren kansloos. Drost had de leiding. Hij stond daar met een revolver in de hand en schreeuwde dat niemand moest proberen weg te komen: ‘Ik schiet je voor je donder, ik schiet je voor je raap!’ Het joodse gezin had geen tijd meer om zich te verschuilen. De kinderen waren op de vliering, en Evert Drost rende daar meteen naar toe. Ze werden allemaal gearresteerd, ook Julie Vet en het onbekende kindje.
Na grondige inspectie van de bovenverdieping vond Drost ook de schuilplaats. Het was donker in de ruimte en Drost moest eerst licht halen om de schuilplaats verder te onderzoeken. Met een aangestoken lucifer erbij bleek de ruimte leeg te zijn. Drost belde het politiebureau om assistentie, maar hij kreeg te horen dat zijn collega’s niet konden komen. (Die waren aan het voetballen op het Schoonhovenveldje achter het bureau. Toen het ging regenen, werd het voetbalpartijtje gestaakt en hervatten de agenten hun dienst.) Uiteindelijk arriveerden inspecteur Jan Karel ter Voorde en een agent op motor met zijspan.
Inmiddels was Willem Koudijs vanuit de schuilplaats op het platte dak van een uitbouw gekropen. Daar zou hij twee uur in de stromende regen blijven liggen.
Op dit punt lopen de verklaringen uiteen. In sommige beschrijvingen zat Esther Cohen ook ergens op het dak verborgen, maar dat was niet zo. De zes gearresteerde onderduikers werden afgevoerd door Evert Drost en CCD-controleur Dijkstra naar het politiebureau. Een tweede agent, die op de motor was meegekomen, bleef achter om te controleren of er nog meer joodse onderduikers tevoorschijn zouden komen. In het holst van de nacht verlieten Willem Koudijs en zijn gezin de woning. De agent had daar zogenaamd niets van gemerkt.
Volgens Esther Cohen zat zij ten tijde van de inval al in het bos bij Laaghalerveen. Ze had daar al eens een nachtmerrie gehad. Ze was in haar droom vlakbij een treinstation, de trein met haar ouders en broertjes reed weg en Esther miste die trein. Die droom kwam uit. Op haar nieuwe onderduikadres was op een avond een bezoeker uit Amersfoort gekomen. Esther moest gaan zitten, waarop haar werd verteld dat haar ouders en broertjes in Zeist waren gearresteerd. Tot haar dood in oktober 2020 dacht ze – en daar had ze een groot schuldgevoel over – dat haar vader schuldig was aan de ontdekking, omdat hij een kapper zou hebben bezocht.
Op 24 mei 1943 – Julie Vet was er amper 1-2 dagen – werden de arrestanten om 19.00 uur op het bureau van de gemeentepolitie gebracht, en ingesloten in cellen. Volgens hun papieren ging het om het echtpaar Albert en Henriette Carstens, hun zoons Frits en Joop, Rika Wijnber(g)h en ‘een klein kind wier naam en verdere gegevens onbekend zijn’. Ze werden bij fouillering ontdaan van hun persoonlijke bezittingen, en Drost nam zelf een bedrag van 60 gulden in beslag. Het gezin Cohen-Sarlui moest de nacht doorbrengen in cel 2, terwijl Julie Vet met het kindje in cel 3 moest overnachten. In het politienachtrapport werden allen nog onder hun valse namen geregistreerd. De volgende ochtend vroeg brachten opperwachtmeester Drost en een agent de zes arrestanten naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam.
In ‘Het Zeister verzet, De geschiedenis van Zeist in de bezettingstijd’ schreef Annemiek Bal dat de Sicherheitspolizei toen besloot om Drost in te schakelen voor de jacht op joodse onderduikers. Voor elke arrestant ontving hij de gebruikelijke premie.
Drost liet de onderduikgever ook niet met rust:
‘10. ½ uur Opspooring en voorgeleiding wordt verzocht van WILLEM KOUDIJS, geb. 15 mei 1900 te Zeist, van beroep vertegenwoordiger, won. Oranje Nassaulaan 6 te Zeist. E.C.D.’
Tegen de in Driebergen wonende zwager van Willem Koudijs zei Drost: ‘Krijgen doe ik hem toch, want hij is wel wat te veel koningsgezind.’
De nasporingen van Evert Drost zouden zonder resultaat blijven, maar het gezin Koudijs-Bos betaalde een hele hoge prijs voor het onderduik geven. Jannetje Koudijs-Bos en haar twee zoontjes bleven drie weken weg, uit angst voor arrestatie, en Willem Koudijs durfde helemaal niet meer terug te keren naar zijn woning. Hij vluchtte zelfs naar het buitenland. Na veel omzwervingen kwam hij terecht in Frankrijk, waar hij op 29 januari 1944 opgepakt zou worden. Hij werd naar Buchenwald gebracht en overleed daar op 12 oktober 1944 aan zijn ontberingen.
Bij de Sicherheitspolizei werden de ware identiteiten van de onderduikers uiteraard snel duidelijk. Op 29 mei 1943 werden ze overgebracht naar Kamp Westerbork. Waar het onbekende kindje bleef, is niet duidelijk. Julie Vet moest al op dinsdag 1 juni vanuit Kamp Westerbork naar Sobibor, acht dagen na de oproep voor deportatie en haar kortstondige vlucht. Op de dag van aankomst, 4 juni, werd ze daar meteen vermoord.
Haar ouders Nol en Betsie Vet moesten drie maanden later naar Kamp Westerbork. De periode-Sobibor was toen al voorbij. Zij werden op 3 september 1943 binnengebracht in Auschwitz, waar ze onmiddellijk na hun aankomst door vergassing om het leven werden gebracht.
Abraham en Henriette Cohen-Serlui en hun zoontjes Samuel en Joop volgden dezelfde lijdensweg als Julie Vet. Ook zij werden vermoord op 4 juni 1943.
Er kwamen later geruchten dat Evert Drost de gevluchte Esther Cohen alsnog in De Bilt had weten te arresteren, maar ook dat is niet juist.
Na 14 dagen in het Drentse Laaghalerveen was Esther Cohen naar haar definitieve onderduikadres gebracht, een gezin met een zoon in Duitsland, twee kleine dochters en een dochter op de middelbare school. Iedereen in het dorp kende haar, ze kwam zogenaamd uit Indonesië. De vrouw des huizes was strak en nerveus, maar ze had goed op kunnen schieten met de dochter die ongeveer van haar leeftijd was. Esther moest wel heel hard werken, overdags in huis en ’s avonds op het land. Dat was ze niet gewend. Ze moest om 7 uur de kinderen aankleden en verzorgen. Er was geen stromend water, geen elektriciteit, alleen kaarslicht.
Ze maakte verschillende razzia’s mee, er werd ook gejaagd op arbeidskrachten. Esther moest zich tijdens zo’n razzia verschuilen in de hooiberg. Ze bleef van mei 1943 tot mei 1945. Onderduikgever Blokker was zeer gelovig en had wel bijna elke dag geprobeerd haar te bekeren: ‘Jezus is de juiste God, Esther’. Hij had haar aan het twijfelen gebracht. Maar na de oorlog zag ze joodse kinderen in het kamp in Westerbork en wist ze weer zeker dat ze joods wilde zijn.
Op 14 april 1945 kwamen de Canadezen en werd er gefeest in Assen.
‘Elly Carstens’ werd weer Esther Cohen en ze wilde weg. De voormalige onderduikfamilie had moeite om haar te laten vertrekken naar familie van vaderskant, op een adres aan het Bovendiep in Veendam-Wildervank. Ze waren aan haar gewend geraakt en ze was een goede arbeidskracht geworden. Toen de familie haar toch op kwam halen met de taxi had ze zich eindelijk bevrijd gevoeld. Ze ging begin augustus 1945 terug naar Amsterdam. Eind januari 1946 kon ze terecht bij familie in Manchester in Engeland. Ze koos voor een opleiding tot verpleegster in een joods hospitaal. Meer dan 4 jaar later kwam ze weer naar Amsterdam, om medio januari 1951 te emigreren naar Haifa in Israël. Daar was ze een jaar later getrouwd met de orthopedisch chirurg Eugen Steiner, met wie ze in de periode 1953-1967 een zoon en twee dochters had gekregen.
Dochter Ronit Steiner is de vriendin van Michal Doron die het contact met ons opnam. Ze is geïnteresseerd in het echtpaar Koudijs-Bos dat zo’n hoge prijs betaalde voor hun onderduikhulp.
Contact met kleinzoon Charles Koudijs leert dat er in de familie niet of nauwelijks gesproken is over de tragische oorlogsgebeurtenissen. Zijn vader Jan Willem Koudijs – hij was 16 jaar ten tijde van de overval – had zijn vader Willem nadien nog maar één keer gesproken, rug tegen rug in een tram.
Als de rustig pratende Esther Steiner-Cohen tijdens het interview op 12 november 1996 aan de USC Shoah Foundation vertelt over de Holocaust slachtoffers in haar familie, breekt ze even. Ook helpers als ‘ome Jan’, Hans L. Senff en Willem Koudijs hebben de bezetting niet overleefd.
De arrestatie van de onderduikers op Oranje Nassaulaan 6 dreunde, naar verluidt, ook door bij de gemeentepolitie Zeist. Er zou overleg plaatsgevonden hebben tussen de waarnemend korpschef Goorhuis en de burgemeester Visser, met de vraag hoe de schade verder zo veel mogelijk beperkt kon worden. Onder meer zou voortaan gebruik gemaakt worden van een illegale telefoonverbinding van de kelder van het politiebureau naar het gemeentehuis, waarlangs gewaarschuwd kon worden in geval van dreiging. Verder zou er zoveel mogelijk vertraagd worden. Slechts drie inspecteurs mochten als woordvoerder naar de Sicherheitspolizei optreden en moesten telkens zogenaamd eerst contact met hun chef opnemen.
Bronnen:
- Mededelingen van Charles Koudijs en Ronit Steiner
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), inventarisnummers 700 II-62533 en BvRC 847/48, E.C. Drost, en informatie uit de rapportenboeken van de gemeentepolitie Zeist
- Annemiek Bal, ‘Het Zeister verzet’, 68-69
- www.joodsmonumentzaanstreek.nl, Arnoldus en Betty Vet-Weinberg en dochter Julie Rika
- Digitaal joods monument, gezinsleden Cohen-Serlui
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor de gezinsleden Cohen-Serlui
- Kamp Westerbork, Naam & gezicht
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaart voor Esther Cohen
- Interview op 12 november 1996 van Esther Steiner-Cohen aan de USC Shoah Foundation
- www.verzetsmuseum.org/dachau, www.herdenkingsstenenamersfoort.nl/steenlegging/dorrestein-en-leusderkwartier (Hans Ludo Senff)
1. Oranje Nassaulaan 6
3. Henriette Cohen-Serlui en haar drie kinderen
4. Abraham Cohen
5. Henriette Martha Cohen-Serlui
6. Joop (Joseph) Elias Cohen
7. Samuel Abraham Cohen
8. Esther Cohen
9. Vals en echt persoonsbewijs van Esther Cohen
10. Julie Rika Vet
11. Evert Drost
12. Willem Koudijs en Jannetje Koudijs-Bos met hun zoontjes
13. Oproep in Het Parool van 25 juni 1945
14. Overlijdensbericht op 22 juni 1945 van Willem Koudijs
15. Oproep in Telex van 2 augustus 1945
15a. Esther Steiner-Cohen














