Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina 436 en het Supplement, pagina’s 116-125)

Onderduikers:

  • Klaartje Metz-de Leeuw, gehuwd (Amsterdam, 19 december 1897 – Amsterdam, 8 mei 1980)
  • zuster Betje Moscou-de Leeuw, gehuwd (Amsterdam, 22 juli 1899 – 15 mei 1960)
  • dochter Bertha Moscou (Amsterdam, 15 april 1929 – Beverwijk, 20 november 2008)
  • dochter Minny Clara Moscou (Amsterdam, 5 oktober 1931 – Bilthoven 15 augustus 2008)
  • Erich Kahn (Hamburg, 11 september 1929 – Sydney, Australië, 6 april 2015)
  • Erwin Helmuth Kampelmacher ongehuwd, student (Wenen, 6 mei 1920 – Utrecht, 15 september 2011)
  • vriendin Friederike Prüfer, ongehuwd (Wenen, 18 november 1924 – Scheveningen, 2 november 2011)

Onderduikgeefster:

  • Elizabeth Dine Sophia Wolf, ongehuwd, correspondente (Serooskerke, 9 augustus 1901 – Bilthoven, 23 april 1996)

Het grote Onderduikboek was amper verzonden naar de drukker, of Yvonne Lips-Tichelman uit Amersfoort meldde zich. Of er nog een verhaal bij kon? Het betrof het adres Oranje Nassaulaan 54, waar in het boek een paragraaf aan is gewijd. De onderduikgeefster was een zuster van Yvonnes grootmoeder. Via Yvonne ontstond ook contact met achtereenvolgens Florine Vermaas, Peter Aronius en Mike Kampelmacher, alle drie nazaten van voormalige onderduikers op voornoemd adres.

Op basis van hun inbreng en aanvullend onderzoek kon de paragraaf over Oranje Nassaulaan 54 compleet herschreven worden. De feiten klopten wel, maar de onderduikers kregen namen en bovendien bleek dat er meer waren geweest. Onderduikgeefster Bep Wolf en haar zuster Dina Wolf-Brill, die in de buurt woonde, waren belangrijke illegaal werksters geweest. Belangrijker dan al uit het Onderduikboek bleek.

In 1934 vestigden Frank Willem Jacob Wolf (Beekbergen, 1860), Johanna Elisabeth Wolf-Ploos van Amstel (Ferweradeel, 1865) en hun vrijgezelle dochter Bep zich op Oranje Nassaulaan 54. Frank Wolf was emeritus gereformeerd predikant. Hij en zijn echtgenote hadden elk een predikant als vader gehad en kwamen uit aanzienlijke families. Ploos van Amstel was een adellijk geslacht, terwijl het geslacht (Barkey) Wolf in 1938 werd opgenomen in het Nederland’s Patriciaat.

Frank Wolf had zelf geen predikant moeten worden – hij was er te werelds en te avontuurlijk voor – maar hij probeerde er wel wat van te maken. Zijn carrière als predikant werd vervolgens bepaald door twee factoren.

Vooral door zijn huwelijk met predikantendochter Johanna Ploos van Amstel. Haar vader Johannes Jacobus Asuerus Ploos van Amstel, predikant in het piepkleine Friese dorpje Reitsum, was een van de prominente volgers van Abraham Kuyper geweest. Predikant Ploos van Amstel was meegegaan in de gereformeerde afsplitsing van de hervormde kerk, in het laatste kwart van de 19e eeuw. Frank Wolf had zijn schoonvader op dat spoor gevolgd.

Een probleem – de tweede factor – was dat Wolf zijn stembanden had geforceerd, met blijvende schade. Daardoor was hij als predikant blijven steken in de kleine, voor hem en zijn gezin te bekrompen, gereformeerde kerk van Vrouwenpolder op Walcheren. Hij had daar van 1895 tot 1922 gewerkt. Het echtpaar Wolf-Ploos van Amstel had daar in 1900 eerst een zoon voortgebracht. Frank junior was echter slechts zes dagen oud geworden. In 1901 en 1902 werden dochter Bep respectievelijk dochter Dina geboren.

Toen ze naar Zeist kwamen, waren Frank en Johanna Wolf-Ploos van Amstel zeventigers. Of ze in Zeist nog de gereformeerde kerk bezochten, is niet duidelijk. In elk geval liet dochter Bep Wolf het geloof radicaal achter zich, terwijl dochter Dina Wolf-Brill – die zich in 1939 in Zeist vestigde – een verlichte vorm beleed.

Johanna Wolf-Ploos van Amstel overleed op 21 december 1942. Haar ernstig dementerende echtgenoot zou op 20 mei 1944 overlijden. Ondanks die omstandigheden nam Bep Wolf – die ook nog een baan had – meerdere joodse onderduikers in huis, op verschillende momenten en uit verschillende families. Hetzelfde deed haar zuster Dina op Hoog Kanje 5.

De gereformeerde achtergrond van de twee domineesdochters speelde geen dominante rol, zoals in veel andere Zeister onderduiksituaties wel het geval was. Omdat ze niet meededen aan de in Nederland gangbare verzuiling, raakten Dina Brill-Wolf en Bep Wolf bevriend met Dina’s rooms-katholieke buren op Hoog Kanje 3, die onderduik gaven aan een joods meisje. Buurman Joop Banens was bovendien betrokken bij het illegaal werk in Zeist en mogelijk kwamen de onderduikers via hem naar Hoog Kanje 5 en Oranje Nassaulaan 54.

Tijdens de bezetting gingen de dochters van Joop Banens ook vaker op bezoek bij ‘Beppe Wolf’, op Oranje Nassaulaan 54. Daar ontmoetten ze twee oudere joodse onderduiksters: ‘tante Clara’ – die hen breien leerde – en haar zuster. Die zuster had twee dochters, Minny en Berry die ook naar het onderduikadres kwamen en tot de bevrijding bleven. Bij het interview voor het boek konden de dochters van Joop Banens zich niet de identiteit herinneren van die vier onderduiksters. Maar met de informatie van kleindochter Yvonne Lips-Tichelman van Dina Brill-Wolf kon die identiteit alsnog vastgesteld worden. ‘Tante Clara’ was Klaartje Metz-de Leeuw. Zij zou korter op Oranje Nassaulaan 54 zijn geweest. De langstzittende onderduikers bij Bep Wolf waren Betje Moscou-de Leeuw (‘Tante Dora’) en haar later gekomen jonge dochters Berry en Minny.

Klaartje Metz-de Leeuw (Amsterdam, 1897) en Betje Moscou-de Leeuw (Amsterdam, 1899) waren dochters van Abraham en Bertha de Leeuw-van Geens. De derde dochter in het Amsterdamse gezin was nakomertje Henriette (1907). De joodse religie speelde geen rol in het gezin. Moeder Bertha overleed al op 43-jarige leeftijd en zes jaar later hertrouwde Abraham de Leeuw met de maar liefst 20 jaar jongere Sara Worms. In dat huwelijk werd medio november 1924 nog een dochtertje geboren, Willy de Leeuw.

Klaartje en Betje de Leeuw waren al getrouwd, Klaartje met leerbewerker Samuel Metz en Betje met de drie dagen jongere, zelfstandige schoenmaker David Moscou.

Klaartje en Samuel Metz-de Leeuw kregen twee zoons en Betje en David Moscou-de Leeuw twee dochters. Henriette de Leeuw bleef ongehuwd en zou in 1939 intrekken bij haar zuster Betje en haar echtgenoot David Moscou, op Transvaalstraat 78. Alles bleef zich afspelen in Amsterdam.

Er zijn foto’s uit de jaren dertig, bijvoorbeeld van vakantie in Zandvoort aan zee. Met de wetenschap van anno 2020 doen die foto’s wrang aan, want eind 1943 zou de familie totaal uit elkaar gerukt zijn.

Abraham de Leeuw overleed op 16 november 1940, 71 jaar oud, precies op de 16e verjaardag van zijn jongste dochter Willy. Die kon kennelijk niet goed met haar moeder door een deur, want anderhalve maand na het overlijden van haar vader, op oudejaarsdag 1940, liep Willy van huis weg. Het opsporingsbericht haalde alle kranten op 6 januari 1941, omdat zich nog drie minderjarigen onttrokken hadden aan het ouderlijke gezag. Een enkele krant publiceerde zelfs een foto en een signalement (‘Joodsch type’). Een dag later was Willy de Leeuw weer terecht. Maar er bleven problemen, want op 15 oktober 1942 werd ze op bevel van de kinderrechter opgenomen in het Pedagogium Achisomog in Apeldoorn. Dat was een aan de psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch gelieerde opvang voor zwakzinnigen en moeilijk opvoedbare kinderen.

Willy’s halfzuster Henriette de Leeuw was al op 30 september 1942 vergast in Auschwitz en een dag later hun (stief)moeder Sara de Leeuw-Worms. Willy zelf zou vier maanden later gedeporteerd worden, nadat het Pedagogium Achisomog in de nacht van 21 op 22 januari 1943 ontruimd was, tegelijk met Het Apeldoornsche Bosch. Drie dagen later werd Willy de Leeuw bij aankomst in Auschwitz meteen vergast.

Samuel Metz was al in het najaar van 1942 opgepakt, mogelijk bij een razzia. Hij was begin oktober in Kamp Westerbork beland en was drie dagen later naar Auschwitz gedeporteerd. Daar hield hij het viereneenhalve maand vol. Klaartje Metz-de Leeuw en haar zoons Andries en Fred waren intussen ondergedoken. Zoon Andries werd verraden door een vriendje dat in dezelfde laan woonde en gearresteerd. Hij werd op 26 augustus 1943 als ‘strafgeval’ opgesloten in strafbarak 67 van Kamp Westerbork en vijf dagen later bij voorrang gedeporteerd naar Auschwitz. Zeven maanden later stierf de 18-jarige Andries.

Betje Moscou-de Leeuw, haar echtgenoot David en haar dochters Berry en Minny waren ook ondergedoken. Toen hadden ze al veel meegemaakt. In de ooit zo rustige Transvaalbuurt hadden zich ellendige taferelen afgespeeld. Razzia’s, arrestaties, wanhoop en paniek waren aan de orde van de dag geweest.

Van Betje Moscou-de Leeuw weten we dat ze een vals persoonsbewijs kreeg op naam van Johanna Hendrika Pronk, echtgenote van Johannes Dalhuizen, een Amsterdamse arts. Dat waren bestaande personen. De vraag is hoe ze aan dat persoonsbewijs kwam. Mogelijk was ze aan die valse identiteit geholpen door Johannes Dalhuizen junior, in wiens necrologie (2017) sprake zou zijn van illegaal werk tijdens de bezetting. De doorgaans zo optimistische Betje Moscou-de Leeuw staat met een treurige blik op de foto op het valse persoonsbewijs, wat lijkt te getuigen van die zware tijd. Volgens het document was ze op Verlengde Slotlaan 117 in Zeist gaan wonen, maar in werkelijkheid kwam ze bij Bep Wolf, op Oranje Nassaulaan 54. Het is denkbaar dat zij, haar zuster en haar dochters in Zeist nieuwe valse persoonsbewijzen kregen, want die werden op de zolder van de buurman van Dina Brill-Wolf geproduceerd en waren waterdicht. Dat valt echter niet te achterhalen in het naoorlogse register van illegalen in Zeist.

De komst van Betje Moscou-de Leeuw naar Zeist zal uiterlijk in 1943 zijn geweest en mogelijk eerder. Haar zuster Klaartje Metz-de Leeuw zat een tijd samen met haar ondergedoken.

Betjes dochters Berry (1929) en Minny (1931) Moscou waren toen elders ondergebracht. Minny zou later vertellen dat ze zes jurkjes over elkaar had moeten aantrekken, voordat ze met een vreemde mevrouw mee had gemoeten. Omkijken en zwaaien naar haar moeder was haar verboden. Ze was naar een onderduikadres in Scherpenzeel gebracht. Daar was het 11/12-jarige meisje zo intens verdrietig geweest, dat men ten einde raad had besloten haar te herenigen met haar tweeënhalf jaar oudere zusje Berry.

Dat had geholpen. Wederzijds. Minny snurkte als zij sliep. Als het in de schuilplaats onheilspellend donker was, dan was dat gesnurk voor zusje Berry een geruststellend geluid, waardoor zij eveneens kon slapen. Daarom zou het gesnurk van Berry’s latere echtgenoot haar later ook niet geërgerd hebben. ‘Het was voor haar een soort slaapliedje, een geluid dat alles in orde was’, zegt haar zoon Peter Aronius anno 2020.

Er kwam verraad in het spel, en de onderduik van de meisjes in Scherpenzeel eindigde met hun arrestatie. Aan die traumatiserende gebeurtenis hielden ze de herinnering over aan een boer en zijn hond die bij de overval doodgeschoten werden. Navraag in Scherpenzeel leert anno 2020 dat er inderdaad een boer werd doodgeschoten tijdens de bezetting, maar als het gaat om de arrestatie van joodse onderduikers is alleen de arrestatie bekend van vier onderduikers bij de plaatselijke predikant. Dat blijkt de gereformeerde predikant Johannes Christoffel Jonkers te zijn, die na het verraad zelf met zijn gezin onderdook. Hoe het indertijd allemaal precies in zijn werk was gegaan, valt niet meer te achterhalen.

De meisjes waren naar Amsterdam gebracht, waar ze eerst in de Portugese synagoge vast werden gehouden. Later zouden ze vertellen dat een medewerker van de Joodse Raad daar – vergeefs – geprobeerd had om achter de onderduikplaats van hun moeder te komen: ‘Zeg maar waar je moeder is, dan zullen we haar helpen.’ Vanuit de synagoge waren ze naar de deportatieplaats in de Hollandsche Schouwburg gebracht, waar iemand ze uit had laten ontsnappen.

Ze waren even ondergebracht in een woning, waar ze geen kik mochten geven omdat de bewoner niet mocht weten dat ze daar waren. Bij hun nazaten leeft de gedachte, dat ze wel eens geholpen konden zijn door Virrie Cohen, de dochter van Joods Raad-voorzitter David Cohen. Zij was vanaf juli 1943 directrice van de crèche aan de Plantage Middenlaan, tegenover de Hollandsche Schouwburg, en smokkelde tientallen kinderen weg. Haar moeder hielp mee om de kinderen op een onderduikplaats te krijgen. Vader David Cohen was echter sterk tegen onderduiken en zou dus nooit gewild hebben dat men hem kon betrappen op het zelf geven van onderduik.

Uiteindelijk hadden illegaal werkers de meisjes herenigd met hun moeder, op Oranje Nassaulaan 54. Hoe en door wie dat allemaal geregeld was, valt niet meer te achterhalen.

Betje Moscou-de Leeuw had zich tijdens de onderduik herpakt. Ze was weer de vrolijke, humoristische vrouw van weleer. Florine Vermaas herinnert zich haar grootmoeder Betsy als een bijzonder type, ‘een kleintje (1,60 meter), met een goed figuur en prettig gestoord’. Dat strookt met wat de ouders van Peter Aronius hem vertelden. Zijn moeder Berry had hem later verteld dat haar moeder mediamieke gaven had gehad:

Ze had bijvoorbeeld gedroomd van een portret van Stalin, waaruit ze opmaakte dat de Russen zich tegen nazi-Duitsland zouden gaan keren. Dit was in de tijd van het niet-aanvalsverdrag tussen Hitler en Stalin. Niemand geloofde haar voorspelling, tot die uiteindelijk bewaarheid werd.

De onderduikgeefster op Oranje Nassaulaan 54 was ook een bijzonder type. Yvonne Lips-Tichelman gaf de volgende profielschets van haar grootmoeders zuster Bep Wolf:

Dat was een schat, maar wel streng en dominant. Ze was de kostwinster en had ook nog de zorg voor haar demente vader gehad. Op een gegeven moment had mevrouw Moscou – tante Dora, zoals ik haar noemde – zich zo ongelukkig gevoeld, dat ze zich vrijwillig wilde aangeven bij het stadhuis. Haar dochters hebben haar toen tegengehouden. Ik ging vaak met mijn oma op bezoek en dan hadden we vreselijke lol met tante Dora, die ook gek op mijn oma was. Bep was meestal de mopperende vrouw die aan het werk was en op kantoor zat. Ze was bepaald niet doorsnee, ze was lid van een of andere anarchistische club, deed aan Esperanto, las Franse boeken tot op hoge leeftijd en liet ieder jaar twee jurken maken door een naaister, altijd hetzelfde model. Geen bh’s of jarretelgordels, ze droeg kousen die ze boven de knie met een elastiekje ophield. Kortom, een redelijk excentriek mens. Ze is over de 90 geworden.’ Bep Wolf werd 94 jaar oud.

Florine Vermaas hoorde van haar moeder Minny Moscou dat de ogenschijnlijk fragiele Bep Wolf een doortastende vrouw was geweest. Zo had ze in de periode waarin voedsel schaars was gehoord dat in de omgeving van Zeist een vrachtwagen met kalveren verongelukt was. Ze was er meteen naar toe gefietst. In plaats van een stuk vlees mee te nemen, zoals anderen deden, was ze met een heel kalfje achterop haar fiets thuis gekomen.

In juni 1944 kwam er voor een paar dagen een onderduiker bij, die Bep Wolf snel moest overnemen van haar om de hoek wonende zuster Dina Brill-Wolf. Het was de 14-jarige Erich Kahn, wiens twee broertjes elders gearresteerd waren en bij verhoor de onderduikplaats van Erich prijs zouden kunnen geven. De mogelijkheid van de komst van de gevreesde Sicherheitspolizei leidde tot een panieksituatie op Hoog Kanje 5. Oranje Nassaulaan 54 was uiteraard ook niet veilig en de jongen werd daar na korte tijd weggehaald door een illegaal werker, en hij zou aan een verdere reis langs allerlei onderduikadressen beginnen.

Erich Kahn was al lang weg, toen de joodse student Dan Kampelmacher en zijn vriendin Fritzi Prüfer – haar ouderlijk gezin was voorheen woonachtig in Zeist – tijdens de Hongerwinter naar Oranje Nassaulaan kwamen. Later zou Fritzi Prüfer haar kinderen vertellen dat ze in die barre periode drie weken in een kast had moeten zitten, waar ze van de honger houtresten van de planken had gekrabd en gegeten.

Kampelmacher deed daar later in zijn biografie verslag van de gang van hem en zijn vriendin naar Zeist:

Hoe Fritzi en ik naar de Oranje Nassaulaan in Zeist zijn gekomen weet ik niet meer, maar het was wel moeilijk. Na de hongertocht was ik niet meer op straat geweest. Lopend bereikten we uiteindelijk ons doel. We kwamen terecht in de grote villa van mejuffrouw Wolf, waar zich ook een joodse vrouw met twee dochters bevond, die daar een groot deel van de oorlog waren ondergedoken. Juffrouw Wolf woonde alleen in het grote huis en hielp het verzet sinds jaar en dag met het opvangen van onderduikers. De voedselsituatie in huize Wolf was iets beter dan in Utrecht, doordat juffrouw Wolf in de wijde omtrek nogal wat relaties had, maar het was uiteraard wel hongerlijden. We kregen een kamer op de tweede verdieping en leefden nu echt ondergedoken, de dagen tellend en haast ieder uur luisterend naar de radio die op zolder onder oude dekens en dozen was verborgen. De berichten waren met de dag opwekkender en onze hoop groeide.

Begin april verbeterde onze voedselsituatie op een wel zeer onverwachte manier. Een deel van het huis werd gevorderd voor het inkwartieren van terugtrekkende Duitse troepen. Er ontstond nu de merkwaardige situatie dat beneden Duitse soldaten bivakkeerden, juffrouw Wolf en de overige onderduikers op de eerste verdieping woonden en wij op de tweede verdieping. Wij probeerden zo veel mogelijk aan deze ‘indeling’ vast te houden, maar een enkele keer konden we elkaar niet ontlopen en stonden wij oog in oog met een Duitse soldaat. Gelukkig hadden deze mannen nu andere zorgen en liep alles goed af. De soldaten werden bevoorraad vanuit een centraal magazijn op Hoog Kanje, dat vlakbij was. Juffrouw Wolf kreeg het voor elkaar voor de haar weliswaar opgedrongen ‘gastvrijheid’ steeds weer wat levensmiddelen van de Duitsers los te krijgen en zo kwamen we in deze merkwaardige samenleving van Duitse soldaten, ondergedoken Joden en de dappere juffrouw Wolf de laatste weken van de oorlog betrekkelijk goed door. De hele situatie was onwerkelijk en alleen het besef dat het nu niet lang meer kon duren stelde ons in staat rustig te blijven. Wij boven naar de radio luisterend, de soldaten beneden bier drinkend en ertussenin juffrouw Wolf met haar voortdurende werk voor het verzet.

Dan Kampelmacher zat alleen op Oranje Nassaulaan 54 ondergedoken. Fritsje Prüfer was naar Hoog Kanje 5 gebracht, maar eens in de twee weken werd een ontmoeting tussen de twee geregeld. Dat zal wel op Oranje Nassaulaan 54 zijn geweest, want op Hoog Kanje 5 waren een zieke man, twee jonge meisjes en andere onderduikers.

In zijn boek heeft Dan Kampelmacher de bevrijding op indringende wijze beschreven. Op zijn verjaardag 6 mei hadden zijn vriendin en hij het niet meer uitgehouden op hun onderduikadressen. Ze waren naar de Driebergseweg gelopen. Over de verder doodstille weg was op zeker moment langzaam een jeep met vier Canadese militairen aan komen rijden. De ontlading van de onderduikspanningen was groot en zou dagen voortduren.

In 1947 trouwden Dan Kampelmacher en Fritsje Prüfer, waarmee hij twee kinderen kreeg: Channah en Matanja (Map). In 1953 volgde een scheiding. Hij hertrouwde in datzelfde jaar met Carola Höflich, een joodse vluchtelinge uit Eschweiler bij Aken, met wie hij twee zoons kreeg, Mike (Michael) en Rafael. Dan Kampelmacher zou een prominente Nederlander worden, met een internationale reputatie.

Hoe verging het de andere voormalige joodse onderduikers na de bevrijding?

Erich Kahn overleefde de bezetting. Zie Hoog Kanje 5.

Klaartje Metz-de Leeuw overleefde, evenals haar zoon Fred (die echter al op 33-jarige leeftijd overleed). Maar ze werden geconfronteerd met de dood van hun echtgenoot en vader, hun zoon en broer en tal van andere familieleden. Klaartje hertrouwde in maart 1948 met Benjamin Barend Blits die tijdens de bezetting ontsnapt was uit Kamp Westerbork.

Klaartjes zus Betje ‘tante Dora’ Moscou-de Leeuw moest niet alleen de dood van veel familieleden verwerken, maar kreeg een extra schok te verduren. Echtgenoot David Moscou besloot namelijk bij zijn voormalige onderduikgeefster in Amsterdam te blijven.

Ze zouden nooit scheiden, maar door zijn echtgenote en dochters werd David Moscou als dood beschouwd. Eenmaal nog zouden hij en zijn dochters elkaar tegenkomen, toen ze in tegenovergestelde richting de Catharijnesingel in Utrecht overstaken, maar op dat beladen moment hadden Berry en Minny hun hoofden weggedraaid van hun vader.

De kleinkinderen wisten niet beter dan dat David Moscou slachtoffer van de Holocaust was geworden. Hij was echter een nieuw leven begonnen met zijn oudere vriendin en politiek actief geworden. In 1951 was hij bijvoorbeeld voorzitter van het comité dat de 1 mei-viering in dat jaar voorbereidde en secretaris van de aan de Communistische Partij Nederland gelieerde Eenheids Vakcentrale. Vanwege het politieke karakter van deze activiteiten werden hij en zijn mede-actieleden door de Binnenlandse Veiligheids Dienst nauwlettend in de gaten gehouden.

De woning van het echtpaar Moscou-de Leeuw in Amsterdam werd door anderen bewoond. Betje Moscou-de Leeuw bleef ‘gewoon’ op Oranje Nassaulaan 54, bij Bep Wolf. Voormalige onderduikgeefster Bep en onderduikster Betje zouden tot de dood van laatstgenoemde samen blijven wonen. Toen Betje’s dochter Minny trouwde met een Bilthovense apotheker verhuisden de beide vrouwen mee naar de bovenverdieping van de apotheek op Van Dijklaan 1 in Bilthoven. Enkele jaren na het overlijden van Betje Moscou-de Leeuw verhuisde Bep Wolf naar een flatje. Daar zou Minny’s dochter Florine Vermaas zich later bekommeren om de bejaarde vrouw. En zo kon het gebeuren dat aan het sterfbed van de voormalige onderduikgeefster de (klein)dochter van haar voormalige onderduikster en latere vriendin zat.

De tijdens de bezetting zo verscheurde familie zou na de bevrijding verder uit elkaar vallen. Niet alleen keerde David Moscou niet terug naar zijn gezin, ook andere familierelaties liepen na verloop van tijd ook vast. De bezettingsjaren hadden veel joodse Nederlanders geestelijk beschadigd en dat had gevolgen voor onderlinge relaties. Zo volgde er omstreeks 1970 een harde breuk tussen Minny Moscou en haar toen inmiddels hertrouwde tante Klaartje en rond 1990 tussen Minny en haar zuster Berry.

Ook los daarvan bleef de impact van de bezettingsjaren tot op heden nog voelbaar, al verschilt dat van persoon tot persoon. Florine Vermaas over haar beleving: ‘Je mag er niet zijn. Het devies was: ‘Zorg dat je niet opvalt.

Bronnen:

  • Mededelingen Hedwig en Jeannette Banens, Yvonne Lips-Tichelman, Peter Aronius, Florine Vermaas en Mike Kampelmacher
  • Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister
  • ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten van alle betrokkenen
  • Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten van alle onderduikers
  • www.mulkeymasonlewisville.com, necrologie Dr. John Balhuizen
  • www.hdc.vu.nl, ‘Predikanten die joden hielpen’, Johannes Christoffel Jonkers
  • Dan Kampelmacher, ‘Gevecht om te overleven. Mijn diaspora na de Anschluss’, Verbum, 2008, 211-231
  • www.geheugenvanzeist.nl (oude kranten)
  • www.stichtingargus.nl (BVD, CPN, 1 mei 1951)
  • collecties.kampwesterbork.nl, Barend Benjamin Blits

1. Oranje Nassaulaan 54

2. Het jonge echtpaar Wolf-Ploos van Amstel

3. Dominee Johannes Jacobus Asuerus Ploos van Amstel

4. Het echtpaar Wolf-Ploos van Amstel op oudere leeftijd

5. De zusters Betje, Henriette en Klaartje de Leeuw

6. De zusjes Bertha en Minny Moscou

7. David, Betje Moscou-de Leeuw met dochterje Bertha

8. David Moscou, Betje de Leeuw en hun kinderen Bertha en Minny

9. Het gezin Moscou-de Leeuw aan zee

10. de kleine Minny Moscou in een toen nog verstilde Transvaalbuurt

11. Fragment uit het opsporingsbericht in Het Nieuws van den Dag van 6 Januari 1941

12. Het signalement van Willy de Leeuw in het Nieuws van de n Dag van 6 januari 1941

13. Het valse persoonsbewijs, voor Betje Moscou-de Leeuw, op naam van ‘Johanna Hendrika Balhuizen-Pronk

14. Op de achterkant van het valse persoonsbewijs

15. Bep Wolf, Betje de Leeuw en dochter Minny Moscou

16. Onderduikgeefster Bep Wolf op latere leeftijd

17. Robert (links) en Erich Kahn

18. Bep Wolf op oudere leeftijd

19. Oranje Nassaulaan 54 in naoorlogse jaren

20. De eerste foto van Dan Kampelmacher in 1920

21. Dan Kampelmacher, met moeder en zuster (Wenen, 1937)

22. Vooraan Dan Kampelmacher en zijn zusje, midden zijn grootouders en staand zijn moeder, twee broers en een zuster

23. Dan Kampelmacher in 1939, geïnterneerd ‘binnen de muren van de vesting’ in Hellevoetsluis

24. Vals persoonsbewijs voor Dan Kampelmacher, op de naam ‘Johannes Karel Kok’_achterzijde

25. De promotie van Dan Kampelmacher op 6 mei 1954

26. Dan Kampelmacher bij het Rijksinstituur voor de Volksgezondheid (RIV), omstreeks 1960(RIV)

27. Koningin Beatrix, directeur -generaal Hans Cohen van het RIV en zijn plaatsvervanger Dan Kampelmacher

28. Dan Kampelmacher (paatsvervangend directeur-generaal van het RIV) en Prins Bernhard tijdens een bijeenkomst over luchtvervuiling in december 1977. Links RIV-directeur generaal Hans Cohen en in het midden diens voorganger Jan Spaander

29. Dan Kampelmacher bij een interview in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 18 november 1988