Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 424-431)

Onderduikers:

  • Kurt Altmann, koopman (Berlijn, 24 december 1907 – Shavei Zion – Israël, 26 augustus 1979)
  • echtgenote Grietje Altmann-Bood (Rotterdam, 6 mei 1911 – Shavei Zion – Israël, 30 september 1988).
  • zoontje Frederik Hugo (Zeist, 28 november 1942)

Onderduikgevers:

  • Dirk Los, monteur bij de PTT (Dordrecht, 6 maart 1918 – Soesterberg, Zeist, 30 oktober 1993), en
  • echtgenote Janke Los-Kats (Smallingerland, 20 april 1920 – Soesterberg, 24 september 2010), gehuwd op 25 maart 1943

Tijdens de bezetting een kind (1944)

Kurt Altmann en zijn Nederlandse echtgenote Grietje Altmann-Bood wonen in Berlijn, tot het Hitler-regime hen dat onmogelijk maakt. De in 1931 opgerichte onderneming M. Wolfsky & Co (Damen- und Mädchenmäntelfabrikation) op Leipziger Strasse 76 wordt in 1938 geliquideerd door de nazi’s, omdat de eigenaren joods zijn. Alle werknemers komen op straat te staan. Kurt Altman krijgt ook een brief, dat hij met leedwezen per 30 september 1938 ontslagen wordt. Zijn gezin – inmiddels is in 1937 zoontje Raphael geboren – zit zonder inkomsten.

Kurts broer vertrekt naar Israël, maar hijzelf, Grietje en hun (schoon)ouders Hugo en Jütte Altmann-Langer maken een andere inschatting. Ze vertrouwen op de neutraliteit van Nederland, en vluchten naar het geboorteland van Grietje. Ze slagen er in om hun sieraden ingenaaid in hun zomerkleding over de grens te smokkelen.

De vluchtelingen kunnen wonen in het zomerhuis van de familie Bood die een florerende stoffenhandel in Rotterdam heeft.

Joodse mensen die in de jaren dertig in Duitsland hebben gewoond, hebben veel achter de rug, maar na de Duitse inval krijgen ze het opnieuw zwaar. Om te beginnen, moeten alle joodse mensen weg uit de kuststrook, ‘uit veiligheidsoverwegingen’. De echtparen Altmann-Bood en Altmann-Langer verhuizen in oktober 1940 naar Zeist. Ze gaan op Dalweg 13 wonen, waar twee weken later het tweede zoontje Martijn wordt geboren.

In Zeist worden ze geconfronteerd met de anti-joodse maatregelen van de bezetter. De Joodse Raad voor Amsterdam beoogt een rol te spelen als onderhandelaar/bemiddelaar naar de bezetter, maar wordt in de praktijk in de rol van doorgeefluik gedwongen. Kurt Altmann wordt een vertegenwoordiger van de Raad, als lokale leider van de joodse jeugdzorg. Deze functie zal gaandeweg steeds minder inhouden, maar zorgt er wel voor dat het gezin Altmann-Bood een Sperr krijgt, een voorlopige ontheffing van deportatie.

Toch moeten ook zij wel op hun tellen passen. Dat ondervindt Kurt Altmann op woensdag 23 september 1942, als zijn woning niet genoeg verduisterd is. Zulke overtreders worden voor straf drie dagen afgesloten van elektriciteit, maar bij joodse Zeistenaren telt de overtreding zwaarder. Uit een aantekening van de beruchte NSB-agent Evert Drost (een felle antisemiet die na de bevrijding geëxecuteerd zal worden) in het politienachtrapport blijkt dat Kurt Altmann gearresteerd wordt en dat de Sicherheitspolizei ingelicht wordt:

22.15 Wordt door den agent van politie Bes aan het bureau gebracht KURT ALTMANN geb. 24-12-1907 te Berlijn, leider jeugdzorg Joodsche Raad, won. Dalweg 13, Zeist, wegens overtr. verduisteringverordening. Daar Altmann Jood is, blijft hij aan het bureau ter beschikking Sicherheits Dienst. Geplaatst in cel 5 E.C.D.

Kurt Altmann moet de nacht doorbrengen in de politiecel. De volgende dag mag hij van de Sicherheitspolizei weer naar huis, zij het dat hij en zijn echtgenote wel een ernstige uitbrander respectievelijk waarschuwing krijgen. Uiteraard wordt de elektriciteit alsnog voor drie dagen afgesloten. Uit het dagrapport van 24 september 1942:

7 uur Cel 5. Kurt Altmann – SIPO

11 uur In verband met de aanhouding van K. Altmann naar aanleiding van de overtreding inzake de verduistering, hedenmorgen telefonisch overleg gepleegd met Obersturmführer Hasse, kamer 21 van SIPO te A’dam en op diens last moest de echtgenoote van Altmann, die zwanger was en over enkele weken een baby kon verwachten, een ernstige waarschuwing worden gegeven, terwijl Altmann een behoorlijke “uitbrander” moest verstrekt worden. Als dan behoefde de arrestant niet voorgeleid te worden.

De waarschuwing en uitbrander zijn door I.v.P. Neppenbroek gegeven, terwijl de overtreding voorts op gebruikelijke wijze is afgedaan, onder meer door afsnijding van het licht voor de tijd van 3 dagen.

Altmann is deswege heengezonden.

Nippertjeswerk? Overtredingen door joodse mensen worden zwaar opgenomen. Alternatief zou zijn geweest dat de Zeister politie hier een oogje zou hebben dichtgeknepen, maar in dit geval wordt een bijdrage geleverd aan het intimideren van achtergebleven joodse Zeistenaren.

Eind november 1942 wordt het gezin Altmann-Bood uitgebreid met een derde zoontje. De kleine Fred is ongeveer vier maanden oud, als de Sperr van het gezin verloopt. De provincies moeten ‘Judenrein’ worden. In maart 1943 besluiten Kurt en Greetje Altmann-Bood om onder te duiken.

In de voorafgaande tijd heeft Altmann nog duizenden guldens verdiend met de verkoop van bontmantels. Dat is het basiskapitaal voor de kostbare periode die komen gaat. Later zullen ze nog sieraden en horloges moeten verkopen, maar de laatste drie maanden voor de bevrijding zullen ze de onderduikkosten voor hun (schoon)ouders niet meer kunnen betalen. De LO zal dan bijspringen.

Het besluit om onder te duiken, is normaal al loodzwaar. In dit geval is het ronduit dramatisch omdat het gezin niet bij elkaar kan blijven. Zoontjes Raphael (5) en Martijn (2) gaan naar kindertehuis Zonneschijn, waar meer joodse kinderen zijn ondergebracht. Illegaal werkers komen voor Kurt en Grietje Altmann-Bood en hun babyzoontje Fred met het adres, Panweg 22. Het is natuurlijk geen toeval dat hun (schoon)ouders ondergedoken zitten bij de buren. Op Panweg 22 krijgen Kurt en Grietje de beschikking over een kamer, slaapkamer en kitchenette. Na verloop van tijd moeten ze echter vertrekken naar een ander onderduikadres. In totaal zullen ze 2-3 keer van schuilplaats moeten veranderen, voordat ze ergens kunnen blijven.

Op een van de onderduikadressen verzekert de vrouw des huizes hen telkens weer dat ze mogen blijven. Maar als ze op reis gaat, krijgt haar echtgenoot de zenuwen van de gevaarlijke onderduiksituatie. Hij schrijft een anonieme brief aan zijn onderduikers die daarmee weten dat ze weg moeten. Wel regelt de onderduikgever zelf nog een nieuw adres voor ze, maar daar moeten ze het doen met weinig ruimte. En ook daar moeten ze weer weg, als de vrouw zwanger wordt en de twee kamertjes zelf nodig heeft. De vergoeding die ze hebben moeten betalen aan bepaalde onderduikgevers is zeer hoog geweest.

Op het gemeentehuis zijn hun persoonsgegevens inmiddels vervalst. Ze gaan nu door het (onderduik)leven als ‘Pieter Martinus en Cornelia le Noble-Kuypers’, beiden geboren in Rotterdam.

Uiteindelijk komen ze terecht op het adres Nepveulaan 22, bij het echtpaar Dirk en Janke Los-Kats en hun inwonende (schoon)moeder de weduwe Los-Faasen. Hier zullen ze blijven tot de bevrijding. Ze krijgen de beschikking over de zolder die alleen per vlizotrap bereikbaar is.

Deze onderduikperiode kleurt gitzwart, omdat Kurt en Grietje Altmann-Bood in februari 1944 te horen krijgen dat hun zoontjes Raphael en Martijn bij een overval op kindertehuis Zonneschijn weggehaald zijn door Nederlandse handlangers van de Sicherheitspolizei in Amsterdam. Grietje wil meteen naar haar kinderen toe, maar Kurt wijst haar dan op kleine Fred: ‘En hij dan?’ Het is een ongekend drama.

-0-0-0-

In het najaar van 1944 begint de Hongerwinter. De voedselschaarste wordt prangend en er zit niets anders op dan dat ook Grietje op pad gaat om voedsel te vergaren, evenals een aantal andere joodse onderduiksters in Zeist. Op een fiets met houten banden gaat ‘Cornelia Kuypers’ op pad. Onderweg wordt ze aangehouden door Duitse militairen, maar met haar goede kennis van de Duitse taal redt ze zich uit die situatie.

Ze weet een doorlaatbewijs naar Staphorst en Drachten te bemachtigen, maar weet uiteindelijk ter hoogte van Zwolle, in de plaatsjes Oudleusen en Nieuwleusen, een flinke voorraad voedsel te vergaren. Vooral bij een molenaarsfamilie, waar ze hartelijk verzorgd wordt en zelfs in een bed mag slapen. Op haar terugtocht, waarbij ze vanwege haar zware last – volle fietstassen en een volle rugzak – hele stukken moet lopen, moet ze in Oldebroek een nacht doorbrengen op wat stro op de grond, samen met veel anderen. In Harderwijk kan ze slapen bij kennissen die voor haar ook een plek regelen op de Wehrmachts-trein naar Amersfoort. Over de slecht begaanbare weg naar Zeist loopt ze in viereneenhalf uur met haar zwaarbeladen fiets naar het onderduikadres.

Kurt en Grietje Altmann-Bood en hun (schoon)ouders Altmann-Langer halen de bevrijding. De familie Bood telt aanzienlijk meer slachtoffers dan de familie Altmann. Maar Kurt en Grietje moeten het verlies van hun zoontjes dragen.

Grietje heeft echter een sterk karakter. Tijdens de onderduik is zij degene geweest, die ruzies suste, en ook nu toont ze een veerkracht die weinig anderen in die omstandigheden zouden kunnen opbrengen.

Kurt kan de onderduikperiode maar moeilijk verwerken. Als dertiger in de kracht van zijn leven heeft hij de periode lijdzaam en afhankelijk van anderen moeten doorbrengen, zonder hobby’s, dagboek of ander tijdverdrijf. Met begrijpelijke rancune en bitterheid denkt hij terug aan een onderduikperiode met veel dreiging, spanningen en ruzies, vaak torenhoge onderduikkosten en soms verraad, en dan vooral natuurlijk het dramatische verlies van twee zoontjes. Hij heeft veel wrok naar sommige onderduikgevers die weliswaar zijn leven gered hebben, maar daar veel geld voor gevraagd hebben. Het is voor hem allemaal niet te verkroppen en hij zoekt vaak zijn heil in het lokale café Marijke.

Voor zijn kinderen – in 1949 komt er nog een dochtertje – is Kurt Altmann in die periode niet echt aanwezig als vader. Hij zwijgt vooral. De bezettingsjaren werken zo door op hun nieuwe woonadres Berkenlaan 18, waar ze samen met Kurts ouders wonen.

Zijn echtgenote slaagt er beter in haar leven weer zin te geven. In 1945 besluit Grietje Altmann-Bood christelijk te worden en ze sluit zich aan bij de antroposofische vereniging in de Vrije School in Zeist. Tien jaar later gooit ze het roer om en keert ze terug naar het ‘jodendom’. Ze wordt actief voor de Womens International Zionist Organization (WIZO). Op de WIZO-bijeenkomst van 21 juni 1960 wordt onder haar leiding het stuk ‘Een ware geschiedenis’ opgevoerd door de Utrechtse jeugdtoneelgroep. Op de grote WIZO-bijeenkomst op 12 december 1961 in Amsterdam zit ze de ochtendzitting voor. En ze gaat voor de afdeling Utrecht kinderfeesten organiseren.

Thuis vertelt ze veel aan haar kinderen, ook over de beladen onderduikperiode. Voor haar zijn de oorlogsjaren natuurlijk ook niet voorbij. Als zoon Fred naar de padvinderij wil, moet hij naar de Rambonnet-groep die aan het Padvinderslaantje huist. Dat is zo ongeveer in de achtertuin van Zonneschijn …

Zoon Fred gaat na zijn trouwen, en zijn afstuderen aan de TH Delft, naar Israël. Dat is in 1968. Twee jaar later komen zijn ouders daar ook naar toe. De inmiddels ook gehuwde dochter Sophie blijft achter.

In Israël planten ze bij wijze van dank voor de onderduikperiode op Nepveulaan 22 twee bomen voor Dirk en Janke Los-Kats. Kurt Altmann komt er stilaan meer in zijn evenwicht. De rouw om zoontjes Raphael en Martijn is voor Kurt en Grietje tot dan extra moeilijk geweest, omdat er geen graf of andere sporen waren. Eenmaal in Israël verandert dat, als ze in 1975 Yad Vashem bezoeken en daar informatie vinden over het lot van hun zoontjes. Het is voor hen een combinatie van droefheid – de bevestiging van wat ze eigenlijk wel wisten – en de dood van Raphael en Martijn krijgt zo een plek.

Maar natuurlijk is de gedachte aan de Holocaust nooit meer uit te bannen, ook niet bij de nazaten. Zoals Fred Altmann anno 2020 zegt: ‘Toen ik 12-13 jaar was, zat ik bij een joodse jeugdbeweging. Geen woord over dat beladen verleden. Maar nu ik boven de 70 ben, komt het er allemaal pas uit.’ Ook zijn zeven jaar jongere zuster Sophie Schrijver-Altmann houdt zich bezig met de oorlogsgebeurtenissen. In december 2019 bezoekt ze een voormalige bewoonster van Zonneschijn.

Bronnen:

  • Mededelingen van Fred Altmann en Sophie Schrijver-Altmann
  • Gemeentearchief Zeist, 3500-178 deel I, politienachtrapport 23/24 september 1942 en politiedagrapport 24 september 1942
  • Zie het bewezen onderduikadres Panweg 40, een eerder onderduikadres van Kurt en Grietje Altmann-Bood
  • Zie de bewezen onderduikadressen Panweg 42 en Panweg 57, onderduikadressen van Hugo en Annette Altmann-Langer).
  • Gemeentearchief Zeist, 1906-1945, 1499-1500, register van illegalen, ‘Pieter Martinus en Cornelia le Noble-Kuypers’.
  • Zie het bewezen onderduikadres Oranje Nassaulaan 71, voor de onderduik en arrestatie van Raphael en Martijn in kindertehuis Zonneschijn op 24 februari 1944
  • Mededelingen van Alex Los
  • Nieuw Israëlitisch Weekblad van 10 juni 1960, 22 december 1961 en 21 september 1962 (activiteiten Grietje Altmann-Bood)

1. Nepveulaan 22

2. Kurt Altmann mocht een vrachtwagen besturen

3. Greet Altmann-Bood met haar drie zoontjes

4. Raphael en Martijn Altmann

6. Janke Los-Kats, vrij kort na de Tweede Wereldoorlog

7. Dick Los, kort na de Tweede