Tijdens de bezetting werden in Zeist meer dan 900 personen met valse gegevens opgenomen in het lokale bevolkingsregister, vooral joodse onderduikers en onderduikers voor de Arbeitseinsatz. Dit bericht beschrijft een adres waarvoor een of meer valse registraties herleid konden worden tot de werkelijke identiteit van joodse personen. Een overzicht van alle adressen en onderduikers is te vinden via valse registraties van bekende onderduikers.
Het staat niet vast dat de betrokken personen werkelijk op de genoemde adressen ondergedoken zaten.
Wie weet meer? Wie iets meer weet over dit adres en/of de genoemde onderduikers wordt vriendelijk verzocht om contact op te nemen via het contactformulier op deze site.
In memoriam, vals geregistreerd op dit adres:
- Rosa Vleeschhouwer, ongehuwd, dienstbode (Amsterdam, 9 september 1909 – Sobibor, 9 april 1943), bereikte de leeftijd van 33 jaar
De Nederlands Hervormde fabrieksarbeidster ‘Roosje Viersma’, geboren op 9 september 1909 in Naaldwijk, met als ouders ‘Piet Viersma’ en ‘Roosje Peterse’, werd geregistreerd in het Zeister bevolkingsregister op Minckelerslaan 3, met als (vroege)ingangsdatum 23 september 1941. Een vergelijking met het Amsterdamse bevolkingsregister leert dat het hier gaat om de in Amsterdam geboren Rosa Vleeschhouwer. Het eerdere woonadres Joh. Kepplerstraat 50 en de geboortegegevens komen overeen.
Of Rosa Vleeschhouwer werkelijk in Zeist ondergedoken heeft gezeten, staat niet vast.
Op het digitaal joods monument staat bij Greet (Margaretha) Haas-Vleeschhouwer beschreven op welk onderduikadres zij, twee van haar kinderen en haar zuster Rosa gearresteerd werden. Het is het aangrijpende relaas van emeritus-hoogleraar Martin (Martijn) Haas, een van de twee kinderen van Greet Haas-Vleeschhouwer die in onderduik overleefden.
Echtgenoot Jacob Haas runde in Breda het goedlopende familiebedrijf ‘Haas Manufacturen’. Hij en twee ongehuwde zusters deden ook in vastgoed. Als lid van de Joodse Raad van Breda had Jacob Haas een paar keer uitstel van deportatie weten te krijgen, maar op 29 september 1942 moet hij naar een dwangarbeiderskamp in Doetinchem. Drie dagen later werden alle mannen uit de dwangarbeiderskampen naar Kamp Westerbork overgebracht.
Het was de eerste stap van een zogenaamde ‘familiehereniging’ in Kamp Westerbork. Greet Vleeschhouwer-Haas en haar vier kinderen kregen een oproep om zich begin oktober 1942 in Kamp Westerbork te melden. Ze piekerde daar niet over en organiseerde onderduik, ook voor haar zuster Rosa.
De twee kleinste kinderen Martin en Roosje werden apart ondergebracht, in Bergen op Zoom. Het was maar voor een paar maanden, was de gedachte.
Dezelfde oktober-avond dat de kinderen weggebracht werden, doken Rosa Vleeschhouwer, haar zuster Greet Haas-Vleeschhouwer en diens oudere kinderen Elisabeth en Izaak onder bij een bakkerij in Princenhage, een ander deel van Breda. Dat ging goed tot er een golf van verraad in februari en maart 1943 volgde. De Sicherheitsdienst viel op de ochtend van 11 maart 1943 de bakkerij binnen. Het lukte de beide zusters en de twee kinderen nog om via de achterdeur weg te komen, maar vlak voordat ze het Bredase bos bereikten, werden ze ingehaald door de SD’ers en gearresteerd.
Na verhoor werden de vier onderduikers via het huis van bewaring en Kamp Vught naar Kamp Westerbork overgebracht, op 11 respectievelijk 12 en 31 maart 1943. Dat Jacob Haas al op 28 februari 1943 in Auschwitz was vermoord, zullen ze niet geweten hebben.
Rosa Vleeschhouwer werd op 6 april 1943 gedeporteerd naar Sobibor en op de dag van aankomst vermoord, op 9 april. Twee weken later volgden haar zuster Greet met haar twee oudste kinderen.
De in Haarlem woonachtige ouders van Rosa en Greet waren al op 26 augustus 1942 geïnterneerd in Kamp Westerbork. Omdat haar moeder opgenomen moest worden in de ziekenhuisbarak werden ze op 18 mei 1943 pas gedeporteerd. Drie dagen later werden Mozes en Elisabeth Vleeschhouwer-Leeuwin, zestigers, na aankomst in Sobibor vermoord, enkele weken na hun twee dochters en twee kleinkinderen.
De twee ondergedoken kinderen van Greet Haas-Vleeschhouwer overleefden de bezetting. Roosje was inmiddels katholiek gedoopt en bleef bij het onderduikgezin. Martijn werd opgenomen door de broer van zijn moeder, die met zijn gezin de bezetting had overleefd:
‘Zij hadden ook ondergedoken gezeten, maar de oorlog was zo verschrikkelijk voor hen dat ze hadden besloten om geen Joden meer te zijn. Toen ik bij hen kwam, waren ze al christelijk. Ze stuurden mij naar een strenge christelijke privéschool, omdat zij dachten dat dat het beste was. Maar voor mij was dat een heel naar jaar. Het werkte niet. Ze konden het niet aan om mij, een diep getraumatiseerd kind, erbij te hebben.’
Uiteindelijk werd Martijn geadopteerd door een achternicht van zijn moeder en diens echtgenoot. Het adoptiegezin verhuisde naar Israël en daar was het positieve keerpunt in het leven van Martijn Haas. Zijn zuster Roosje volgde jaren later, en kreeg daar ook een toekomst. Uiteindelijk ontvouwde de carrière van Martijn Haas zich in de Verenigde Staten, als hoogleraar aan de Universiteit van Californië. De jodenhaat in Nederland zou hij nooit vergeten. Volgens hem was er voor joden in Nederland geen plek.
Bronnen:
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Roosje Viersma’
- ITS Arolsen, digitale collecties, informatie over Rosa Vleeschhouwer en Margaretha Haas-Vleeschhouwer
- Digitaal joods monument, Rosa Vleeschhouwer en Margaretha Haas-Vleeschhouwer

