Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Supplement, pagina’s 35-39)

Onderduikers:

  • Heinrich Schussheim, uitgever, grossier, directeur NV (Leipzig, 12 februari 1910 – Zuid-Afrika, 1985)
  • echtgenote Helga Schussheim-Assuschkewitsch (Leipzig, 22 februari 1911 – Amsterdam, 6 september 1972)
  • (Isidor Maurits?) Rood/Roth?

Onderduikgeefsters:

  • Kaatje Meerman, ongehuwd, verpleegster (Tholen, 21 oktober 1885 – Zeist, 11 oktober 1976)
  • Catharina Anthonia Sweep, ongehuwd, verpleegster (Enkhuizen, 21 juli 1900 – Zeist, 3 januari 1982?)

Bij het afhalen van boeken vestigde Ellen Sliedrecht-Stuitje en passant de aandacht op het onderduikadres Louise de Colignyplein 11. Aan het plein woonden meerdere onderduikgevers. In dit geval bleek het om de verpleegsters en vriendinnen Kaatje Meerman en Catharina Sweep te gaan.

Als onderduiker op hun adres werd de heer Rood of Roth genoemd. Na een bezoek van de moeder en oudere zuster van Ellen op Louise de Colignyplein 11 had deze onderduiker later gevraagd wie de bezoeksters met de mooie stem waren. Ging het hier om Isidor Maurits Rood die op dinsdag 28 maart 1944 gearresteerd werd door een Amsterdamse opperwachtmeester/rechercheur voor de Sicherheitspolitie in Amsterdam? Deze arrestatie – ongetwijfeld na verraad – werd Isidor Maurits Rood fataal. Zie ‘Adres onbekend’ op deze website. Het is dus niet zeker of Isidor Maurits Rood een van de onderduikers was op Louise de Colignyplein 11.

Indien dat wel het geval was geweest, liepen de dames Meerman en Sweep grote risico’s, omdat ze een kleine twee weken eerder ook een joods echtpaar in huis hadden genomen. Dit echtpaar werd tijdens de bezetting ingeschreven in het Zeister bevolkingsregister als ‘Hendrik Jacobus en Helga van Soest-Aeschli’.

In de collecties van het Joods Cultureel Kwartier bevindt zich een acte van het huwelijk van dit echtpaar, dat op 14 juli 1932 in Amsterdam getrouwd zou zijn. In de uitgebreide toelichting staat echter te lezen dat het om een vervalsing gaat. In werkelijkheid ging het om het uit het Duitse Leipzig afkomstige echtpaar Henk (Heinrich) en Helga Schussheim-Assuschkewitsch. Het echtpaar was inderdaad op 14 juli 1932 getrouwd, maar in Leipzig en niet in Amsterdam. Ze hadden een zoontje Hans Peter (Leipzig, 31 december 1932).

Henk en Helga Schussheim-Assuschkewitsch waren opgegroeid in Leipzig en als scholieren al met elkaar uit geweest. Schussheim (Leipzig, 1910) vertelde later dat hij als jochie met zijn moeder naar overwinningsfeesten van het Duitse leger was gaan kijken. Er waren verlichte pleinen, muziekkorpsen schetterden door de straten en de uitroep ‘Deutschland, Deutschland!’ lag op ieders lippen. Maar Duitsland had de Eerste Wereldoorlog verloren en de nationaalsocialisten van de NSDAP hadden dat hun joodse landgenoten aangerekend. Zijn jaren op het gymnasium had Henk Schussheim daarom ervaren als een ellendige tijd: ‘Op school stonden de jonge heethoofden soms in groepjes bij elkaar en keken me verachtelijk aan, als ik voorbij liep. Ik was een jood, een verachtelijk wezen.

Het was alleen maar benauwender geworden. Henk Schussheim was gaan reizen. Hij had Hongarije, Italië, Turkije en de Verenigde Staten bezocht, waarna hij een tijd in Parijs had gewoond. Hij was naar Leipzig teruggereisd via Nederland, dat hij met al die groene akkers en nette huisjes had ervaren als een soort nationaal park.

Hij was als 21-jarige getrouwd met zijn, inmiddels zwangere jeugdliefde, Helga Assuschkewitz, die een jaar jonger en van Duits/Russische afkomst was. Ze had rechten gestudeerd. In 1933 besloot het jonge echtpaar het Duitsland van Hitler te verlaten en naar Amsterdam te gaan. Heinz Schussheim had daar eerst kwartier gemaakt. Hij zou Henk genoemd worden.

Ze kwamen in de crisisjaren en het was aanpoten geweest. Onder de naam ‘De blauwe map’ hadden ze een leeskring opgezet. Getuige advertenties waarmee vertegenwoordigers en huishoudelijk personeel werden gevraagd, liep het bedrijf goed. ‘Toen de Duitsers door de Jodenbreestraat reden, dacht ik: ‘Nou ja, we zullen zien. Misschien gebeurt er niets’, vertelde Henk Schussheim na de bevrijding. Maar de ene anti-joodse maatregel was de andere opgevolgd en ‘De blauwe map’ werd eind mei 1942 geconfisqueerd.

In juli 1942 kwam Schussheim voor een cruciale keuze te staan. Hij moest zich melden in een gebouw in de Euterpestraat:

‘… en daar vroegen ze hoe oud je was en hoeveel kinderen je had en wat voor zaak je had en hoeveel geld er op je bankrekening stond. Alles werd gründlich genoteerd. Toen werden er tweeduizend opgeroepen om naar werkkampen in Polen te worden gestuurd. Ik was bij die eerste tweeduizend. Toen heb ik gevraagd: “Maar heren, als ik naar Polen moet, waarom moet mijn vrouw dan ook mee?” Omdat uw vrouw daar ook moet werken, zeiden ze. Toen heb ik gevraagd: “Maar waarom moeten de drie kinderen dan ook mee?” [? Er was maar één kind] Omdat, zeiden ze, we het gezin intact willen laten. Toen heb ik 's avonds, de laatste avond thuis, tegen mijn vrouw gezegd: “Ik geloof ze niet. Ik ken ze nu wel zo goed, dat ze niet zo menslievend zijn om ons gezinnetje bij elkaar te laten”. (…) In die tijd, in die zomer van 1942, konden we ons nog niet voorstellen dat mensen van plan waren andere mensen weg te slepen, om ze doelbewust te vernietigen. Pijnigen, martelen, honger laten lijden … maar ze als vee colonne na colonne de gaskamers te laten binnenmarcheren!

Die juli-avond thuis heb ik tegen mijn vrouw gezegd: ‘We gaan NIET’. We hebben een paar koffers gepakt, we hebben alles achtergelaten zoals het was en we zijn bij kennissen op zolder gaan zitten.

Het gezin Schussheim-Assuschkewitsch werd geholpen door de illegaal werker Eduard Althoff. Ze doken dus eerst onder in Amsterdam, onder de valse namen ‘Hendrik Jacobus en Helga van Soest-Aeschli’ en zoontje ‘Pieter van Soest’. Dat bleef zo tot en met 30 juni 1943, waarna het gezin onder kon duiken op Acacialaan 2a, bij het echtpaar Lingeman-Esmeijer. Mogelijk heeft dat echtpaar ook bemiddeld bij de onderduik van het echtpaar Schussheim-Assuschkewitsch elders in Zeist.

In elk geval kwamen ze op 15 maart 1944 op Louise de Colignyplein 11. Zoon Hans Peter Schussheim alias ‘Pieter van Soest’ werd toen ondergebracht bij een boer in het dorpje Anerveen nabij Gramsbergen (Overijssel).

Over het verblijf van ‘Hendrik Jacobus en Helga van Soest-Aeschli’ in Zeist bevinden zich documenten in de collecties van het Joods Cultureel Kwartier. Duidelijk is dat het echtpaar uitstekende connecties met het illegaal werk had, want ze beschikten over professionele vervalsingen.

Uit brieven blijkt dat Helga Schussheim-Assuschkewitz een kunstenares was. Ze ontdekte haar artistieke talenten, toen ze tijdens de onderduik had bijgedragen aan het levensonderhoud van haar gezin. Dat deed ze door duizenden weckpotjes te beschilderen en te verkopen.

Op 1 november 1944 kreeg ‘Helga van Soest-Aeschli’ een arbeidsovereenkomst als schrijfster op de gemeentesecretarie, die inging op 9 oktober 1944, vooralsnog voor een week maar zonder opzegging zou de overeenkomst telkens stilzwijgend verlengd zou worden. Ze ging daar 27 gulden per week mee verdienen. De op 2 januari 1945 gedateerde, valse verklaring van de Deutsche Zeiting in den Niederlanden, dat H.J. van Soest al vanaf 1 december 1941 werkzaam was voor die krant, was bedoeld als vrijstelling voor de Arbeitseinsatz. Beide documenten ogen als professionele vervalsingen.

Onduidelijk is waarvoor een verklaring diende, die de Zeister huisarts Kamerling op 13 november 1944 afgaf. De zusters H. van Soest-Aeschli en E. Colm (Ellie Cohn-Blumenthal) mochten een patiëntje naar Zeist vervoeren. Op deze verklaring stond een stempel van de Afdeling Zeist van het Rode Kruis en een bijbehorend verzoek om de zusters behulpzaam te zijn.

Het echtpaar ‘Van Soest-Aeschli’ overleefde in Zeist de bezetting en gingen meteen op pad om hun enig kind in Gramsbergen op te halen. Diens onderduikgever, boer Jan Hulter, was op 5 april 1945 bij een gewapende verzetsactie dodelijk gewond geraakt. Dat drama – zo kort voor de bevrijding – had geen consequenties gehad voor onderduikertje Hans Peter Schussheim.

De reis naar Gramsbergen was vlak na de bevrijding niet eenvoudig, zo blijkt uit de nagelaten documenten. Op 9 mei 1945 gaf het plaatselijke bureau van de LO in Putten ze elk een verklaring, dat ze joods waren en wat hun werkelijke identiteit was. Snel ging het niet. Op 24 mei meldde Henk Schussheim zich in Kamp Westerbork, waar hij schriftelijk toestemming kreeg om te eten en te overnachten.

Op 30 mei 1945, meer dan drie weken na hun vertrek uit Zeist, hadden Henk en Helga Schussheim-Assuschkewitsch in Gramsbergen eindelijk de vereiste verklaringen te pakken. De waarnemend burgemeester gaf, overigens nog op hun valse namen, verklaringen af dat het echtpaar politiek betrouwbaar was en zo konden ze hun zoontje mee nemen. De plaatselijke BS-commandant gaf ze op 30 mei schriftelijk toestemming voor doortocht naar Coevorden, maar een dag later was kennelijk een betere oplossing bedacht en kregen ze schriftelijk toestemming om met een wagen van de voedselvoorziening naar Zwolle mee te rijden. Het was bij elkaar nog een hele papierwinkel.

Het gezin vestigde zich weer in Amsterdam en het echtpaar Schussheim-Assuschkewitsch meldde zich bij de Commissie Oorlogspleegkinderen (OPK) als aspirant-pleegouders. Dat leidde niet tot adoptie, maar in 1946 kregen ze zelf nog een dochter. In 1951 zouden ze de Nederlandse nationaliteit krijgen.

Na de bevrijding was het echtpaar alles kwijt wat ze hadden bezeten, maar ze slaagden er in om binnen korte tijd een bijzonder welvarend en creatief bestaan op te bouwen.

Henk Schussheim kreeg contact met iemand die wanten van schapenwol verkocht, in een tijd dat er nog maar weinig te koop was. Schussheim begon te verkopen en de handschoenen waren niet aan te slepen. De warenhuizen en grote winkels namen het product in grote hoeveelheden af. In 1959 vertelde Henk Schussheim in een interview aan De Telegraaf dat zijn bedrijf Modana de grootste handschoenengroothandel van West-Europa was. Er was al een filiaal in Zwitserland en daar zouden vestigingen in België, Duitsland en Frankrijk bij komen.

Intussen had Helga Schussheim-Assuschkewitsch zich verder ontwikkeld als kunstenares, met de kwalificaties etser, lithograaf, schilder, aquarelist, (pen)tekenaar, pastellist en graveur (prentmaker). Haar opleiding genoot ze aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, waar Paul Citroen haar leermeester was. Vanaf 1953 exposeerde ze in verschillende plaatsen in Nederland en in Parijs en Ascona. De recensies waren zeer lovend. Haar gevarieerde werk werd beoordeeld als warm en kleurrijk. De kunstrecensent van Het Parool schreef in 1959:

Opmerkelijk is het, wat Helga Schussheim met zo’n simpel onderwerp als een stilleven van wat vruchten of selderijknollen weet te bereiken: iets dramatisch haast door het licht en donker.

De houtschoolschetsen die Helga Schussheim-Assuschkewitz maakte van kinderen in het bos en aan het strand werden ‘teder’ genoemd door een recensent.

Werken van haar berusten onder meer bij het Rijksmuseum, het Stedelijk museum Amsterdam, het Centraal Museum Utrecht, het Joods Historisch Museum en Bezalel in Israël.

In 1965 volgde een scheiding en eind 1966 trouwde Henk Schussheim in Amsterdam met de uit het Israëlische Haifa afkomstige weduwe Dorothy Pyser-Grodzinski (Londen, 1917).

Zoon Hans Peter Schussheim werd arts, maar overleed al op 41-jarige leeftijd in Den Haag, in 1974, een jaar nadat zijn moeder op 61-jarige leeftijd in Amsterdam was overleden. Zijn weduwe vervulde bestuursfuncties bij de liberaal joodse gemeente in Den Haag en het Verbond van Liberaal-religieuze joden in Nederland.

In 1977 vertrok Henk Schussheim met zijn tweede echtgenote naar Israël. Daar richtte hij de ‘Henk Schussheim Foundation’ op, die schenkingen deed aan joodse organisaties. In 1985 overkwam hem tijdens een reis door Zuid-Afrika een tragisch ongeluk. Hij werd begraven in Tel Aviv, na een bewogen leven.

De in 1946 geboren dochter leed aan een oorlogstrauma en werd daarvoor verpleegd in het Sinaï Centrum in Amersfoort. Vandaar uit communiceerde ze met krantenadvertenties, waarin ze onder meer actie voerde voor een rookvrij land en ruimte vroeg voor het exposeren van haar moeders werk.

Van de beide onderduikgeefsters zijn geen andere gegevens bekend, dan dat ze beiden tot 1972 op Louise de Colignyplein bleven wonen. Samen verhuisden in dat jaar naar een verzorgingstehuis. Kaatje Meerman overleed daar op 11 oktober 1976 op 91-jarige leeftijd. In de overlijdensadvertentie werd ze Catrien genoemd en betreurd door haar vriendin en mede-onderduikgeefster Catharina Sweep, die zelf op 3 januari 1982 zou overlijden in datzelfde verzorgingstehuis op 81-jarige leeftijd.

Bronnen:

  • Mededelingen van Ellen Sliedrecht-Stuitje en Roos Schussheim-Bodde
  • Bert Jan Flim, ‘De verborgen generatie’, Amphora Books, Amsterdam, 2025, 388
  • Zie het bewezen onderduikadres Acacialaan 2a
  • www.delpher.nl, De Telegraaf van 29 mei 1959, ‘Henk Schussheim, Een man die zijn lot in eigen hand nam’
  • Gemeente Zeist, oud bevolkingsregister; 1499-1500, register van illegalen, ‘Hendrik Jacobus en Helga van Soest-Aeschli’, ‘Pieter van Soest’, ‘Elly Margarethe Louise Colm-Nethe’
  • Joods Cultureel Kwartier (www.jck.nl), valse trouwacte, vals huwelijksboekje en circa 50 persoonlijke documenten van ‘Hendrik Jacobus en Helga van Soest-Aeschli’ (D002062, D002063)
  • oorlogsgravenstichting.nl, ‘Een fatale misrekening’
  • www.biografischportaal.nl, Helga Schussheim-Assuschkewitsch
  • www.delpher.nl, Nieuw Israelietisch Weekblad van 7 december 1984, ‘Herinneringen aan Helga Schussheim’
  • Nieuwe Leidsche Courant van 2 februari 1974, overlijdensadvertentie Hans Peter Schussheim
  • www.wikitree.com, Heinrich Schussheim
  • Nieuwe Leidsche Courant van 12 oktober 1976, overlijdensadvertentie Kaatje Meerman

1. Louise de Colignyplein 11

2. Henk Schussheim

2.a. De oproep voor Henk Schussheim voor de Arbeitseinsatz (Anne Frank stichting)

3. De arbeidsovereenkomst tussen de Gemeente Zeist en ‘Helga van Soest-Aeschli’

4. Helga Schussheim-Assuschkewitsch als kunstenares

5. Advertentie in De Telegraaf van 19 september 1938 van De blauwe map.

6. Helga Schussheim_6 maart 1969

7. Interview in De Telegraaf van 29 mei 1959

8. Tekening van Helga Assuschkewitz-Schussheim (1950). Bukkend meisje met schep, aan de rand van een bos. Tussen drie boomstammen door een uitzicht op een droomachtig landschap, met rechts een dorpje

9. Helga Assuschkewitz op oudere leeftijd (8 mei 1971)

10. Zoon Hans Peter Schussheim overleed al op 30 januari 1974, op pas 41-jarige leeftijd