Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 168 en 400-405)

In memoriam:

  • Irene Hellmann-Redlich (Göding – tegenwoordig Hodonin in Tsjechië, 3 november 1882 – Auschwitz, 6 maart 1944), bereikte de leeftijd van 61 jaar

Onderduikers:

  • Miep Wonder, ongehuwd (Weesp, 16 februari 1919 – Haifa – Israël, 7 juli 2018)
  • Georg Hollaender, handelaar in loondienst in huiden en vellen (Santen – Duitsland, 11 september 1894 – Rotterdam, 12 december 1979)
  • echtgenote Renée Sara Hollaender-Roth (Hodonin – tegenwoordig Tsjechië, 23 mei 1906 – Rotterdam, 28 november 1994)
  • dochter Erika (Praag, januari 1930)
  • Isidor Hochberger, ongehuwd (Wenen, 13 november 1896)

Onderduikgevers:

  • Jozias Coumou, onderwijzer, adjunct-secretaris Nederlands Bijbelgenootschap (Zierikzee, 6 juli 1890 – Zeist, 20 november 1970), en
  • echtgenote Jannetje Nan Coumou-van Vooren (Schiedam, 12 augustus 1891 – Zeist, 20 april 1969)

Twee kinderen (Catharina Louisa (Soerabaja, 1 augustus 1917 – mei 2005) en Pieter (Soerabaja, 14 juni 1919 – 2007)

Op 10 januari 1915 vertrekt het jonge echtpaar Dingeman en Jannetje Coumou-van Vooren met het stoomschip Tambora, naar Nederlands-Indië, waar Dingeman als onderwijszendeling gaat werken. Na twintig jaar, in 1935, keren ze met hun in Soerabaja geboren zoon en dochter terug naar Nederland. Na aankomst per boot in Genua reist het gezin verder over land naar Nederland.

Tijdens deze reis komen ze ook door Duitsland, waar Adolf Hitler met zijn nationaalsocialistische partij in 1933 aan de macht is gekomen. De sfeer in Duitsland is beklemmend. Als het gezin in Herrenalb – een klein dorp in het Zwarte Woud – wil overnachten, maken ze ‘s middags een ommetje. Opeens stuiten ze op een poster met een blonde vrouw en een donkere man, met het onderschrift ‘Rassenentartung’ (rassenvervuiling). Vader Dingeman ontsteekt in woede en dat wordt niet minder als ze een paar dagen later in Osnabrück belanden. Als ze in een winkeletalage staan te kijken, zegt een passerende vrouw dat het een winkel van joodse eigenaren is en dat het ‘nicht richtig’ is om daar te kopen. Het gezin stapt daarop gewoon de winkel in. De joodse mensen vertellen ze dat ze bang zijn voor wat er gebeurt in hun land en dat ze hun kinderen het land uit hebben gestuurd.

Het gesprek raakt het gezin Coumou-van Vooren diep en vader Dingeman verklaart: ‘Ik kom hier nooit meer zolang het nationaalsocialisme de dienst uitmaakt.

Deze gebeurtenissen leggen de basis voor de latere afkeer van het gezin tegen de bezetters en alles wat ze uitdragen.

Zoon Piet Coumou haalt in 1941 nog zijn kandidaats rechten. Daarnaast is hij actief in het verenigingsleven, waar hij openlijk uitdraagt wat hij van de bezetting vindt. In november 1942 neemt hij deel aan de vergadering, waarbij de LO-afdeling Zeist opgericht wordt en eind april 1943 wordt hij fulltime illegaal werker als alle ex-militairen zich in Duitsland moeten melden. Hij houdt zich echter verre van gewapend verzet, uit morele en andere overwegingen. Hij wordt hoofdverspreider van het illegale Trouw in Amsterdam, maar onderneemt daarnaast andere illegale LO-werkzaamheden.

Piet Coumou schakelt zijn hele ouderlijke gezin in voor illegaal werkzaamheden. Zijn zuster To fungeert als koerier – ze brengt bonnen rond – steelt persoonsbewijzen voor de goede zaak en helpt bij de verspreiding van illegale bladen. Allebei ondersteunen ze de hulp die hun ouders aan joodse onderduikers bieden.

Het joodse echtpaar George en Renée Hollaender-Roth en hun dochter Erika zitten eigenlijk ondergedoken op Berkenlaan 42, bij de weduwe Barends-Simoons, maar voor de duur van de Paasdagen moeten ze daar weg. Ze mogen dan op Lindenlaan 7 verblijven.

Later komt het gezin Hollaender-Roth in Amsterdam terecht. Als ze dan in acuut gevaar komen, haalt dochter To Coumou ze op. Na een risicovolle treinreis levert ze de onderduikers af op een opvangadres. Na enkele dagen kunnen ze terugkeren naar Berkenlaan 42.

Er zit inmiddels een andere onderduikster op Lindenlaan 7. Het is Miep Wonder, een van de drie dochters van slager Levy Wonder uit de Slijkstraat in Weesp. Miep heeft als verpleegster in het verzorgingstehuis De Joodse Invalide in Amsterdam gewerkt, maar dat is op 13 augustus 1943 ontruimd door de Duitsers. Ze heeft weten te ontkomen en kon door bemiddeling van dominee Gerrit Lugtigheid onderduiken bij het echtpaar Coumou-van Vooren, waar ze tot de bevrijding mag blijven. Haar vriend Leo Cohen verblijft elders in onderduik en maakt deel uit en van de illegale Westerweel-groep die mensen helpt te vluchten naar Palestina. Tijdens haar lange onderduikperiode leeft Miep onder de naam ‘Kitty Zwaan’.

Ook zit de joodse Zeistenaar Isidor Hochberger enige tijd ondergedoken bij het echtpaar Coumou-van Vooren, een vluchteling uit Wenen, die zich in oktober 1940 in Zeist gevestigd heeft. Piet Coumou vindt hem een fijne man, met wie hij goede gesprekken kan voeren. Tijdens en na een grote razzia houdt Hochberger zich met 7 andere mannen 6 dagen schuil onder de vloer van de Oosterkerk.

De illegale werkers op het gemeentehuis van Zeist registreren meer onderduikers op Lindenlaan 7. Wie is bijvoorbeeld ‘scholier Leo van Dongen, geboren op 24 mei 1927 in Amsterdam’? En wie ‘de lerares coupeuse Hildegarda Maria Oostra, geboren op 7 mei 1909 in Aken, nu afkomstig uit Den Haag’?

Laatstgenoemde kan, gelet op het leeftijdsverschil niet Irene Hellmann-Redlich (1882) zijn, een bijzondere onderduikster die eveneens afkomstig is uit Wenen. Ze is bevriend met het echtpaar Hollaender-Roth. Haar echtgenoot Paul Hellmann, de Oostenrijkse eigenaar van een textielfabriek, is kort voor de Tweede Wereldoorlog in Wenen overleden. Het echtpaar had een bijzondere rol gespeeld in het Weense culturele leven. Paul Hellmann was een van de financiers van de Salzburger Festspiele. Daarnaast steunden Irene en Paul Hellmann-Redlich veel kunstenaars en instellingen als de Wiener Werkstätte. Hun huis in Wenen en hun buitenhuis in Alt-Aussee bij Salzburg waren ontmoetingsplekken voor kunstenaars als de auteur Hugo von Hofmannsthal, de componist Richard Strauss en de operazanger Friedrich Schorr.

De Engelse politica Mary Agnes Hamilton schreef over Irene Hellmann in haar memoires ‘Remembering my good friends’ (1944): ‘Irene gathered to her everything that was most interesting in the artistic life of the most artistic city in Europe (…) She, with her triangular face, black hair, and immense, wide-apart grey-blue eyes, had a Slav beauty, and the style that one then saw in greater perfection in Vienna even than in Paris.

Enkele maanden na de Reichskristallnacht is Irene Hellmann-Redlich volkomen berooid uitgeweken naar Rotterdam, waar haar oudste zoon Bernhard Hellmann al geruime tijd woonde. Tijdens de bezetting heeft ze enige tijd in Bilthoven gewoond. Op enig moment is ze ondergedoken op Lindenlaan 7. Daar wordt ze op 1 mei 1943 vals geregistreerd in het bevolkingsregister van Zeist. Ze zou gekomen zijn van Professor Sproncklaan 15, maar het staat niet vast dat ze daar ondergedoken heeft gezeten.

Dochter To Coumou van de onderduikgevers zal in haar latere herinneringen aan Irene Hellmann schrijven: ‘Een van onze joodse onderduikers, ‘Poe’ Helmantel, ontkende graag dat ze joods was – ‘Ich bin kein Jude, ich bin Christ!’ – hoewel ze de ogen van Lea, de neus van een jood, een ‘tichelrug’ en een woestijngang had, en dus op grote afstand als jodin herkenbaar was. De oude Poe was erg onvoorzichtig. Ze presteerde het om overdag zonder persoonsbewijs naar de kapper te gaan.

Het einde van de aldus merkwaardig getypeerde Irene Hellman is tragisch. Op 10 december 1943 wordt Piet Coumou gearresteerd, als hij met een vrouwelijke collega via België informatiemateriaal naar Zwitserland heeft gesmokkeld. Op de terugweg wordt hij aangehouden na de passage van de Belgisch-Nederlandse grens. Vanwege het bezit van belastende krantenartikelen wordt hij veroordeeld tot een half jaar gevangenis veroordeeld met aftrek van voorarrest.

Dat is niet alleen een zware klap voor het gezin Coumou-van Vooren, maar vanwege het gevaar van huiszoeking is de veiligheid van de onderduikers ook in het geding. Jannetje Coumou-van Vooren wordt gebeld met de vraag of het niet tijd was voor ‘de grote schoonmaak’. De joodse onderduikers moeten uit veiligheidsoverwegingen met spoed weg. Dochter To Coumou in haar latere herinneringen: ‘Ik kreeg opdracht om Poe ’s nachts in het pikkedonker lopend door Zeist naar de familie Van der Beek, haar nieuwe onderduikadres, te brengen. Ook toen bleek ze haar persoonsbewijs niet bij zich te hebben. Als we aangehouden waren, zouden we op geen enkele manier hebben kunnen ‘bewijzen’ dat Poe géén jodin was.

Het adres van de familie Van der Beek is niet bekend. Het is een tijdelijk onderduikadres. Het echtpaar Coumou-van Vooren vraagt aan een jonge vriend van hun gearresteerde zoon, de 19-jarige Freddy Dijkema, of die een nieuw adres weet voor een oudere vrouw. Het is een logische vraag, want Freddy Dijkema is betrokken bij illegaal werk. Maar wat niemand op dat moment weet, is dat Dijkema een afspraak heeft gemaakt met de Sicherheitspolizei in Amsterdam. Na arrestatie aldaar moest hij onder de Arbeitseinsatz uit zien te komen en om die reden heeft hij zich bereid verklaard tot verraad. Niet alleen van een collega illegaal werker, maar ook van joodse onderduikers. Hij zegt dat hij wel een adres weet voor Irene Hellmann. Hij haalt haar op. Hij neemt haar per trein mee naar Amsterdam. Daar levert hij haar linea recta over aan de Sicherheitspolizei.

Het zal medio februari 1944 zijn als dit gebeurt, want op 22 februari wordt Irene Hellmann-Redlich overgebracht worden naar Kamp Westerbork. Op 3 maart 1944 wordt ze doorgestuurd naar Auschwitz, waar ze op de dag van aankomst wordt vermoord.

Helaas komen de illegale werkers er in Zeist pas maanden later achter dat Dijkema overgegaan is tot verraad. Dat zal fatale gevolgen hebben voor onder meer nog voor drie andere joodse onderduikers die op Eikenlaan 9 verblijven en die op 9 maart worden gearresteerd. Freddy Dijkema verraadt ook de actieve Zeister verzetsman Kees Burger en dat wordt hemzelf ook fataal.

Ze worden samen gearresteerd. Korte tijd later wordt Freddy Dijkema weer vrijgelaten, maar Kees Burger komt in de dodencel. De achterblijvers tasten volledig in het duister. Twee Utrechtse meisjes, die de arrestatie hebben gezien, wijzen op een foto Dijkema aan. Die wordt gevangen genomen. Er ontstaat nog ruzie onder illegaal werkers, omdat Dijkema gewaardeerde onderduikhulp heeft geboden binnen de Zeister LO. Als de ware toedracht na onderzoek duidelijk wordt, wordt besloten om hem te liquideren. Hij krijgt nog de gelegenheid om zijn ouders een afscheidsbrief te schrijven en ook de moeder van Kees Burger te schrijven.

Zijn vader zal direct na de bevrijding wethouder worden in Zeist, waarbij zijn illegaal werk wordt genoemd. Omdat men hem wil ontzien, en daarom het drama van zijn zoon niet noemt, worden er andere personen verdacht van het verraad van Irene Hellmann-Redlich respectievelijk de onderduikers op Eikenlaan 9.

Per 11 maart 1944 wordt de woning Lindenlaan 7 gevorderd door de Sicherheitsdienst die een deel van haar organisatie onder wil brengen in Pasadena en het Christelijk Lyceum, en woningen gevorderd heeft voor haar medewerkers. Het echtpaar Coumou-van Vooren wordt dan voor de verdere duur van de bezetting ingekwartierd op de buitenplaats Wulperhorst. Ze nemen Miep Wonder mee.

Intussen wordt Piet Coumou op 10 juni 1944 vrijgelaten, waarna hij meteen zijn illegale werk (LO en Trouw) weer oppakt tot de bevrijding.

Isidor Hochberger overleeft de bezetting. Hij vestigt zich opnieuw in Zeist, wordt gereformeerd en trouwt. Het gezin Hollaender-Roth en Miep Wonder overleven eveneens. Maar Miep wordt geconfronteerd met bittere ellende. Van de 68 joodse Weespenaren hebben er slechts zeven de bezetting overleefd, in tegenstelling tot het – nog steeds extreem lage – overlevingspercentage van 20 procent dat later zal worden becijferd voor Weesp. Ook Mieps ouders en zusters zijn vermoord. Haar vriend Leo Cohen heeft wel overleefd in onderduik. Met hem trouwt ze. Ze gaan naar Enschede en krijgen daar twee zoons en twee dochters, waarmee ze in 1952 naar Israël emigreren.

De familie Coumou-van Vooren en hun nazaten houden altijd contact met Miep.

Op initiatief van Miep Wonder en het echtpaar Hollaender-Roth worden Dingeman Jozias en Jannetje Coumou-van Vooren op 15 juli 1975 postuum door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren.

Aan het einde van haar leven is Miep Wonder de laatste Weesper getuige van de Holocaust.

Op zaterdag 18 mei 2024 zijn er namens het Geheugen van Zeist zwarte gedenksteentjes gelegd op Lindenlaan 7.

Piet Coumou is een van de initiatiefnemers van de Stichting Samenwerkend Verzet 1940 – 1945 voor de oprichting van het nationaal verzetsmonument, in de vorm van het Bos der Onverzettelijken in Almere. De eerste bomen worden geplant op 25 maart 1992. Het Bos der Onverzettelijken wordt op 29 april 1993 door ZKH Prins Bernhard opengesteld voor het publiek. Voor elke verzetsman- en vrouw wordt in 1992 een boom geplant. In totaal 2.133 bomen vormen samen het Bos der Onverzettelijken.

Bronnen:

  • Reddingsverhaal Yad Vashem voor het echtpaar Dingeman Jozias en Jannetje Coumou-van Vooren.
  • Zie Acacialaan 2 (ander onderduikadres van het echtpaar Georg en Renée Hollaender-Roth en dochter Erika)
  • Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Hildegarda Maria Oostra’
  • Paul Hellmann, ‘Irene, mijn grootmoeder’, augustus, 2015
  • Els Hekkenberg, ‘Rendez-vous onder de Mangga-boom. Herinneringen van Catharina Louisa de Jong-Coumou’, eigen beheer, 2004, 40. Volgens To Coumou had zij Irene Hellmann ‘snachts naar een gezin Van der Beek gebracht en dus niet naar Kollaard-Stroomenbergh op Eikenlaan 9
  • Stadsarchief Amsterdam, indexen, politierapporten 1940-1945, 21 januari 1944, opsluiting Alfred Johan Dijkema
  • Els Hekkenberg, ‘Van Brandal tot Commandeur, Herinneringen van mr. Pieter Coumou’, eigen beheer, 66, 76. Hierin wordt Freddy Dijkema genoemd als de verrader van Irene Hellmann en van David Wiesebron op Eikenlaan 9
  • www.joodsmonument.nl, Irene Hellmann-Redlich
  • www.geheugenvanzeist, Cornelis Burger – verzetsstrijder
  • Zie de bewezen onderduikadressen Tiendweg 5 (tijdelijk onderduikadres Miep Wonder) en Eikenlaan 9 (verraad en arrestatie van drie onderduikers) en de valse registratie van Irene Hellmann-Redlich op Professor Sproncklaan 15
  • Marnix Croes & Peter Tammes, ‘De locale percentages overlevenden van de jodenvervolging in Nederland’ (www.rug.nl/research). De onderzoekers noteerden het percentage van 20% op een totaal aantal van 65 joodse Weespenaren
  • www.joodsmonument.nl (Levie Jacob en Rosalie Mietje Wonder-Menko, Kaatje Kohn-Wonder en Jakoba Wonder)
  • www.weespernieuws.nl, ‘Laatste Weesper getuige Holocaust overleden’ (Miep Wonder))
  • www.bosderonverzettelijken.nl (Piet Coumou)

1. Lindenlaan 7

2. Het gezin Coumou-van Vooren in Nederlands-Indië

3. Het gezin Coumou op Lindenlaan 7

4. Irene Hellmann-Redlich liet deze foto maken op 10 februari 1943)

5. Irene Hellmann-Redlich met dochtertje omstreeks 1910)

6. Irene Hellmann in Wenen

7. Het echtpaar Coumou-van Vooren

8. Freddy Dijkema werd op 21 januari 1944 in Amsterdam gearresteerd