Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Nieuw t.o.v. het Onderduikboek en Supplement)

Onderduikster:

  • Martha van Gelder, ongehuwd, werkster (Rotterdam, 26 januari 1892 – Amsterdam, 28 maart 1980)

Onderduikgeefsters:

  • Alida Jacoba Pameijer-Kolff, weduwe (Middelharnis, 25 mei 1881 – Zeist, 18 juli 1968) en
  • een thuiswonende dochter

Blijkens een bedankbriefje van haar pleegvader Gerrit Broekman werd de joodse onderduikster Martha van Gelder – Matzie, voor intimi – geholpen door dominee Gerrit Lugtigheid. Martha van Gelder werd in het Zeister bevolkingsregister ingeschreven als ‘Maria van Gelder’, op Platolaan 68. Of ze daar ooit heeft gezeten? Volgens de familie Broekman heeft ze in elk geval ondergedoken gezeten bij ‘Pameijer in Zeist’. Het is niet zo lastig om het onderduikadres op te speuren. De enige Pameijers tijdens de bezettingsjaren in Zeist woonden op Lindenlaan 22.

De in Tiel geboren Jan Hendrik Pameijer trad in de sporen van zijn vader die in zijn geboorteplaats als arts werkzaam was. In april 1900 werd hij, in zijn hoedanigheid van praktiserend geneesheer in Leiden, door het Nederlandse Rode Kruis uitgezonden naar Zuid-Afrika, waar op dat moment de Boeren-oorlog om de onafhankelijkheid van Transvaal en Oranje Vrijstaat woedde. Na een jaar keerde hij terug, met de nodige heftige front-ervaringen en een positieve inschatting van de kansen van de Boeren. Hij was onder meer gevangen genomen door de Engelsen.

Jan Hendrik Pameijer promoveerde in juni 1901 op het proefschrift ‘Over een gemengde tumor der parotis’ (parotis staat voor oorspeekselklier). Vanaf augustus 1901 mocht hij zich ridder in de Orde van Oranje-Nassau noemen, in verband met zijn activiteiten in Zuid-Afrika. Nadien volgde een rustiger bestaan. Pameijer werd huisarts in Middelharnis – waar hij zijn echtgenote leerde kennen – en van 1904 tot 1936 praktiseerde hij in Alkmaar, waar hij ook lang schoolarts was en voorzitter van zorgorganisatie ‘Het Witte Kruis’. In die Alkmaarse periode kwam hij in 1931-1932 nog een keer in het nieuws, in het kader van een geruchtmakende vergiftigingszaak. Toen hij in november 1936 naar Zeist vertrok, wees hij elk openbaar huldebetoon af. Hij overleed op 27 februari 1942, 69 jaar oud.

Zijn weduwe Alida Jacoba Pameijer-Kolff en een thuiswonende dochter namen dus een onderduikster op. Dat was Martha van Gelder die sinds 1909 als huishoudster werkzaam was bij het joodse gezin Broekman-Spijer. Ze werd door familieleden ‘Matzie’ of ‘Tante Matzie’ genoemd. Heer des huizes Gerrit Broekman beschouwde haar als pleegdochter. Zijn kleindochter Harriett Broekman zegt er anno 2020 over:

Iedereen was gek op tante Martha en haar hondje en zij was gek op ons allemaal. Zodra de bevrijding er was heeft Tante Matzie – hoe ze het voor elkaar heeft gekregen – van gespaard meel een cake gebakken en is ze lopend met de cake in haar hand over de hei van Zeist naar Hilversum gelopen om bij onze grootouders te zijn. Toch wel een sterk staaltje van devotie.

Toen mijn grootouders beiden waren overleden, is tante Matzie bij de jongste dochter Tiny blijven wonen.’

Bronnen:

  • Mededeling Harriett Broekman
  • www.delpher.nl, oude kranten (zoekterm ‘J.H. Pameijer’)
  • Zie ook de valse registratie op Platolaan 68, voor Martha van Gelder

1. Lindenlaan 22, op de foto links

2. Afrikaner Commando

3. Overlijdensbericht van Martha van Gelder in het Parool van 3 april 1980