Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Nieuw t.o.v. het Onderduikboek en het Supplement)

Onderduikster:

  • Lea de Haas-Leuiken (Amsterdam, 1924 – Twenterand, 2003)

Onderduikgevers:

  • Cornelis Verburg, directeur van een instrumentenfabriek (Zevenhoven, 4 juni 1912 – Zeist, 17 april 1991) en
  • echtgenote Elisabeth Catharina Jacoba Verburg-Laven (Leiden, 28 november 1909 – Zeist, 5 oktober 1991)

Kinderen tijdens de bezetting (1935, 1937, 1940, 1944)

In het register van illegalen in het gemeentearchief van Zeist bevindt zich een valse persoonsregistratie van Lenie Leuiken. Via die naam en haar geboortedatum is zij eenvoudig te traceren. Haar onderduikgeschiedenis kan ontleend worden aan de lezing die haar zoon Eléon de Haas op 22 maart 2022 hield in het kader van de jaarlijkse herdenking van de slachtoffers uit het Apeldoornsche Bos, onder de titel ‘Ethisch dilemma (www.apeldoornendeoorlog.nl/ethisch-dilemma/). Deze lezing was gebaseerd op mededelingen van zijn moeder en op een interview met haar voor het project Survivors of the Shoah van de Visual History Foundation.

Lea Leuiken werd in 1924 geboren in Amsterdam. Het gezin Leuiken woonde vanwege het werk van vader Leendert Leuiken, die diamantslijper was, in Antwerpen. Het gezin Leuiken verhuisde in 1930 weer naar Amsterdam, waar moeder Sara Leuiken-Parijs in 1933 aan kanker overleed. Nadat Leendert Leuiken hertrouwde met Betje Lootsteen, vestigde het gezin zich in Betjes woonplaats Bussum. Daar werd in maart 1940 nog een zoon geboren. Hoewel haar vader en stiefmoeder hun bruiloft hadden in de synagoge van Bussum, was het gezin Leuiken-Lootsteen niet religieus. Synagogebezoek was een uitzondering.

Toen Lea in 1941 de vierjarige MULO afrondde, en zich wilde inschrijven voor de HBS, werd zij echter als jodin geweigerd. Een diepe vernedering voor haar en een harde afrekening met haar idealen.

Tante Esther van stiefmoederskant werd in Het Apeldoornse Bosch behandeld voor depressies. Via haar vernam Lea Luiken over een vacature in die inrichting die intussen een vluchtoord was geworden voor joodse jongeren die niet meer naar school konden en ook niet bij niet-joden mochten werken. Tevens zong het rond dat men in Het Apeldoornse Bosch door de bezetter met rust zou worden gelaten, en er was werk: niet-joodse werknemers mochten er niet meer werken. Lea werd als leerling-verpleegster aangenomen.

Een keerpunt in haar moedeloze bestaan was de ontmoeting met de zes jaar oudere Coen(raad) Hoek de tuinman van Het Apeldoornse Bosch, die patiënten begeleidde, die om therapeutische redenen tuin- en landarbeid verrichtten. Coen werd haar grote jeugdliefde en op 8 januari 1943 vierden ze samen in de kelder Coens 25e verjaardag.

In januari 1943, lopend over de Zutphensestraatweg richting de kruidenier, zag Lea een grote groep mannen in donkere kledij met een band om de arm met daarop de afkorting OD. Het bleek om een ploeg van de Ordedienst uit Westerbork te gaan. Aan Coen Hoek vertelden ze in vertrouwen dat Het Apeldoornse Bosch zou worden geruimd.

Omdat Coen Hoek op het land werkte, had hij contact met agrariërs uit de omgeving van Het Apeldoornse Bosch. Eén van die boeren leverde melk aan Het Apeldoornse Bosch en had hem onderduik aangeboden, als dat nodig zou zijn. Hij en Lea kwamen voor een ethisch dilemma te staan: meegaan met de patiënten of vluchten. Coen besloot om mee te gaan met de patiënten, maar Lea besloot te vluchten. Coen informeerde de ‘melkboer’ dat een jonge dame zijn plaats zou innemen, zorgde dat een schuurtje voor tuingereedschap niet werd afgesloten en gaf Lea instructies. Zij moest alvast haar koffer pakken, die in het schuurtje zetten en via het schuurtje naar de boer vluchten.

Terwijl Lea met haar koffer in de hand de trap afkwam, gingen medeverpleegsters de trap op om hun koffers te pakken. Zij probeerden Lea over te halen om niet te vluchten. Haar antwoord was: ‘We zien elkaar wel weer, als ik word opgepakt.’ Ze zette haar koffer alvast in het schuurtje. Toen ze wat later via het schuurtje wilde vluchten, bleek de koffer te zijn verdwenen. Ze rende door de tuin in de richting van de boerderij

De volgende dag nam ze twee levensreddende besluiten. Ze ging op tijd weg bij de boer – kort daarna vond er huiszoeking plaats – en besloot de bus te nemen naar Epe – Vaassen, om daar de trein te nemen naar familie in Hilversum. De logische keus voor het station in Apeldoorn zou haar noodlottig zijn geweest. Dat bleek een fuik waar een gedeelte van het gevluchte personeel werd ingerekend.

Het laatste levensteken van Coen Hoek was een briefje aan zijn familie: ‘Ben op weg naar onbekende bestemming.’ Coen werd op 1 april 1943 in Auschwitz vergast.

Lea Leuiken kwam vanuit Hilversum via een omweg (?) terecht in Eindhoven, bij het echtpaar Verburg-van der Laven. Behalve haar waren er twee jonge kinderen en een andere onderduiker. Toen dat echtpaar op 12 april 1944 verhuisde naar Zeist, Laan van Cattenbroeck 42, bleef de onbekende onderduiker achter in Eindhoven en ging Lea mee. Op het gemeentehuis van Zeist werd ze ‘gelegaliseerd’, met een valse persoonskaart op naam van Lenie Leuiken. De gegevens op de kaart klopten redelijk. Behalve de voornaam van Lea was de voornaam van haar moeder Sara Leuiken-Parijs veranderd in Suzanna.

Lea bleef tot de bevrijding in Zeist en overleefde zo de bezetting. Ook haar ouders en broertje overleefden. Maar de bezetting kreeg een bittere nasleep. Vader Leendert beroofde zichzelf op 10 september 1947 van het leven.

Bronnen:

1. Laan van Cattenbrroeck 42

2. Het hoofdgebouw van het Apeldoornsche Bosch omstreeks 1930

3. Valse registratie in het bevolkingsregister van Zeist voor Lea Leuiken