Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
Laan van Cattenbroeck 3, tijdens de bezetting 1
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)
Onderduikers:
- Julius François Cahen, gehuwd, personeelschef van de NS-administratie (Den Bosch, 2 oktober 1899 – Haifa, Israel, 29 juni 1979)
- Dina de Wit, ongehuwd, kantoorbediende (Amsterdam, 7 juni 1914 – Israëlitisch ziekenhuis Amstelveen, datum nog niet bekend)
- Reintje Monnickendam, ongehuwd, cheffin van een atelier, borduurster (Amsterdam, 22 september 1882 – Amsterdam, 30 juni 1947)
- overige onderduikers, waarvan de namen niet bekend zijn
Valse persoonsregistratie op naam van:
- Cornelia Engelina Maas (Amsterdam, 23 mei 1916)
Onderduikgevers:
- Gerard Krabbendam, opzichter NS (Schiedam, 22 december 1899 – Winterswijk, 12 januari 1970) en
- echtgenote Aaltje Krabbendam-de Boer (Leens, 25 maart 1897 – Winterswijk, ?21 juni 1987)
Een thuiswonende zoon (1926) en dochter (1928)
De onderduiksituatie op Laan van Cattenbroeck 1 (later hernummerd naar 3) voert grotendeels terug naar het Brabantse Geldrop. Daar woonde het gezin Krabbendam-de Boer in een dienstwoning van de Nederlandse Spoorwegen.
Geboren Schiedammer Gerard Krabbendam was opzichter bij de Nederlandse Spoorwegen, een baan waarin hij ploegen van 15-20 medewerkers aanstuurde. Het baanvak in Geldrop lag er zo goed bij, dat er nieuwe treinen op getest werden. Krabbendam was een onverstoorbare man die maatschappelijk bewogen was. Tekenend voor die bewogenheid was dat hij het ‘gebroken geweer’ droeg, een speldje dat aangaf dat de drager het pacifisme voorstond. Maar toen hij in de jaren dertig akelige berichten (‘ReichsKristallnacht’) uit Duitsland hoorde, ging hij zelf poolshoogte nemen. Hij spoorde naar Düsseldorf, en vond de situatie zo zorgwekkend, dat hij zich opgaf als reserve-officier bij de Spoorwegtroepen die eventueel cruciale punten in het treinennet zouden bewaken.
De Krabbendams maakten in Geldrop deel uit van een zekere lokale elite. Zo waren ze bevriend met het gezin van De Tempe-de Vries. De geboren Fries Sikke de Tempe was directeur van het lokale postkantoor. Andere vrienden waren het joodse gezin Cahen-de Jong dat aan de Stationsweg woonde. Werktuigbouwkundig-ingenieur Julius Cahen werkte bij Philips. Die vriendschappen zouden tijdens de bezetting van extra betekenis zijn.
In de loop der tijd vertrokken de drie gezinnen uit Geldrop. Het gezin De Tempe-de Vries als eerste, in de zomer van 1929, daarna het gezin Krabbendam-de Boer – man, vrouw, zoon en dochter – dat eind mei 1935 naar Amsterdam verhuisde en het gezin Cahen-de Jong kwam vier jaar nadien via Valkenswaard in Zeist terecht. Julius Cahen werd personeelschef van de NS-administratie en vestigde zich met zijn gezin op Verlengde Slotlaan 163 (later vernummerd?).
Nadat zijn ouderlijk gezin naar Amsterdam verhuisd was, zat Joost Krabbendam (1926) daar een jaar op de HBS op de Mauritskade, dichtbij de joodse buurt. Er zat een aantal joodse kinderen in zijn klas en hij vraagt zich nog wel eens af hoe het die medeleerlingen vergaan is. Na dat eerste schooljaar 1938/1939 verhuisde het gezin naar Utrecht (Tuindorp/Maartensdijk), omdat Gerard Krabbendam daar gelegerd werd.
Het jaar 1940 verliep rommelig voor het gezin, natuurlijk ook vanwege de Duitse inval. Gerard Krabbendam verbleef voor zijn opzichterswerk een half jaar weer in Amsterdam, waarvan hij de laatste vierenhalve maand in de kost was bij het gezin De Tempe-de Vries. Hij verhuisde begin augustus 1940 met zijn gezin ook naar Zeist. Hij bleef werken als opzichter bij de NS, met als standplaats Driebergen. Omdat de Krabbendams pas een maand later terecht konden op Laan van Cattenbroeck 1, werden ze tijdens die wachttijd met zijn vieren opgevangen door het gezin Cahen-de Jong op Verlengde Slotlaan 163.
De Cahens verhuisden zelf in november 1940 naar Acacialaan 18. Op enig moment verloor Julius Cahen door de anti-joodse maatregelen de baan waarvoor hij naar Zeist was verhuisd. Per 1 januari 1941 werd hij chef van de Technische Dienst van de Joodse Raad, waardoor zijn gezin voorlopig vrijgesteld was van deportatie. Ze verhuisden in september 1942 naar Professor Lorentzlaan 62 en begin mei 1943 – gedwongen – naar Niersstraat 52 II in Amsterdam. Lang zullen ze daar niet gewoond hebben, want de gezinsleden doken gescheiden van elkaar onder.
Julius Cahen dook waarschijnlijk eerst onder op Laan van Cattenbroeck 1. Zijn gezin had al die tijd vriendschappelijk contact onderhouden met het gezin Krabbendam-de Boer. Zo had Joost Krabbendam al gelogeerd op Acacialaan 18 (eerder ook in Valkenswaard). De onderduik duurde niet lang. Er ontstond irritatie omdat Cahen wel eens voor het grote raam naar buiten stond te kijken, waar Gerard Krabbendam absoluut bezwaar tegen had. De Cahens woonden na de bevrijding ook weer in Zeist, maar de gezinnen zouden daarna geen contact meer hebben. Zie voor de verdere onderduik van Julius Cahen het bewezen onderduikadres Van Ostadelaan 4.
Julius Cahen was niet de eerste onderduiker op Laan van Cattenbroeck 1. Dat was een niet-joodse student chemie (later medicijnen) die eerder in Artis ondergedoken had gezeten. Na de bevrijding zou deze onderduiker – Henk Blonk – trouwen met de dochter des huizes, Fenna Krabbendam.
In januari 1943 was er ook een joodse onderduikster gekomen. Haar onderduik had te maken met die andere Geldropse vrienden van weleer, het gezin De Tempe-de Vries. Dat gezin woonde in Amsterdam op Waalstraat 102 III en op nummer 134 II woonde het joodse gezin De Wit-Abas met de meerderjarige dochters Dina en Sannie (Sara Alexandrina). De aanvankelijk nog thuiswonende dochter Pietie de Tempe (Zwolle, 1 mei 1918) had vriendschap gesloten met de 20 maanden jongere Sannie de Wit. De twee buurtgenoten waren actief in de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). De band tussen beide jonge vrouwen bleef, ook nadat Pietie de Tempe op zichzelf was gaan wonen in de Reitdiepstraat en Sannie de Wit haar kantoorbaan – ze had een HBS-diploma – verruild had voor een baan als leerling-verpleegster bij de grote joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bos, in Apeldoorn.
De gedachte van Sannie de Wit was dat die baan haar veiligheid bood. De bezetter zou psychiatrische patiënten toch niet deporteren? Dat gebeurde echter wel, in de nacht van 21 op 22 januari 1943 werden 1.080 patiënten en 51 personeelsleden rechtstreeks naar Auschwitz gedeporteerd. Diegenen die achterbleven, werden op 22 januari naar Kamp Westerbork gebracht. Onder hen bevond zich Sannie de Wit die in barak 72 terecht kwam. Op 20 juli 1943 zou ze naar Sobibor gedeporteerd worden, om daar drie dagen later vermoord te worden.
De vriendinnen Pietie de Tempe en Sannie de Wit waren samen al eens in Zeist geweest, bij het gezin Krabbendam-de Boer. Mogelijk was er zo ook contact gekomen met Sannies vijfenhalf jaar oudere zuster Dina. Zij had een voorlopige vrijstelling gehad als medewerkster van Het Joodse Weekblad.
Gerard Krabbendam had, met volledige instemming van zijn echtgenote Ali, al in een vroeg stadium aan Sannie de Wit onderduik aangeboden. Als de grond haar te heet onder de voeten zou worden, kon ze terecht op Laan van Cattenbroeck 1. Nu Sannie gevangen zat in Kamp Westerbork mocht haar zuster Dina naar Zeist komen.
In tegenstelling tot haar zuster zag Dina de Wit er niet joods uit. Ze was met haar 3-jarige HBS en diploma steno-typen een gekwalificeerde kantoorkracht en had in Amsterdam gewerkt bij een tabaksimportzaak. In Zeist vond ze ook een baan, en ging ze dagelijks uit werken.
Dina de Wit was in het Zeister bevolkingsregister vals geregistreerd op Laan van Cattenbroeck 1, als Cornelia Engelina Jutte-Maas (Amsterdam, 23 mei 1916). Dat gebeurde twee keer, licht afwijkend van elkaar. Die valse identiteit was ‘geleend’ van een Amsterdamse vrouw, waarvan de naam, geboortegegevens, de achternaam van haar echtgenoot en adres gebruikt werden. Of de werkelijk Cornelia Engelina Jutte-Maas wist dat haar identiteit in Zeist ook gebruikt werd door een joodse onderduikster?
Een half jaar na Dina de Wit werd Reintje Monnickendam vals geregistreerd op Laan van Cattenbroeck 1. Hoe deze 60-jarige ongehuwde borduurster uit Amsterdam bij het gezin Krabbendam-de Boer in Zeist terechtkwam, valt niet meer te achterhalen. Zij behield grotendeels haar werkelijke identiteit. De vervalsing betrof uitsluitend de voornamen van haar ouders. ‘Tante Reintje’ was een kleine, wat ‘verschrompelde’ vrouw. Ze zou tot de bevrijding op Laan van Cattenbroeck 1 blijven, in tegenstelling tot Dina de Wit die tijdens de Hongerwinter naar elders vertrok.
Eerder waren er korte tijd ook andere joodse onderduikers geweest. Volgens Joost Krabbendam had zijn ouderlijke woning voor sommigen gefunctioneerd als doorgangshuis. Anno 2023 herinnert hij zich een winterse avond, waarop ze in een kring in de grote kamer beneden bij een kaars zaten (1943?). Een joodse onderduiker had de aanwezigen geteld en triomfantelijk uitgeroepen: ‘Nu zijn wij in de meerderheid.’ De namen van die andere onderduikers zijn niet meer te achterhalen.
Reintje Monnickendam verbleef dus nog steeds op Laan van Cattenbroeck 1, toen er in februari 1945 een bom viel op de Waterigeweg. De woning Waterigeweg 29 raakte zwaar beschadigd (ramen, sponningen en dak), maar ook in huize Krabbendam vlogen bomscherven naar binnen. Reintje Monnickendam ontkwam net aan zo’n scherf, een klok raakte zijn bronzen klankstaven kwijt en alle dakpannen lagen rondom het huis. Van de ramen bleef slechts één slaapkamerraam heel.
In die periode kwamen Gerard Krabbendam en zoon Joost allebei in aanmerking voor de Arbeidseinsatz. In huis waren twee schuilplaatsen, te weten de elders vaak gebruikte schuilplaats boven de schuifdeuren en een luik bij de dakkapel. Maar die schuilplaatsen werden nooit gebruikt. Eenmaal verstopten vader en zoon zich bij een razzia in een kolenhok achter de woning van achterbuurman Broedelet, aan de Waterigeweg. Een andere keer deden ze dat op de betonnen vloer van het naast hun woning gelegen trafo-huisje.
Op zekere dag leek ’t alsnog het fout te gaan op Laan van Cattenbroeck 1. Er werd gebeld en Joost Krabbendam zag een Duitse soldaat voor de voordeur staan. Het bleek echter een medeleerling van het Christelijk Lyceum te zijn, die op Koppelweg 255 woonde. Diens antroposofisch ingestelde ouders Sigismund en Magdalene von Gleich-Wienandt waren in 1937 naar Nederland gekomen, maar de gezinsleden bezaten nog de Duitse nationaliteit. De jongen – Alexander von Gleich – moest daarom in Duitse militaire dienst, net als zijn oudere broer Andreas die op 18 juli 1944 in Berlijn omkwam. Met rector Snelleman van het lyceum had hij afgesproken dat hij alle voor de Arbeitseinsatz in aanmerking komende, voormalige medeleerlingen zou waarschuwen als er een razzia plaats zou vinden. Daarmee nam de moedige jongen een geweldig risico en de bijna 97-jarige Joost Krabbendam denkt daar zomer 2023 in zijn Zeister appartement nog met ontroering aan terug. (Alexander von Gleich, geboren in Hamburg op 1 juli 1925, overleed op 12 december 1993 in Australië.)
Het gezin Krabbendam-de Boer had geen weet van de onderduik op andere adressen in de Laan van Cattenbroeck, wat overigens uit veiligheidsoverwegingen een goede zaak was. Evenmin was bekend dat er op een meter of 80-90 schuin tegenover hun woning op 18 augustus 1944 negen joodse onderduikers waren gearresteerd op Frank van Borselenlaan 2 en 4.
Toch had Gerard Krabbendam goede relaties met het lokale illegaal werk, getuige het feit dat zijn twee vrouwelijke onderduikers vals geregistreerd konden worden op het gemeentehuis. Hij had in elk geval contacten met illegaal werkers als de socialisten Brons en Drooger die ook betrokken waren bij de onderduik van joodse personen in Zeist. Na de bevrijding was Krabbendam ook een van de 75 leden van het Kiescollege voor een tijdelijke gemeenteraad, in welk college een relatief groot aantal voormalige illegaal werkers zat.
Na de bevrijding vertelde buurman Sommer, een vertegenwoordiger van Duitse origine die wel eens Duitse officieren op bezoek had gekregen, dat hij wel vermoed had dat er onderduikers waren geweest bij de buren op Laan van Cattenbroeck 1, omdat het toilet daar zo vaak doorgespoeld was.
De moeder van Julius Cahen was vermoord. Cahen zelf, zijn echtgenote en hun vier kinderen overleefden de bezetting (zoon Gideon kwam terug uit een concentratiekamp). Ze kwamen na de bevrijding weer in Zeist wonen, waar twee van hun kinderen de Zeister Schoolvereniging aan de Verlengde Slotlaan bezochten.
Reintje Monnickendam en Dina de Wit overleefden eveneens de bezetting.
Van Reintje Monnickendam is weinig bekend – ze overleed al in juni 1947.
Wat Dina betrof: haar zuster Sannie, hun beide ouders en vrijwel alle andere familieleden waren vermoord. Ook haar gelijknamige, een jaar jongere nicht stond er in 1945 alleen voor. Volgens Joost Krabbendam had deze Dina de Wit ook in Zeist ondergedoken gezeten. Ze verbleef in 1946 in Zeist op Professor Lorentzlaan 29.
Voor het gezin Krabbendam-de Boer behield Dina de Wit haar onderduiknaam Cor. Er bleef tot haar overlijden contact en zelfs een achterkleindochter leerde ‘tante Cor’ ook nog kennen. Regelmatig bezochten de Krabbendams haar en haar vriendin in Amsterdam voor een matze-maaltijd. De voormalige onderduikster was een prettige vrouw in de omgang. Over haar grote verdriet zweeg ze.
Bronnen:
- Mededelingen van Joost Krabbendam (Geldrop, 15 juli 1926 – Zeist, 20 augustus 2024), in augustus en november 2023, en van Heleen Krabbendam
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Cornelia Engelina Jutte-Maas’, ‘Reintje Monnickendam’
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor de leden van het gezin Joseph en Judith de Wit-Abas, Julius F. Cahen en Reintje Monnickendam
- Digitaal joods Monument, Joseph en Judith de Wit-Abas en Sara Alexandrina de Wit
- Zie de bewezen onderduikadressen Van Ostadelaan 4 (onderduik Julius François Cahen) en Frank van Borselenlaan 2 en 4 (18 augustus 1944)
- Geheugen van Zeist, collecties, oude kranten, Zeister Post van 26 september 1945, het Kiescollege voor een tijdelijke gemeenteraad
1. Laan van Cattenbroeck 3 (links)
2. Laan van Cattenbroeck 1 circa 1943
3. Gerard Krabbendam tijdens de mobilisatie
4. Ali en Gerard Krabbendam-de Boer
5. Fenna Krabbendam
6. Joost Krabbendam
7. Het echtpaar De Tempe-de Vries
8. Sara Alexandrina de Wit
9. Dina de Wit tijdens kerstmis 1951
10. Het echtpaar Krabbendam-de Boer in de naoorlogse jaren









