Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)
Onderduikster:
- Margaretha Sophia Aronson, correspondente (Amsterdam, 20 juli 1913 – Oss, 8 februari 2014)
Onderduikgevers:
- Arie Zeelenberg, verzekeringsagent (Rotterdam, 20 augustus 1906 – na de bevrijding geëmigreerd naar Fremantle in Australië) en
- Klazina Zeelenberg-Borgman (Amsterdam, 31 mei 1911 – na de bevrijding geëmigreerd naar Fremantle in Australië)
Kinderen (1938, 1941 en 1945)
Gré Aronson was Amsterdamse van geboorte, en woonde bij het begin van de bezetting nog thuis bij haar ouders. Op zekere dag, terwijl ze op weg was naar kantoor, zag ze hoe de ‘Joodsche Invalide’ werd leeggehaald. Overvalwagens stonden er voor de deur. Duitsers en NSB-ers gaven de patiënten door ramen aan elkaar aan, waarna ze in de overvalwagens weggebracht werden.
Zelf had de goed opgeleide Gré een Sperr, een voorlopige vrijstelling van deportatie, vanwege haar functie als administratieve controleuse en hulp-kassière bij een afdeling van de Joodse Raad van Amsterdam. Ze gold er als een positieve, goede kracht van orthodox-joodse huize. Maar ook uit huizen tegenover het kantoor aan de Oude Schans waar ze werkte, werden mensen gehaald. Toen Gré’s ouders werden opgepakt, wist ze hen nog vrij te krijgen door brutaalweg naar de Euterpestraat te bellen en te vertellen dat de arrestatie op een vergissing moest berusten.
Het moeilijke besluit om onder te duiken werd onvermijdelijk voor Gré Aronson en haar ouders. Broer Leon was na een scheiding in 1937 gemengd gehuwd. Mogelijk doken het echtpaar Leendert en Sophia Aronson-Bonewit en hun dochter voor het eerst onder op 9 juli 1942 (die datum staat ergens op de kaart van Gré Aronson bij de Joodse Raad). Het bleef bij een kortstondige onderduik. Er kwam namelijk al gauw een betrouwbaar geacht bericht, dat er al genoeg arbeidskrachten opgehaald waren. Het echtpaar Aronson-Bonewit en hun dochter kwamen daarop tevoorschijn, maar het bericht bleek onjuist. Er moesten weer onderduikplaatsen gezocht worden.
Gré Aronson kwam terecht bij het echtpaar Wim en Gré Borgman-Meijer. Borgman was conciërge van Winterthur Verzekeringen aan de Herengracht, waar Gré Aronson in het souterrain kon verblijven. Ze had dat onderduikadres gevonden omdat Gré Borgman-Meijer had gewerkt voor haar vader Leendert Aronson, die kleermaker was. De onderduikgevers waren prima mensen, maar Gré Aronson zat van 7.00 uur ’s ochtends tot 21.00 uur ’s avonds op een onverwarmde kamer. Ook omdat niet bekend was hoe de bovenburen waren, en omdat Wim Borgman verbonden was aan de illegale Groep 2000, werd voor Gré Aronson een ander adres gezocht.
Ze werd opgehaald door de verzekeringsagent Arie Zeelenberg en diens vriend Jan. Deze mannen brachten haar naar Zeist, waar Zeelenberg op de Laan van Cattenbroeck 125 woonde. Hij was getrouwd met zus Sientje (Klazina) van Wim Borgman, die jaloers werd, waardoor de onderduiksituatie onprettig werd.
Gré Aronson vroeg per brief om een ander onderduikadres, maar die brief werd mogelijk achtergehouden door de onderduikgeefster. Het onderduikleven bleek moeilijk. Jonge vrouwen waren soms vogelvrij, want een onderduikster was kwetsbaar voor verraad en kon moeilijk openlijk klagen. In elk geval werd de situatie op Laan van Cattenbroeck onhoudbaar en Arie Zeelenberg zocht en vond een ander onderduikadres. Daar gedroegen de onderduikgevers zich aanvankelijk erg aardig, maar uiteindelijk voelde Gré Aronson zich ook daar niet prettig meer. Er werd een derde onderduikadres gevonden in Zeist, Wilhelminalaan 37, maar daarmee was het onderduikavontuur nog niet ten einde voor Gré.
Bij ITS Arolsen berust een lijst van Holocaust-slachtoffers met de achternaam Aronson. Gré Aronson staat ook vermeld op die lijst, met de aantekening dat haar overlijdensdatum niet bekend is. Dat kan kloppen, want zij overleefde de bezetting. Dit in tegenstelling tot haar ouders die op 19 juni 1944 geïnterneerd werden in de strafbarak 67 van Kamp Westerbork (gearresteerd in onderduik), op 31 juli gedeporteerd waren naar Theresienstadt, op 9 oktober naar Auschwitz waren getransporteerd en daar op 11 oktober 1944 waren vermoord.
Bronnen:
- Mededelingen Sia Mozes, dochter van Gré Mozes-Aronson
- Gré Mozes-Aronson, bijdrage ter gelegenheid van de opening van de Onderduiktentoonstelling ‘Ben ik hier aan het goede adres….?’, op 21 juli 1994, in het Nationaal Oorlogs- en Verzetsmuseum in Overloon (deze tekst is later gepubliceerd in Limburgse dag- en weekbladen)
- Oude bevolkingsregisters van Amsterdam en Zeist
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Margarethe Sophia Aronson en een ander document, Joodse Raad-kaarten voor Leendert en Sophia Aronson-Bonewit
- Joods monument, Leendert en Sophia Aronson-Bonewit
- Zie het bewezen onderduikadres Wilhelminalaan 37




