Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw ten opzichte van Onderduikboek en Supplement)
Onderduikers:
- Salomon Koster, zenuwarts (Amsterdam, 10 juni 1893 – Amsterdam, 2 februari 1958), en
- echtgenote Hanna Koster-Teixeira de Mattos (Amsterdam, 22 december 1899 – Amsterdam, 25 november 1980)
Onderduikgevers:
- Jacob Takken, chauffeur (Utrecht, 10 augustus 1912), en
- echtgenote Catherine Wilhelmina Takken-Gijsbertsen (Wageningen, 18 maart 1917)
Twee kinderen (1937, 1941)
Bij het NIOD bevindt zich een getypt verslag van 62 A4-tjes van de Amsterdamse zenuwarts Salomon Koster over zijn onderduikjaren. Aan dit verslag had Koster de titel ‘Twee jaren vrijwillige gevangenschap’ gegeven en als motto ‘When one knows, what others suffer, one ’s ashamed.’ De onderduikroute van hem en zijn echtgenote voerde hen ook naar Zeist.
In 1921 vestigde Salomon Koster zich als zenuwarts in Amsterdam, verbonden aan het Binnengasthuis. Hij behandelde onder meer slapeloosheid en spraakstoornissen met hypnose. Koster was een actieve zenuwarts. In 1926 publiceerde hij een boek over zijn werkwijze met hypnotiseren. In 1927 trok een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde veel aandacht, waarin hij de invloed van de hersenen op plotseling grijs worden door emoties behandelde. Vrijwel elke krant besteedde er een bericht aan. In 1933 adverteerde hij voor zijn kliniek voor de ambulante behandeling van zenuw- en zielsziekten. Twee jaar later deden 350 artsen, zenuwartsen, psychologen enzovoorts per krantenadvertentie een oproep aan alle staatslieden en kabinetten van de wereld, om de oorlogspsychose niet aan te wakkeren. Dr. S. Koster was een van de ondertekenaars. In 1936 verscheen zijn boek ‘Leerboek der Hypnose’.
Koster was in 1922 getrouwd met de niet-joodse Willemina Staring die in april 1930 stierf. Als 38-jarige weduwnaar met twee kinderen – een dochter en een zoon- hertrouwde hij in juli 1931 met Hanna Teixeira de Mattos (31). Zij tekende en schilderde, en exposeerde haar werken regelmatig.
De onderduik viel de voorheen zo actieve combinatie van wetenschapper en kunstenaar zwaar.
Om te beginnen, had Salomon Koster grote moeite om zich te verplaatsen in zijn nieuwe identiteit, die van opperman ‘Gerrit Vijverberg’ uit de Amsterdamse Jordaan. Als hij zijn volstrekt eeltloze handen bekeek, voelde hij grote afstand tot zijn valse alter ego.
Zijn echtgenote en hij hadden niet te klagen over hun helpers. Ze brachten hen voor een overnachting naar een adres in Haarlem, waar zijn zwager en schoonzuster al ondergedoken zaten, het echtpaar Bram en Saar de Beer-Teixeira de Mattos. De volgende ochtend moest Koster door zijn echtgenote en haar zuster overtuigd worden om uit zijn bed te komen. Hij ervoer het onderduiken als ‘in vele opzichten duizendmaal harder dan die in een gewone gevangenis’. Al op de tweede dag van zijn onderduik stelde hij vast dat hij een flinke depressie had.
Hij vroeg zich af of hij ook niet beter gedeporteerd had kunnen worden: ‘Dan nog liever naar Westerbork, of, desnoods, naar Polen, waar ik, als dokter, nog nuttig werk had kunnen doen voor al die arme stakkerds.’ Maar zou dat werkelijk zin gehad hebben? Een moreel dilemma.
De avond van de tweede dag werd het echtpaar Beer-Teixeira de Mattos naar een adres in Bloemendaal gebracht. De heer des huizes was veertien dagen eerder begraven, en de zoon had als dominee de bezetter zodanig gehekeld, dat hij had moeten onderduiken.
Hoewel de weduwe haar onderduikers prettig verzorgde, wilde Salomon Koster alleen maar terug naar huis. Zou zijn eerdere gemengde huwelijk – hij was in 1929 weduwnaar geworden – en twee halfjoodse kinderen daaruit hem niet beschermen tegen deportatie? Terwijl zijn vrouw ‘geariseerd ‘zou kunnen worden, of op de Portugese lijst geplaatst worden. En anders toch maar naar Kamp Westerbork of naar Polen, waar je in de buitenlucht kon komen en gewoon zou kunnen praten? Ook overwoog hij samen met zijn echtgenote de twee speciale flesjes leeg te drinken, die hij had meegenomen. Zij verweet hem echter egoïsme, waarmee hij de onderduikgeefster mee in problemen zou brengen.
Eind april 1943 moest er een nieuwe onderduikplek gezocht worden en toen kwam Zeist ter sprake. Een bemiddelaarster zou een vrouw in Zeist bezoeken, die in de illegale beweging zat. Er bleek overigens een kamer in Limburg beschikbaar, maar die was de volgende ochtend alweer vergeven. Met de ophanden zijnde treinstaking was inmiddels haast geboden. Tegen 16.00 uur ’s middags kwam het bericht dat er een plek in Zeist was, bij het gezin van een chauffeur in Duitse dienst met twee kleine kinderen. Het huis was gelegen aan de rand van Zeist. Aan een kant van het huis een steegje, aan de andere kant zou een politieagent van het goede soort wonen. Er werd een vergoeding van 300 gulden per maand gevraagd.
Op 30 april volgde het vertrek van station Bloemendaal naar Zeist, met twee begeleidsters. In Zeist werd eerst de tussenpersoon bezocht, Bertha Beckman-Halkema. Een van de begeleidsters ging met Hanna Koster-Teixeira de Mattos vooruit naar Acacialaan 18a, terwijl Salomon Koster met de andere begeleidster in een parkje wachtte, om tien minuten later ook hartelijk ontvangen te worden. Vervolgens vertrok Hanna Koster-Teixeira de Mattos met Bertha Beckman-Halkema naar het beoogde onderduikadres, ongeveer een half uur lopen. De helpster kwam terug en om half elf (in het donker) bracht ze Koster naar het onderduikadres aan de Laan van Bergen 9. De ontvangst was een koude douche voor het echtpaar Koster-Teixeira-de Mattos. Zijn echtgenote had bij aankomst een emmer aardappelen gekregen om te schillen, voor drie dagen en de onderduikgevers waren zelf de deur uitgegaan. Dat kon die avond voor het laatst, want de avondklok zou van 11 uur ’s avonds naar 8 uur vervroegd worden.
Vanaf dag één waren er veel spanningen met de onderduikgeefster, mede omdat de omstandigheden zwaar waren voor het echtpaar Koster-Teixeira de Mattos. In een brief aan vrienden beschreef Koster de omstandigheden. Het was een koude meimaand en ze mochten ’s avonds een uurtje in de huiskamer bij de kachel zitten. Medische zorg en tandartsenhulp waren problematisch. De onderduikkamer werd steeds verder afgesloten van de buitenwereld. Dikkere gordijnen, en er mocht steeds minder geluid gemaakt worden. Vaak moesten ze 4-6 uur achtereen, en ’s zondags langer, stil blijven zitten en fluisteren vanwege bezoek bij de onderduikgevers, wegens de komst van de bakker, de melkboer of een familielid. Op een dag, toen de onderduikgeefster van tevoren aankondigde dat er de hele dag bezoek zou komen, nam Koster een flinke dosis laudanum, om zijn darmen voor die dag buiten functie te stellen. Het toilet was namelijk beneden. Dat toilet mocht tijdens afwezigheid van de onderduikgevers niet doorgetrokken worden vanwege de buren. Extra deprimerend was wat de chauffeur vertelde over zijn werk in Polen en Frankrijk, en over hoe joden behandeld werden.
Bij het wakker liggen in bed, kwamen herinneringen aan muziekmotieven uit een klassieke symfonie boven, maar de onderduikgever speelde daarentegen ‘hartstochtelijke jankende en trekkende geluiden, waarin geen melodie te herkennen is’.
Met Pinksteren kondigden de onderduikgevers aan dat ze vijf dagen op vakantie wilden gaan. Eindelijk kon het gezin – met twee kleine kinderen – na jaren weer eens gezamenlijk weg. Met acht gulden per dag aan Duits loon plus het onderduikgeld was dat mogelijk. De aankondiging veroorzaakte discussie: hoe voor zes dagen brood, aardappelen en groenten goed te houden? De vakantie werd teruggebracht tot drie dagen.
Via de chauffeur ontving het echtpaar Koster-Teixeira de Mattos brieven van zijn half-joodse kinderen. Zij wisten niet waar hij was, maar stuurden onder valse namen cadeautjes voor de verjaardag, kersen en een boterbon. Daar hadden ze niet lang plezier van.
Op een dag werd er om 9 uur ’s morgens gebeld. De onderduikgeefster deed niet open, maar toen er een kwartier later weer gebeld werd, deed ze dat wel. Paniek! Een kennis van haar echtgenoot kwam waarschuwen dat er huiszoeking op komst was. De onderduikers moesten zo snel mogelijk de straat op en alles inpakken. Even later was het al zo ver. Ze vluchtten via de achterzijde van het huis, waarbij de buurvrouw hen zag. Via het gangetje gingen ze naar voren. Op straat stond een Duitse agent, maar die sloeg geen acht op hen.
Ze liepen naar Bertha Beckman-Halkema op Acacialaan 18a. Die gaf opdracht aan haar werkster een pakketje brieven (inclusief de boterbon) van de onderduikers om veiligheidsredenen te verbranden. Vervolgens bracht ze het echtpaar Koster- Teixeira de Mattos naar aannemer Kees Kirpensteijn aan de Krullelaan: ‘Daar waren al zes joden ondergedoken, die alle door een of andere oorzaak van hun onderduikadres waren verdreven. Mijn God met welk een haast bovenmenselijke liefde werden wij hier ontvangen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, wij, Joden, bedelaars, zwervers, paria’s en bovendien voor deze menschen volkomen vreemden.’ Ze kregen koffie, broodjes, boter en kaas, zonder bonnen te hoeven geven. Tonnie Kirpensteijn-Ten Haaft stelde hen gerust: ze mochten zo lang blijven als nodig was.
Bertha Beckman-Halkema ging intussen op onderzoek uit. Het bleek dat er een huiszoeking bij alle chauffeurs van de Duitse organisatie was geweest, naar een kist met munitie. Bij Takken op Laan van Bergen 9 was niets gevonden. Dus konden de onderduikers weer terug, maar ze voelden zich zeer onhartelijk bejegend. Eten? Daar was niet op gerekend en alle bezittingen lagen nog op het platje bij buren.
[Soms activeerden Salomon Koster en zijn echtgenote elkaar. Dertig jaar eerder had Koster een van de twee schilderijen gezien, waarop Rembrandt de zelfdoding van de Romeinse Lucretia had uitgebeeld. In juni 1944 vroeg hij zijn echtgenote om ook Lucretia te schilderen, als inspiratiebron voor de uitwerking van het mythische drama van Lucretia. Toen het schilderij klaar was, schreef hij in drie dagen tijd – van 27 juni tot 1 juli 1944 – het drama dat na de bevrijding zou worden uitgegeven.]
Op een ochtend kwam de chauffeur opeens om tien uur naar huis. Er was in de buurt een huiszoeking naar joodse onderduikers. Er hadden al arrestaties plaatsgevonden. Ze moesten snel de koffers en tassen inpakken, die in de kruipruimte in een teiltje werden geplaatst, om ze droog te houden. Koster kon eventueel languit liggen in de kruipruimte. Na twee uur wachten ging de chauffeur polshoogte nemen en zag dat de Duitsers weer weg waren. Vermoedelijk betrof het hier de overval in de Frank van Borselenlaan, op 18 augustus 1944. Uit voorzorg werd er die nacht gekleed geslapen. Maar eigenlijk zouden ze moeilijk kunnen ontkomen. Probleem was namelijk dat hun persoonsbewijzen tijdelijk bij de illegale beweging waren en ze dus niets hadden bij een eventuele controle.
Door vrienden werd gezocht naar een betere onderduikplek. Het was inmiddels half september, het werd steeds kouder, en verwarming was er niet. Met een kennis (zuster Strijborg?) die tijdelijk in Zeist woonde, gingen ze af en toe wandelen. Als het donker werd, gingen ze bij gebrek aan verlichting maar naar bed. Het gezin Takken-Gijsbertsen was veel weg, dus het huis moest dan helemaal donker zijn. Alleen bij een heel klein schermerlampje achter het bed kon gelezen worden. Inmiddels werd Hanna Koster-Teixeira de Mattos ook steeds triester en somberder in de troosteloze en uitzichtloze onderduiksituatie.
Eind september kwam echter het bericht dat er in Amsterdam of Amerongen een nieuwe plek was. Het liefst wilden ze naar Amsterdam waar meer bekenden van ze woonden. Maar eerst moesten dan de baard en snor eraf om herkenning te voorkomen. Op nieuwe persoonsbewijzen kwamen ook nieuwe namen. Geen Vijverberg meer, maar S. Koster, en het beroep van opperman was vervangen door dat van boekhouder. Er kwamen twee fotografen langs voor foto’s. De hoop op een nieuwe plek verbeterde de stemming. De onderduikgevers hadden opeens ook veel meer aandacht voor hen, want de onderduikgever was brievenbesteller geworden en had nog maar 1/3 van zijn oorspronkelijke loon. In deze situatie was het geld van de onderduikers heel belangrijk. Ze kregen weer een koekje bij de thee en mochten beneden bij de kachel zitten.
Op 10 oktober werden de nieuwe persoonsbewijzen gebracht. De nieuwe onderduikplek in Amsterdam was ergens op een derde verdieping. Voor die plek werd 400 gulden per maand gevraagd, maar uiteindelijk werd tien gulden per dag afgesproken. Het leven was er aanvankelijk een stuk dragelijker dan in Zeist, maar de onderduikers kregen wel het slechte nieuws dat hun schoonzuster en zwager Saar en Bram de Beer-Teixeira de Mattos gearresteerd waren. Vermoedelijk kort na de jaarwisseling. Ook deze onderduikperiode zou helaas met veel irritaties eindigen. Volgens Salomon Koster vooral door gedoe over geld.
Ze konden vervolgens twee dagen terecht bij een bevriende arts, daarna kort bij een verpleegster en tenslotte bij een boezemvriendin van de verpleegster. Door een ambtenaar van de burgerlijke stand werden ze als ariërs ingeschreven. Het was een goed onderduikadres, maar toen de zoons van de onderduikgeefster na langere tijd weer thuiskwamen, werd de woonruimte te krap voor vijf personen. Koster bezocht tussen vijf en acht overdag tevergeefs allerlei vrienden en kennissen om te kijken of er woonruimte was. Na een week kregen ze de aanzegging van de onderduikgeefster dat ze na drie dagen echt weg moesten zijn. Allerlei zelfmoordgedachten borrelden op en Hanna Koster-Teixeira de Mattos raakte overstuur. Ze kregen nog een week uitstel, waarin Koster verder kon zoeken.
Een oud-patiënte van hem was hartelijk, maar had geen geschikte plek. Een oud-leerling, een arts, wel, en daar kreeg het echtpaar Koster-Teixeira de Mattos een fijne onderduikplaats, waar Koster bijvoorbeeld weer viool kon spelen e.d.
Op de dag voor Kerstmis 1944 kwam de dochter des huizes op bezoek. Zij was leerling-verpleegster en beschreef de slechte omstandigheden in de inrichting waar ze werkte. Er was nauwelijks te eten, dagelijks stierven er twee tot drie patiënten. De inrichting was 40 km van Amsterdam en de directeur een NSB’er. Was hier sprake van de Willem Arntz Hoeve?
Op dit laatste onderduikadres bleven de omstandigheden en verhoudingen prettig, en het echtpaar Koster-Teixeira de Mattos overleefde de bezetting, na twee grotendeels moeilijke jaren. De half-joodse kinderen uit Kosters eerste huwelijk hadden geen grote gevaren gelopen.
Maar zijn enige broer was met diens gezin gearresteerd. Accountant dr. Willem Koster, wis- en natuurkundige en leraar op een Montessori-school, was blijkbaar na het verlopen van zijn Sperr ondergedoken met zijn gezin. Al op 24 december 1943 waren ze als strafgevallen in Kamp Westerbork geïnterneerd en op 25 januari 1944 waren ze op straftransport naar Auschwitz gezet. Op de dag van aankomst, 28 januari, waren Willem (52) en Flora (51) Koster-Herz en hun kinderen Louise (16) en David (12) vermoord.
Ook aan de kant van Hanna Koster-Teixeira de Mattos waren moordslachtoffers gevallen. Haar weduwe-moeder Judith Teixeira de Mattos-Abendana Namias en haar ongehuwde zuster Rachel waren op 17 april 1943 in Kamp Westerbork geïnterneerd – Judith in de ziekenhuisbarak 85 – en op 25 februari 1944 samen gedeporteerd naar Theresienstadt. Van daaruit waren ze op 18 mei naar Auschwitz gebracht. Moeder Judith was daar op 7 juli vermoord (75 jaar oud) en dochter Rachel gold als vermoord op 28 februari 1945 in Midden-Europa (41).
Sara – Hanna’s andere zuster – en Abraham de Beer-Teixeira de Mattos waren gearresteerd in onderduik, samen met hun dochter Hanna die ook nog in Zeist ondergedoken had gezeten, op Hoog kanje 9 bij het echtpaar Tellegen-Westerouen van Meeteren. Op 20 januari 1944 waren ouders en dochter in de strafbarak van Kamp Westerbork geïnterneerd. Ze hadden vijf dagen later op straftransport gemoeten en de ouders waren na aankomst op 28 januari vermoord, 47 en 49 jaar oud. Dochter Hanna overleefde de deportatie en de beide andere dochters overleefden in onderduik,
Na de bevrijding herstartte Salomon Koster zijn praktijk op het oude adres en Hanna Koster-Teixeira de Mattos hervatte op haar beurt haar kunstzinnige werk. In 1947 werd het in onderduik geschreven drama ‘Lucretia’ uitgegeven en twee jaar later verscheen de tweede druk van ‘Leerboek der hypnose’.
In oktober 1952 ondersteunde dr. S. Koster de oproep van het Comité van Protest tegen de Gratieverlening aan de SD’er Lages. Koningin Juliana wilde gratieverlenen aan de voormalige leider van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, in de vorm van omzetting van het doodvonnis in levenslange gevangenisstraf.
In 1953 verscheen de tweede druk van zijn boekje ‘Bedwateren’. Maar vooral was hij zich weer toe gaan leggen op het behandelen met hypnose. Toen er in 1954 een Hypnose-vereniging van artsen en tandartsen kwam, werd Koster benoemd tot voorzitter. In dat jaar verscheen van zijn hand ook het boek ‘Genezing door gebed’.
In november1957 deed hij voor het laatst van zich horen, dit keer niet op vakgebied. Hij zag geregeld hoe een voddenraper bij hem in de straat omstreeks zeven uur ’s ochtends met blote handen in de vuilnisbakken wroette. Dat was volgens de Algemene Politie Verordening verboden en kon volgens hem ziekten veroorzaken. De redactie van het Geneeskundig Tijdschrift, waaraan Koster de kwestie had voorgelegd, had het meer een esthetische dan een hygiënische kwestie gevonden. Daar was hij het niet mee eens, maar korte tijd later stierf hij, op 2 februari 1958, 64 jaar oud.
Na zijn dood verscheen de derde druk van zijn boekje over bedwateren.
Deze beschrijving is ontleend aan het uitgebreide verslag van Salomon Koster over zijn onderduikervaringen. Dat verslag bevat niet de werkelijke namen van de betrokkenen. Bertha Beckman-Halkema wordt bijvoorbeeld opgevoerd als ‘mevrouw BEEK’. Uit de context is af te leiden wie met welk pseudoniem bedoeld werd. Dat geldt ook voor ‘de chauffeur KATTE’, die aan de rand van Zeist woonde met echtgenote en twee kinderen, met een gangetje tussen de huizen, joodse onderduikers in de buurt enzovoorts.
Bronnen:
- NIOD, Europese dagboeken en egodocumenten, toegang 244, inventarisnummer 996, S. Koster, ‘Twee jaren vrijwillige gevangenschap’ (280 pagina’s, periode juli 1934 – mei 1945)
- Zie de bewezen onderduikadressen Acacialaan 18a en Krullelaan 17, voor informatie over de jodenhelpers Bertha Beckman-Halkema en het echtpaar Kees en Tonnie Kirpensteijn-ten Haaft
- Zie het bewezen onderduikadres Dolderseweg 164, over de WA Hoeve in oorlogstijd
- Hanna van den Ende, ‘‘Vergeet niet dat je arts bent’: Joodse artsen in Nederland 1940-1945’, proefschrift, Universiteit van Maastricht, uitgeverij Boom, 2015
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Willem en Flora Koster-Herz en Louise en David Koster, Judith Teixeira de Mattos-Abendana Namias, Rachel Teixeira de Mattos en Sara en Abraham de Beer-Teixeira de Mattos
- Digitaal joods monument, Willem en Flora Koster-Herz en Louise en David Koster, Judith Teixeira de Mattos-Abendana Namias, Rachel Teixeira de Mattos en Sara en Abraham de Beer-Teixeira de Mattos
- Zie het bewezen onderduikadres Hoog Kanje 9, voor de onderduik van Hanna de Beer
1. Laan van Bergen 9
2. Bericht in het Algemeen Handelsblad van 22 mei 1926 over de uitgave van het boek ‘Hypnose in de geneeskunde’ van Salomo Koster
2a. Bericht in het Algemeen Handelsblad van 12 mei 1925 over de werkuren van Salomo Koster als zenuwarts
2c. Bericht in het Algemeen Handelsblad 26 april 1930 over de afwezigheid van dr. Salomo Koster
2d. Aankondiging in het Algemeen Handelsblad van 10 maart 1938 van een expositie van werken door onder andere Hanna Koster-Teixeira de Mattos
2e. Bericht in De standaard van 10 oktober 1938 over de verschijning van ‘Leerboek der hypnose’ van dr. S. Koster
2f. Cover van ‘Leerboek der hypnose’ van dr. Salomon Koster
3. Berta Beckman-Halkema kopie
4a. Kees Kirpensteijn
4b. Tonnie Kirpensteijn-ten Haaft
5. Een van dce twee Lucretia’s die Rembrandt van Rhijn schilderde (Wikipedia)
6a. Sara de Beer-Teixeira de Mattos, zuster en schoonzuster van het echtpaar Koster-Teixeira de Mattos en schoonzuster. zij en haar man zouden opgepakt worden
6b. Zwager Abraham de Beer
7. De moeder van Hanna Koster-Teixeira de Mattos, Judith Teixeira de Mattos-Abendana Namias op jonge leeftijd
8. De overlijdensadvertentie voor Salomo Koster in het Algemeen Handelsblad van 5 februari 1958
9. De overlijdensadvertentie voor Hanna Koster-Teixeira de Mattos in De Volkskrant van 1 december 1980















