Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 394-396)
Onderduikers:
- Josepha Valentine Marx-Henschel, gehuwd (Berlijn, 23 juli 1889 – Zeist, 29 juni 1979)
- zoon Ernst Carl Herman Marx, ongehuwd, student (Almelo, 5 december 1922 – Driebergen, 22 april 2001)
- dochter Toni Eva Cornelius-Marx, gehuwd (Rotterdam, 16 december 1911 – Zeist, 9 mei 1985)
- kleindochter Laura Renate Cornelius (Eindhoven, 12 juni 1935 – Olst, 11 november 2003)
- kleindochter Anne Elisabeth Cornelius (Eindhoven, 26 november 1936)
- kleindochter Valentine Petra (Cornelius (Den Haag, 11 april 1940)
Onderduikgevers:
- Nicolaas Willem Gaanderse, geen beroep (Wissekerke, 12 juni 1888), en
- echtgenote Wilhelmina Gaanderse-Vervloet (Baarn, 10 januari 1892)
Vali Marx-Henschel en haar zoon Ernst zitten ondergedoken in Zeist. Zo ook Vali’s beide dochters, op verschillende adressen. Maar na de Hongerwinter worden dochter Eva Cornelius, haar drie dochters, haar moeder en haar broer herenigd op Laan van Beek en Royen 11.
Dat wil zeggen, broer Ernst Marx – die zich zonder ster beweegt – is zelden aanwezig, want hij fietst door Nederland om voedselbonnen bij onderduikers te bezorgen. Net als zijn neef Frits Steiner en zwager Peter Cornelius doet hij illegaal werk. Beide laatstgenoemden worden gearresteerd, maar Ernst Marx blijft uit handen van de Sicherheitspolizei.
De koelbloedigheid en vindingrijkheid van zijn moeder redt beiden op zeker moment. Als Ernst af en toe neerstrijkt op het onderduikadres van zijn moeder slapen beiden in één bed. Bij een razzia mag er immers geen leeg beslapen bed zijn. Op een dag wordt er om 5.00 uur ‘s morgens hard gebeld en op de deur gebonsd. Vali Marx-Henschel schiet haar peignoir aan, en ze fluistert tegen haar zoon dat die naar het toilet moet gaan. ‘Deur dicht, maar niet op slot. Licht uit laten.’ Het blijkt inderdaad een razzia te zijn. Ze zegt tegen de binnenkomende Duitsers: ‘Guten Tag, meine Herren. Ik hoop dat u zelf uw weg even vindt, want ik moet nodig naar het toilet!’ Vervolgens sluit ze zich bij haar zoon op het toilet op, met het licht aan.
Her en der in Nederland heeft Ernst Marx schuilplaatsen, waar hij kan overnachten. Eva Cornelius-Marx heeft op Laan van Beek en Royen 11 een voor- en een achterkamer op de eerste etage tot haar beschikking, gescheiden door twee houten deuren die van vloer tot plafond reiken. Broer Ernst heeft een schuilplaats onder de vloer van de voorkamer. Daar komt hij alleen uit als de kleine Valentientje (3-4 jaar in deze periode) zijn aanwezigheid niet kan opmerken. Dat is nog niet zo eenvoudig, want de grote deuren mogen niet op slot van Eva’s jongste. Die wordt elke avond gewassen in de wastafel in de achterkamer, voordat ze naar bed gaat. Haar verdere leven zal ze zich herinneren hoe haar moeder tijdens die wasbeurten het bekende lied ‘Am Brunnen vor dem Tore’ van Frans Schubert zingt:
‘Am Brunnen vor dem Tore
Da steht ein Lindenbaum:
Ich träumt’ in seinem Schatten
So manchen süßen Traum’
Haar dochtertje vindt het prachtig. Er wordt anders nooit gezongen op het onderduikadres. Als Eva haar dochter weer afdroogt, stopt ze met zingen. Het is een code. Ernst Marx moet weer naar zijn schuilplaats.
Hoe beleeft een klein onderduikkind de oorlog? Als Valentientje Cornelius haar grootmoeder en moeder bezorgd naar de hemel ziet te staren – daar gaan overvliegende V2’s – en over bommen hoort mompelen, roept zij geruststellend dat het maar kleine bommetjes zijn. Ook hoort ze haar grootmoeder en moeder voortdurend zwijmelen over koffie en ze besluit te voldoen aan die grote behoefte. Wetend dat koffie zwart moet zijn, mengt ze in de tuin – de enige plek waar ze buiten mag komen – wat aarde en water in een bakje. ‘Koffie!’ Haar grootmoeder en moeder barsten in tranen uit. Maar de oorlogsjaren zijn natuurlijk ook voor onderduikkinderen een heel slechte tijd en ze zullen onuitwisbare sporen achterlaten, zo zal blijken. Vele jaren later, als Valentientje Vally heet, zal ze door de Stichting 1940-1945 erkend worden als oorlogsslachtoffer.
Haar grootmoeder Vali Marx-Henschel, door alle familieleden ‘Tante Vali’ genoemd, en haar nazaten zullen de bezetting overleven.
Vali’s echtgenoot Alfred Jacques Marx (Rotterdam, 23 december 1880 – Auschwitz, 22 oktober 1943) niet. Hij is op 18 oktober 1943 via Kamp Vught in Kamp Westerbork terecht gekomen. Waarschijnlijk heeft hij bij de Moerdijkbruggen gewerkt, een buitencommando van Vught. Op 19 oktober 1943 is hij doorgestuurd naar Auschwitz en daar op de dag van aankomst vermoord, op 22 oktober 1943, 62 jaar oud.
Bronnen:
- Mededelingen van Vally Cornelius
- Zie de bewezen onderduikadressen Krakelingweg 79 (onderduikadres Vali Marx-Henschel en zoon Ernst), Dalweg 24 (onderduikadres Annerie Marx), Oranje Nassaulaan 23 (onderduikadres Tonie Eva Cornelius-Marx) en Louise de Colignyplein 5 (idem; over arrestatie Frits Steiner en Peter Cornelius)
- Kamp Westerbork (Collectie – Een Naam en een Gezicht), informatie over Alfred Jacques Marx




