Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)
Onderduiksters:
- Grietje Vorst, ongehuwd (Bunnik, 2 september 1881 – Utrecht, 6 april 1959)
- Betty Rachel Hes (Culemborg, 8 maart 1924 – na de bevrijding geëmigreerd naar Israël)
Onderduikgevers:
- Pieter Marinus Albertus Harkema, onderwijzer (Utrecht, 27 februari 1880 – Zeist, 8 april 1956), en
- echtgenote Teuntje Harkema-de Gooijer (Loosdrecht, 2 april 1878 – Zeist, 13 mei 1962)
Tijdens de bezetting tijdelijk inwoning van een (schoon)zuster Harkema en van dochter Rie van Diggele-Harkema en drie kinderen (1940, 1942, 1945)
In het eerste kwart van de 19e eeuw woonden ze naast elkaar op de Steynlaan, het echtpaar De Gooijer-Karsemeijer (nummer 79), het echtpaar Harkema-de Gooijer (81) en het gezin Vorst-Blok (83).
Nicolaas de Gooijer op 79 en buurvrouw Teuntje Harkema-de Gooijer op 81 waren broer en zus, uit Loosdrecht afkomstig. Nicolaas de Gooijer zou zijn stucadoorsbedrijf ontwikkelen tot een grote onderneming op Dalweg 48. De echtparen De Gooijer-Karsemeijer en Harkema-de Gooijer waren gereformeerd en de mannen waren actief op maatschappelijk en kerkelijk gebied. Nicolaas de Gooijer was bestuurder en gemeenteraadslid en zijn zwager, de onderwijzer Pieter Harkema, was scriba (secretaris) en lid van de diaconie van de Oosterkerk. Met hun gezinnen vertrokken ze uiteindelijk van de Steynlaan, naar Dalweg 48 respectievelijk naar Nederlands-Indië.
Het joodse gezin Vorst-Blok bestond uit weduwnaar Hijman Vorst (1836) en zijn vrijgezelle kinderen Elias Izak (1873), Mietje (1877) en Grietje (1881). Ze hadden voorheen in Bunnik gewoond, waar Hijman en zijn zoon Elias Vorst een slagerij hadden gedreven. Zoon IJzak Ruben Vorst (1869) was al in 1909 naar Utrecht vertrokken, om daar zelf een vleeshouwerij te beginnen op Drieharingstraat 9.
Elias Vorst zette de slagerij van zijn vader en hemzelf voort in Zeist, op de hoek van de Steynlaan en de Krugerlaan, op Steynlaan 83 en later 83a. In 1930 vertrok hij met zijn beide zusters naar Utrecht, om daar een slagerij op Oudegracht 199 te beginnen.
Tijdens de bezetting besloot zowel het echtpaar de Gooijer-Karsemijer als het echtpaar Harkema-de Gooijer joodse onderduikers in huis te nemen en hun voorbeeld deed hun nazaten volgen. Zie het grote Onderduikboek voor Waterigeweg 70 (echtpaar Sliedrecht-de Gooijer) en het supplement voor Dalweg 48.
Elias Vorst overleed in 1938 en zijn zuster Mietje eind 1941. Hun overblijvende zuster Grietje deed in het najaar van 1943 een beroep op haar voormalige buren van de Steynlaan, het echtpaar Harkema-de Gooijer, die na een verblijf in Nederlands-Indië vanaf 1929 op Krullelaan 14 woonden. Daar woonde vanaf 1941 ook al een zuster van de heer des huizes in. Grietje Vorst kreeg er onderdak tot het einde van de bezetting. Ze zou in 1959 in Utrecht overlijden.
De Krullelaan was belangrijk wat betreft hulp aan joodse onderduikers. Daar woonden het echtpaar Kirpensteijn-ten Haaft, dat op nummer 17 als doorgangshuis functioneerde voor joodse onderduikers (11 valse registraties), en gemeenteambtenaar Jan Schep (nummer 8) die gold als de grote man achter de vervalsingen van persoonsregistraties van onderduikers.
Maar ook de adressen 6, 9, 10 (2x), 11, 12 (2x), 13, 17 (11x), 24, 25, 39 en 44 kwamen voor op valse registraties van onderduikers. Dus onder meer bij de buren van het echtpaar Harkema-de Gooijer, op nummer 10 en 12. Naar verluidt, was er op zolder een luik waardoor men van nummer 14 naar nummer 12 en vice versa kon in geval van onraad.
Het was druk op Krullelaan 14, want na het beruchte Duitse bombardement op Rotterdam in mei 1940 kwamen dochter Rie van Diggele-Harkema en haar twee kinderen inwonen (in april 1945 werd nog een derde kind geboren). Schoonzoon Jan van Diggele pendelde op een neer tot in 1944, toen hij ook kwam inwonen.
Het echtpaar Van Diggele-Harkema verleende ook hulp aan joodse onderduikers. Hun huis in Schiedam had het echtpaar namelijk ter beschikking gesteld van de joodse Zeistenaren dr.ir. Markus en Adele Beiner-Goldfarb en hun dochter Liesl (Elise) die eerder uit Wenen waren gevlucht en in september 1940 gedwongen verhuisd waren van Monster naar Zeist, waar ze op Parklaan 16 waren gaan wonen. Het gezin Beiner-Goldfarb had op het Zeister gemeentehuis valse papieren gekregen. Dat wil zeggen, men had Groningers en Twenten van ze gemaakt, door hun geboorte- en huwelijksplaatsen te veranderen in Uithuizermeden, Ootmarsum en Aduard. Ze waren via de ouders van Jan van Diggele en via de familie Sliedrecht in contact gekomen met het echtpaar Van Diggele-Harkema.
In Driebergen gaven de eind oktober 1940 gehuwde dochter en schoonzoon Jan en Emma Gort-Harkema op Traaij 189 onderduik aan de joodse Betty Rachel Hes (1924) en haar broer Jozef Philip Hes (1925). Zij kwamen uit Tiel, waar van oudsher veel Hes’sen woonden.
Broer en zus Hes hadden elk een Sperr van de Joodse Raad gekregen, zij in haar hoedanigheid van typiste bij Sociale Zorg en Bijstand Buitenlandse Joden en hij als typist en estafetteloper, maar die voorlopige vrijstellingen waren verlopen. Ze zouden overleven in Driebergen, via drie onderduikadressen. In de periode waarin ze bij het echtpaar Gort-Harkema verbleven, ontstond een tijdelijk probleem toen gezinsuitbreiding veel bezoek met zich meebracht. De onderduikers moesten ze tijdelijk weg. Betty Rachel Hes werd voor korte tijd ondergebracht op Krullelaan 14, waar het dus al behoorlijk druk was.
Grootvader Jozef Hes van Betty Rachel stond overigens vals geregistreerd op Homeruslaan 12, als ‘Josephus Hessen’, zoon van ‘Piet Hessen’ (Meijer David Hes) en ‘Anna Emans’ (Dina Manassen), gehuwd met ‘Anna Mansen’ (Rachel Manassen). Of hij werkelijk ondergedoken was op Homeruslaan 12 is niet bekend. Hij overleefde de bezetting wel.
Betty Rachel Hes was al weer weg, toen Krullelaan 14 in april 1944 gevorderd werd door de Duitsers en de hele familie Harkema haar intrek nam op Huydecoperweg 8. Onderduikster Grietje Vorst verhuisde ‘gewoon’ mee.
Alles zes hierboven genoemde joodse onderduikers overleefden de bezetting, mede dankzij Pieter en Teuntje Harkema-de Gooijer en hun kinderen. Er bleef ook contact in de naoorlogse jaren.
Bronnen:
- Mededelingen van Teuni Schanstra-Harkema (inmiddels overleden)
- Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister Zeist, en 1499-1500, register van illegalen, Markus en Adèle Beiner-Goldfarb en ‘Josephus Hessen’
- Geheugen van Zeist, collecties, oude kranten, informatie over inwoners
- Zie de bewezen onderduikadressen Waterigeweg 70, Krullelaan 17 en Dalweg 48
- Zie de valse registratie op Homeruslaan 12 van Jozef Hes
- ITS Arolsen, digitale colleties, Joodse Raad-kaarten voor Grietje Vorst, Markus en Adèle Beiner-Goldfarb, Elise Beiner, Betty Rachel Hes en Joseph Philip Hes
- jmind.nl, joodse onderduikers in Driebergen en hun schuiladressen
- Brief van 22 juni 1945 van Pieter Harkema aan zijn broer en schoonzuster in de Verenigde Staten (kopie in bezit van de auteurs)
1. Krullelaan 14
2. Krullelaan 14 omstreeks 1940
3. Pieter M.A. Harkema
4. Teuntje Harkema-de Gooijer
5. Advertentie in het Nieuw Israëlitiesch Weekbld van 5 februari 1909, waarmee IJzak Ruben Vorst een medewerker voor zijn in Utrecht te openen vleeshouwerij zocht
6. Advertentie van de slagerij van Elias Vorst op Steynlaan (Steinlaan) 83a in de Zeister adresgids van 1920
6. Nieuwjaarswens van vader Hijman en zoon Elias Izak Vorst in het Nieuw Israelitiesch Weeblad van 30 september 1910
7. Steynlaan 83a, op de hoek met de Krugerlaan, waar Elias Vorst zijn slagerij had
8. In de Zeister Weebode van 2 augustus 1919 adverteerde een federatie van slagerijen, waaronder de slagerij van Izak Vorst
9. In het midden het echtpaar Gort-Harkeman, links Joop Hes en rechts Betty Hes, in Israel









