Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 202-204; aanzienlijk aangevuld)
De arrestatie-actie op dit adres maakt deel uit van vier samenhangende acties op vrijdag 18 augustus 1944:
-
Krugerlaan 9 ->
-
Krugerlaan 7 ->
-
Frank van Borselenlaan 4 ->
-
Frank van Borselenlaan 2
In memoriam:
- Frits Leendert Posener (Amsterdam, 11 november 1940 – Auschwitz, 6 september 1944), bereikte de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden
Onderduikgevers:
- Jan Gijsbertus Hardeman, bakker (Zeist, 2 februari 1906 – overleden na 1989), en
- echtgenote Aartje Hardeman-van Ewijk (Westbroek, 26 maart 1908 – Zeist, 24 oktober 1990)
Tijdens de bezetting drie kinderen (1940-als baby overleden, 1941, 1945)
Het echtpaar Hardeman-van Ewijk verliest op 18 juni 1940 hun eerste kind, een 17 dagen oude baby. In 1941 krijgen ze toch gezinsuitbreiding, en in het najaar van 1943 nog eens, maar dan van een onderduikertje.
In het voorjaar hebben hun buren de negen maanden oude joodse baby Josje Frankfoorder in huis genomen en enige tijd later de kleuter Jacky Jäger. Wanneer het joodse echtpaar Posener-Goudsmit in het najaar van 1943 onderduikt bij mevrouw Vrij op de Frank van Borselenlaan 4 hebben ze hun zoontje Frits bij zich. Hij is het enige kind tussen een aantal volwassen onderduikers. De uitgever Jo Snelleman op Waterigeweg 80 is betrokken bij beide onderduiksituaties – hij regelt ook de bonnen voor de onderduikers. Waarschijnlijk wordt na bemiddeling door Snelleman besloten om de 2-jarige Fritsje Posener naar een omgeving te brengen waar hij met andere kinderen kan spelen. De buren van het echtpaar Jacobi, het echtpaar Hardeman-van Ewijk, worden bereid gevonden om de kleine jongen op te nemen.
Dochter Enny Ribbe van mevrouw Vrij gaat elke woensdagmiddag naar Fritsje toe en zo blijven hij en zijn ouders van elkaars wel en wee op de hoogte. Anno 2020 zal Enny de Bie-Ribbe aangedaan zeggen: ‘Fritsje was een lief ventje en de Hardemans waren hele lieve mensen.’
In 1944 weet de verradersgroep rond de beruchte Ans van Dijk het vertrouwen te winnen van de illegale werker Gerrit Jan Frederiks in Zeist. (De naam Gerrit Jan Frederiks is om privacy redenen gefingeerd.) Ze spiegelen hem royaal broodnodige bonkaarten voor, uiteraard zonder er bij te zeggen dat die bonnen afkomstig zijn van de Sicherheitspolizei. Frederiks gaat een paar keer naar Amsterdam om zijn nieuwe relaties te bezoeken en krijgt alle vertrouwen in ze. Ze strooien met bonkaarten en vragen of hij adressen van joodse onderduikers weet, want die kunnen vast wel bonnen gebruiken. Frederiks brengt ze in contact met Jo Snelleman die wel ondersteuning kan hebben bij de verzorging van bonnen voor onderduikers.
De enige man uit de verradersgroep bezoekt Snelleman. ‘Meerman’ (Willem Houthuys) kan helpen en belooft voor bonkaarten, kinderbonkaarten, schoenen, kleding, persoonsbewijzen en ziekenverpleging te zorgen. Wel moet hij dan weten waar dat allemaal terecht zal komen. Via Jo Snelleman komt hij in contact met Ko Vrij die hem ook volledig vertrouwt, in tegenstelling tot enkele van haar onderduiksters. Zo komt hij te weten waar de schuilplaatsen zijn, dat er bij de buren onderduikers zitten en dat Fritsje Posener op Krugerlaan 9 verblijft. ‘Meerman’ wint vervolgens ook het vertrouwen van Aartje Hardeman-van Ewijk. Ze zal na de oorlog verklaren:
‘Meerman was erg vriendelijk en hartelijk en ik kreeg de indruk, dat hij inderdaad een illegaal werker was.’
Als de verraders de onderduiksituaties – plus een radiozender bij de vader van Frederiks – in kaart hebben gebracht, besluit hun opdrachtgever bij het Bureau Joodse Zaken van de Amsterdamse politie toe te slaan. Op 18 augustus 1944 bezoeken vier mannen onverwacht de bakkerswinkel van het echtpaar Hardeman-van Ewijk. Twee van hen komen de waterleiding nakijken en de andere twee zijn controleurs. Al snel blijkt dat dit een smoes is. Ze vragen hoe groot haar gezin is en snauwen haar na het zien van de kleine Frits toe:
‘Je kunt toch wel zien, dat het geen familie is. Het sluwe ligt al op zijn gezicht. Je kunt wel zien, dat het een joodje is.’
Twee mannen zijn achterom door de steeg gelopen en hebben ook de kleine Josje Frankfoorder in de tuin bij de buren op Krugerlaan 7 zien spelen. Hij en zijn ‘onderduikbroertje’ Jacky Jäger worden dan ook gearresteerd.
De arrestatie-acties blijven niet beperkt tot Krugerlaan 7 en 9. Op die 18e augustus wordt een aantal gearresteerde joodse onderduikers, hun onderduikgevers en illegale werkers bijeengebracht op de zolder van Frank van Borselenlaan 4. De 3-jarige Fritsje Posener wordt daar herenigd met zijn ouders. Ze worden op 21 augustus 1944 als strafgevangenen geïnterneerd in de strafbarak 67 van Kamp Westerbork en moeten op 3 september 1944 op straftransport. Op de dag van aankomst worden Esther Posener-Goudsmit en haar zoontje Fritsje vergast in Auschwitz, nog geen drie weken na hun arrestatie in Zeist. Joseph Posener moet eerst dwangarbeid verrichten voordat hij op 14 maart 1945 in Mauthausen wordt vermoord.
Bronnen:
- Ad van Liempt en Jan H. Kompagnie, ‘Jodenjacht’, 76-79
- In de rapportenboeken van de gemeentepolitie Zeist is geen informatie gevonden over deze arrestatie.
- Mededelingen van Enny de Bie-Ribbe
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten voor Joseph en Esther Posener-Goudsmit
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Joseph en Esther Posener-Goudsmit
- Digitaal joods monument, Joseph, Esther en Fritsje Posener-Goudsmit
- Zie de bewezen onderduikadressen Krugerlaan 7, Frank van Borselenlaan 2 en Frank van Borselenlaan 4

