Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 382-383)
Onderduikers:
- Ruth Klausner (5 maart 1930).
- broer Harry Klausner (23 maart 1936)
Onderduikgevers:
- Oepke Haitsma, timmerman (Wons-Wonseradeel, 19 december 1899 – Zeist, 5 maart 1978), en
- echtgenote Jitske Haitsma-Tiesma (Rinsumageest, gem. Dantumadeel, 15 oktober 1899 – Zeist, 24 mei 1987)
Drie kinderen (1926, 1929 en 1932)
De joodse Rosa Klausner-Wildmann (Tarnow, 1905) komt twee dagen vóór de Duitse inval met haar twee kinderen, Ruth (10) en Harry (4), naar Nederland. Ongeveer negen maanden eerder is haar echtgenoot Wolf Klausner naar Palestina gegaan voor een bezoek, maar vanwege het uitbreken van de oorlog kan hij niet terugkomen. Het gezin zal zeven jaar van elkaar gescheiden blijven.
Rosa Klausner-Wildmann, die slechts 10 mark bezit bij aankomst in Nederland, vindt aanvankelijk onderdak bij haar broer in de stad Utrecht, op Mauritsstraat 17. De broer wordt op gegeven moment gewaarschuwd door de ondergrondse, dat zijn zuster en haar kinderen op een deportatielijst staan. Er is zo gauw geen plaats om onder te duiken en besloten wordt tijd te winnen. Een arts wordt bereid gevonden om kleine Harry met een geringe dosis difterie te besmetten.
De tijdwinst lijkt weer verloren te gaan, als Rosa zelf ziek wordt en moet worden opgenomen in een ziekenhuis. Daar maakt ze echter kennis met Nel van der Spek, die lid is van een groep illegale werkers, die zich heeft toegelegd op het laten onderduiken van kinderen. De kinderen van Rosa Klausner worden ondergebracht op een plek die hun moeder om veiligheidsredenen niet mag weten.
Op een avond, lang na de spertijd van acht uur, haalt Nel van der Spek de kinderen op en brengt ze naar het echtpaar Haitsma-Tiesma in Zeist. De Haitsma’s zijn eenvoudige, arme arbeiders met drie jonge kinderen. Ze ontvangen geen financiële vergoeding voor hun hulp, maar wel extra voedselbonnen via Nel van der Spek.
De Haitsma’s handelen uit religieuze overtuiging. Het is wennen, zowel voor hen als voor hun onderduikertjes. De Duits sprekende Ruth en Harry, die sjiek zijn opgevoed, komen in een gezin waarin bijvoorbeeld alleen lepels als bestek worden gebruikt en geen enkele sprake is van uiterlijk vertoon. Omdat ze er van overtuigd zijn dat ze bij ontdekking de doodstraf zullen krijgen, is de onderduik een zware last voor het echtpaar Haitsma-Tiesma. Ze instrueren hun kinderen zorgvuldig, om loslippigheid te voorkomen, en ze mogen niet buiten spelen. Ook mogen ze geen andere kinderen mee naar huis nemen, uit vrees dat die het geheim zullen verklappen.
De Haitsma’s treffen goede voorzorgsmaatregelen voor het geval van een inval. Zoon Sieds (9) moet zijn bed voortaan delen met Harry Klausner en dochter Lucie (12) met Ruth Klausner, zodat geen onopgemaakte lege bedden kunnen worden aangetroffen. Bovendien timmert Oepke Haitsma een soort houten kist die op ingenieuze wijze onder de vloer van de kinderkamer is bevestigd en snel bereikt kan worden. Deze maatregelen blijken effectief te zijn.
Eenmaal per jaar nemen de Haitsma’s het risico. Dan vermommen ze de onderduikertjes en brengen hen met gevaar voor hun leven naar hun moeder, die in een andere stad zit ondergedoken. Maar verder blijven ze zeer voorzichtig. Als de geallieerden Zeist bereiken, besluit Oepke Haitsma nog vier dagen te wachten, tot hij zeker weet dat de Duitsers niet terug zullen komen. De onderduik van Harry en Ruth Klausner heeft dan twee jaar geduurd.
– 0 – 0 – 0 –
Moeder en kinderen Klausner vertrekken in 1946 naar Israël. Het echtpaar Klausner heeft na een scheiding van zeven jaar veel moeite had om samen weer verder te gaan. Dochter Ruth gaat later naar de Verenigde Staten.
In het boek ‘For Zion’s Sake I will Not Keep Quiet’ beschrijft Gary Kosak het levensverhaal van Arieh Oz oftewel Harry Klausner. Harry is piloot geworden bij de Israëlische luchtmacht. Die beroepskeuze is volgens hem geboren tijdens zijn onderduikperiode: ‘Ik zag de lucht, en toen ik vliegtuigen voorbij zag komen, trok me dat aan en besloot ik piloot te worden.’
Arieh Oz vecht in meerdere oorlogen en zal betrokken zijn bij grote operaties. Zo zal hij op 4 juli 1976 een van de Israëlische C-130 vliegtuigen naar Entebbe vliegen, om daar gijzelaars te redden.
In datzelfde 1976 nodigt hij de Haitsma’s uit om de viering van de bar-mitzva van zijn zoon bij te wonen. Samen met moeder Rosa heeft hij een aanvraag ingediend bij Yad Vashem, om zijn redders Oepke en Tjitske Haitsma-Tiesma te erkennen als Rechtvaardigen onder de Volkeren. Dat gebeurt op 30 mei 1976.
Bronnen:
- Reddingsverhaal Yad Vashem voor Oepke en Tjitske Haitsma-Tiesma
- Gary Kosak, For Zion’s Sake I will Not Keep Quiet, Xulon Press, 2003 (over Arieh Oz, voorheen Harry Klausner)
- www.yadvashem.org (From Rescued to Rescuer: Holocaust Survivor Takes Part in Two Rescue Missions)
