Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)

Onderduiker:

  • Joseph Wurms, slager (Den Haag, 16 augustus 1919 – Zoetermeer, 28 oktober 1994)

Onderduikgevers (onder meer):

  • Jan Kuperus, boomkweker en tuinarchitect (Haarlemmermeer, 3 juni 1901 – op 18 september 1948 geëmigreerd naar Canada) en
  • echtgenote Willemina Kuperus-Blom (Zeist, 10 maart 1901 – idem)

Kinderen (1930, 1932, 1937)

De ervaringen van Joop (Joseph) Wurms met de jodenvervolging zijn indrukwekkend en ze zijn voor wat betreft zijn onderduikperiode nauw verbonden met Zeist. Wurms was een overlever in optima forma en een man met durf en initiatief. Zijn onderduikgeschiedenis en latere belevenissen lenen zich voor een documentaire of film.

Het begon allemaal in Den Haag. Tijdens de Eerste Wereldoorlog begon de vader van Joop Wurms, Abraham Wurms, varkensblazen te verwerken. In 1917 trouwde hij met de joodse Maria Bego, een aangetrouwde nicht. In hun slagerij op Geest 96 ging het echtpaar kopvlees en hart verkopen voor menselijke consumptie. Dat was goedkoop en goed van smaak. De zaak liep goed en het echtpaar kocht een groter pand op Geest 69.

Abraham Wurms was grossier op het slachthuis en had knechten in dienst. Er kwamen filialen met zetbazen op Groenewegje 2 en Groenteweg 101 A in Den Haag. De verdiensten werden deels belegd in onroerend goed, zoals een tiental woningen in de lokale Doedijnstraat.

Abraham Wurms gold als een streng, maar rechtvaardig man. Zijn echtgenote was goedhartig en verstrekte soep aan arme mensen. Ze werkten hard, maakten lange dagen en hadden weinig tijd voor hun zoon en dochter die door anderen verzorgd werden.

Dochter Tinie (Liontine, 1923) was in de herinnering van haar broer Joop een ‘jofele’ wildebras die met jongens vocht. Zij ging later op kantoor werken. Zelf was Joop Wurms al vanaf zijn 9e levensjaar aan het werk. Spelen met zijn trein op zolder was er toen al niet meer bij, hij moest in de slagerij helpen. In een witte jas aan bestellingen wegbrengen. Aanvankelijk bezocht hij wel de MULO, maar als hij vrij van school was, moest hij ’s ochtends om half zes uit bed, mee maar de koeienmarkt om het vak te leren. Op veertienjarige leeftijd was het ook gedaan met de MULO, en ging hij definitief het vak in. Hij deed gedurende twee jaar werkervaring op bij twee verschillende bazen, waarna hij naar de slagersvakschool in Utrecht moest.

Hoewel er in zijn leven weinig tijd voor ontspanning was, voetbalde Joop Wurms enthousiast bij de Haagse derdeklasse KNVB-club HVV De Ooievaars, in 1911 opgericht om ‘het slappe joodsche lichaam lenig en sterk te maken en het verdwijnende saamhorigheidsgevoel te versterken’. Hij speelde back in het eerste elftal.

In 1937, weer twee jaar later, moest hij op zijn 18e in militaire dienst. Hij had het er wel naar zijn zin, en hoefde aanvankelijk op zaterdag niet meer in de slagerij te werken. Maar vader Abraham Wurms vroeg aan de kapitein, of hij zijn zoon op vrijdagmiddag kon afhalen, zodat die op zaterdag toch beschikbaar was voor de zaak. Joop Wurms werd daarop overgeplaatst naar Den Haag, waar hij uiteindelijk kok werd.

Vervolgens werd hij gemobiliseerd in Scheveningen. Na de Duitse inval moest hij naar vliegveld Iepenburg. Met zijn eenheid leverde hij verwoed slag om de Hoornbrug die ze, – ondanks dat ze ver in de minderheid waren – heroverden op de Duitsers. Ze moesten de brug echter toch weer prijsgeven. Na vijf dagen volgde de capitulatie van het Nederlandse leger. In plaats van zich te melden, ging Joop Wurms met anderen terug naar huis – anders waren ze in krijgsgevangenschap beland – om weer in de ouderlijke slagerij te gaan werken.

Na verloop van tijd mocht geen vlees meer geleverd worden aan de joodse slagerij Wurms-Bego. In het najaar van 1941 werd de zaak via de Kamer van Koophandel gesloten. Alle machines werden weggehaald. In de slagerij werden twaalf bedden neergezet voor oude joodse mensen die niet-joodse verzorgingstehuizen moesten verlaten. Moeder Maria Wurms-Bego verzorgde deze mensen.

Hoewel het gezin Wurms-Bego niet uitgesproken religieus was, kregen ze toch te maken met alle anti-joodse maatregelen. Toen de jodenster ingevoerd werd, droeg Joop Wurms die meestal niet als hij in een omgeving was waar men hem niet goed kende.

Op zeker moment kwam het bericht dat hij zich moest melden in werkkamp Ybenheer in het Friese Fochteloo (gemeente Ooststellingwerf), net als tientallen andere Hagenaars. Zijn ouders brachten hem en een neef op 3 juli 1942 met hun auto naar Friesland.

De dwangarbeid bestond uit de ontginning van heide, per dag een vast oppervlak van bijvoorbeeld vijf strekkende meter. Aanvankelijk waren er circa zeventig dwangarbeiders, voornamelijk uit Den Haag, later volgden er nog zo’n honderd mannen. Het was hard werken en er was te weinig voedsel. Een van de dienstvrienden van Joop Wurms woonde vlakbij Fochteloo, en die vriend legde pakjes met roggebrood op het veld, waar gewerkt werd. Een NSB-bewaker liet dit oogluikend toe. De ouders van andere gevangenen sprongen ook bij met zulke clandestiene pakjes.

De dwangarbeid van Joop Wurms in Kamp Ybenheer duurde drie maanden. De bezetter besloot tot zogenaamde ‘gezinshereniging’ en de Grüne Polizei bracht de dwangarbeiders uit alle werkkampen op zaterdag 3 oktober 1942 naar Kamp Westerbork, waar gezinshoofden herenigd werden met hun gezinnen die daarvoor ook gearresteerd waren. De werkelijke bedoeling achter de ‘gezinshereniging’ was om die gezinnen vervolgens zo snel mogelijk te deporteren.

Onderweg naar Kamp Westerbork, toen de gevangenen door het dorp liepen, speelde een van hen het Wilhelmus op een trompet. Er werd in de lucht geschoten door Duitsers, maar er gebeurde verder niets.

Het kamp bood normaliter plaats aan vijfduizend gevangenen, maar werd nu overspoeld. Er waren er volgens Joop Wurms wel 25.000. De gevangenen sliepen met drie man in één bed, vrouwen sliepen in één bed met 5 tot 6 kinderen. Joop Wurms kon zijn ouders en zusje niet vinden in het kamp, zodat er wat hem betreft geen sprake was van ‘gezinshereniging’.

Alle bezittingen moesten ingeleverd worden. Joop Wurms gaf 19 cent af, de rest van zijn geld zat in zijn mouw. Hij werd geslagen en er werd gevraagd of dat alles was. ‘Als je me niet gelooft, dan fouilleer je me toch?’ Dat gebeurde niet. Een moeder met een baby werd gedreigd dat de baby tegen een muur aan zou worden geslagen, en zij gaf toen een kettinkje af wat zij in haar mouw verstopt had.

In Kamp Westerbork zag Joop Wurms al op maandag 5 oktober een transport met 2.012 mensen naar Auschwitz-Birkenau vertrekken. De transporten werden begeleid door medegevangenen (Wagenführer), met een rode band om de arm, die na het sluiten van de wagons bij de deuren stonden. Omdat zijn ouders en zuster niet in Kamp Westerbork waren, besloot Joop Wurms zo snel mogelijk te ontsnappen. Hij meldde zich als vrijwillige Wagenführer. Op vrijdag 9 oktober ging hij mee met het volgende transport met 1.703 mensen naar Auschwitz-Birkenau. Het regende die dag hevig. Op een gegeven moment ging de trein langzamer rijden. Joop Wurms riep: ‘Niet gillen!’ en sprong uit de trein. Hij liep terug, voorbij Westerbork en Beilen, en vroeg bij een boer om brood en melk. Vandaar mocht hij meerijden op de melkwagen van Domo naar Groningen, waar een andere dienstvriend woonde. In diens café kon hij echter niet blijven. Voordat hij terugkeerde naar Den Haag dook hij een paar weken onder in Groningen bij een zwarthandelaar die op de hoek van de straat woonde.

Per trein reisde Joop Wurms richting Den Haag. In Utrecht stapte hij uit, om in een bioscoop de tijd te overbruggen. Veiligheidshalve wilde hij pas in het donker in Den Haag aankomen. Daar overbrugde hij de tijd nog even verder bij kennissen, waarna hij ’s nachts naar zijn ouderlijk huis liep, om te waarschuwen. In de winkel zag hij de bedden die neergezet waren voor oude joodse mensen en zieken. Het werd hem duidelijk dat zijn ouders langer in Den Haag mochten blijven voor de verzorging van al die mensen, zonder dat ze een officiële Sperr hadden gekregen. Hij voegde zich bij zijn ouders.

Bij een controle wist Wurms zich verborgen te houden, en voor de veiligheid sliep hij voortaan bij mensen in de straat. Vier maanden na zijn ontsnapping uit Kamp Westerbork was er tijdens een nacht rumoer in de straat, en werden zijn ouders en zusje toch weggehaald. Zijn zusje Tinie was toen achttien jaar en was kort voordien nog getrouwd met de joodse Bob (Bram) de Koning. Het echtpaar Wurms-Bego dacht dat ze naar een werkkamp zouden gaan, maar op 20 februari 1943 werden ze ondergebracht in barak 68 van Kamp Westerbork. En daarna ging het snel, al op 23 februari 1943 moesten ze met dochter Tinie op transport naar Auschwitz.

Intussen ging Joop Wurms via het huis van de buren achterom naar binnen in zijn ouderlijke woning. Het was een ontluisterend beeld. Er was van alles omvergegooid en kapot, en schilderijen waren verdwenen.

Een zekere Andreoli, die op het gemeentehuis werkte, had gezorgd voor een vals persoonsbewijs, op naam van ‘Johannus Jacobus Willems’, net als Joop Wurms geboren op 16 augustus maar dan 10 jaar eerder, in 1909. Hij zou de zoon zijn van ‘Johannus en Maria Willems-van Zanten’, in Den Haag gewoond hebben op Badhuisstraat 93 en daarna nog op Herenpad 3 in Delft. Niet ondenkbaar is dat met Andreoli de illegale werker pater Emilie Andreoli bedoeld is, die in de regio actief was.

Met zijn valse persoonsbewijs werd Joop Wurms geregistreerd in het bevolkingsregister van Zeist. Als ingangsdatum werd 14 december 1942 vermeld, maar hij dook daar pas in 1943 onder. Op zijn valse persoonsregistratie werd Koppelweg 73 genoteerd, maar niet vast staat dat hij werkelijk op dat adres gezeten heeft. Naar eigen zeggen, was hij in Zeist eerst ondergedoken bij Jan van Vliet, een illegaal werker met een touwfabriek, en die hem tewerkstelde als touwslager. Die naam komt echter niet voor op Koppelweg 73 tijdens de bezetting. Mogelijk is hij dus helemaal niet op Koppelweg 73 geweest.

Toen Joop Wurms even afwezig was, werd zijn onderduikgever gearresteerd. Daarna kon hij terecht bij de kweker Jan Kuperus op Kroostweg 106 (na de bevrijding 176), die werk had voor onderduikers, in de vorm van verzorging van tuinen van Duitsers (waarschijnlijk bij gevorderde huizen). Hij ging bij Kuperus in de kost, en kreeg voor zijn werk zelfs een Ausweis (identiteitskaart) van de Duitsers. Dat betekende dat hij voorlopig de Arbeitseinsatz niet hoefde te vrezen. Later kwam er nog een niet-joodse onderduiker bij, waarmee Joop Wurms ’s winters met een Duitse vrachtauto kolen in Utrecht moest halen voor gebouwen en huizen van Duitsers. Door te vertragen, deden ze telkens maar twee ritten per dag en ze brachten ook bij onderduikers kolen en bovendien illegale krantjes, die ze tussen oud papier deden.

Dit alles gebeurde nog steeds met het valse persoonsbewijs uit Den Haag, op naam van J.J. Willems. Het was wel oppassen geblazen.

Tijdens een verjaardagsfeestje bij de buren van zijn onderduikgevers leerde Joop Wurms, die inmiddels 24 jaar was, de twee jaar jongere Gerdina Hermina Francina Rijks (Arnhem, 18 oktober 1921) bij een spelletje kennen. Het klikte en op 1 januari 1944 verloofden zij zich. Joop Wurms later: ‘Veel spanningen, maar erg veel gelachen!

Op de kwekerij zat ook een zekere M. Brakee ondergedoken. Deze uit Utrecht afkomstige onderduiker (geboren op 19 februari 1910) verraadde in februari 1944 aan de Sicherheitsdienst dat hij ondergedoken zat bij Kuperus, dat daar meer onderduikers zaten en dat er aan ondergronds werk werd gedaan. Bij wijze van dank werd Brakee bij het Politiebaltaljon in Schalkhaar geplaatst – hij zou na de bevrijding veroordeeld worden tot acht jaar gevangenisstraf – maar Kuperus werd opgepakt en zijn administratie in beslag genomen.

Zo werden de namen van de onderduikers achterhaald. Ondanks een poging van zijn verloofde, om hem te waarschuwen, werden Joop Wurms en de andere onderduikers ook gearresteerd door de Duitsers. Bij het verhoor moest ze hun Ausweis afgeven. In afwachting van de Sicherheitsdienst werden ze bewaakt, maar men verloor ze even uit het oog, toen er wat te halen viel in de eetzaal. De onderduikers maakten van de gelegenheid gebruik om via een raam te ontsnappen. Onder een dekzeil gingen ze met een paard en wagen terug naar Zeist, om anderen te waarschuwen.

Joop Wurms dook een paar weken onder in de Haagse Walnootstraat, alvorens naar Zeist terug te keren. Bij een avondwandeling kwam hij daar de Duitse bewakers tegen, die hem hadden laten ontsnappen, maar die veroorzaakten geen problemen. Niet wetend dat ze ook nog eens met een joodse onderduiker van doen hadden.

Nu onderduikgever Kuperus gevangen zat, dook Joop Wurms een tijdje onder bij de ouders van zijn verloofde, op Utrechtseweg 9a, en daarna onder de garderobe van het naastgelegen zwembad Mooi Zeist, op Utrechtseweg 9, met nog negen andere onderduikers. Bij wijze van tegenprestatie moest hij in het zwembad werken, als manusje van alles en zelfs als badmeester. Toen er bij het zwembad geen werk meer voor hem was, moest hij daar weg en ging hij verderop werken bij Café De Biltsche Hoek, aan de Holle Bilt, in het verlengde van de Utrechtseweg. Weer later werkte hij in een fabriek waar onder andere bouten werden gemaakt voor vliegtuigen. Zonder zijn in beslag genomen Ausweis moest hij nu zeker wel vrezen voor de Arbeitseinsatz en dus extra voorzichtig zijn. Op gegeven moment werd hij ziek en kwam hij tot de bevrijding niet meer aan het werk.

Waar hij in die periode ondergedoken was, is niet duidelijk, maar zijn verloofde wilde graag trouwen. Daarop fietste Joop Wurms heen en weer naar Den Haag, om zijn geboorteakte op te halen en ook voedsel. Opmerkelijk was dat hij vervolgens in Zeist op 8 maart 1945 onder zijn werkelijke naam trouwde. Hij was met die naam niet ingeschreven in het Zeister bevolkingsregister, terwijl wel in de akte vermeld werd dat hij in Zeist woonde (?). Verder werd vermeld dat zijn ouders niet in staat waren om bij de huwelijksvoltrekking aanwezig te zijn. Blijkbaar nam men het in Zeist op dat moment niet zo nauw? Een wrange gedachte is dat zijn ouders en zusje al meer dan twee jaar eerder vermoord waren.

Onderduikgever Jan Kuperus keerde overigens terug uit gevangenschap. Hij zou van 1946 tot 1948 fungeren als gemeenteraadslid. Als hij in 1948 met zijn gezin naar Canada emigreert, komt zijn broer in zijn plaats in de raad.

Na de bevrijding ging het jonge paar Wurms-Rijks naar Den Haag. Joop Wurms zat in grote spanning om het lot van zijn ouders, zusje en andere familieleden. Voor hem braken ellendige jaren aan na de toch al zware oorlogsjaren.

Vóór zijn vertrek uit Den Haag had hij een fotoalbum, schilderijen, een pot met gouden sierraden en wat serviesgoed in bewaring gegeven bij buren. Na de bevrijding kreeg hij daarvan het fotoalbum, een klein deel van de sierraden van zijn moeder en zusje, de schilderijen en wat andere zaken weer terug. Onvoldoende om van te leven.

Joop Wurms stond in de rij met NSB-vrouwen die op weg werden geholpen met een uitkering, maar hij kreeg niets. Het was dat kennissen hem hielpen. Hij moest bij de Politieke opsporingsdienst (POD) komen bewijzen dat hij ‘goed’ was. Vervolgens moest hij aantonen dat hij de rechtmatige bewindvoerder was over familiezaken.

Hij wilde graag in zijn ouderlijke huis op Geest 69 wonen, maar dat was toegewezen aan mensen uit Scheveningen. Het kostte hem 180 gulden aan deurwaarderskosten om in zijn eigen huis te komen. Om een herstart te maken met de slagerij, moest hij de ijskast en de kassa terug zien te halen bij ex-NSB’ers. Van de toewijzingscommissie kreeg hij geen enkele hulp – daar zaten dezelfde ambtenaren als voor en tijdens de bezetting. Wurms zat niet bij de pakken neer. Eerst had hij blikken vlees verkocht en daarna verkocht hij gewoon vlees als slager. Maar dat was telkens snel uitverkocht en dan was er op zaterdag geen vlees meer. Een knecht wist zonder bonnen aan vlees te komen, maar dat kostte Joop Wurms wel een bekeuring. Er was weinig medewerking in Den Haag.

Een groot probleem vormde het onroerend goed van zijn ouders. Dat betrof tien woningen in de Doedijnstraat, twee woningen in de Van der Duinstraat en twee winkelpanden op de Geest. Daarvan was Geest 96 gesloopt, waarvoor Joop Wurms sloopgeld moest betalen. Voor de huizen in Den Haag, die door NSB’ers waren overgenomen, was tijdens de bezetting geen belasting betaald en er was geen onderhoud verricht aan de panden. Integendeel, in de hongerwinter was alle hout van dakgoten, spanten, deuren, vloeren en kozijnen opgestookt. Toen Joop Wurms eindelijk het beheer over de huizen verwierf, moest er achterstallige belasting betaald worden. Ook moesten de huizen opgeknapt worden, maar daar was nog geen geld voor.

Huur kwam er niet binnen wegens ‘achterstallig onderhoud’ en huurders schakelden Bouw- en Woningtoezicht in. Die instantie eiste dat alles binnen drie maanden opgeknapt zou worden. Dit lukte niet, waarna de gemeente Den Haag het opknapwerk liet uitvoeren, op kosten van Wurms. In totaal werd hij geconfronteerd met een gigantische rekening van 85.000 gulden aan achterstallige belastinggelden en 180.000 gulden aan opknapwerk. Toen hij dat onmogelijk kon betalen, schold de gemeente de schuld kwijt in ruil voor het totale familiebezit aan onroerend goed. Joop Wurms moest huur betalen voor het pand Geest 69, waarvan hij een achterkamer en de tweede verdieping mocht bewonen (de 1e verdieping was verhuurd aan andere mensen).

De grossiersvergunning was verlopen. Wurms moest geld betalen om een andere vergunning te krijgen, maar dat weigerde hij. Het pand Geest 69 was toen inmiddels weer zijn eigendom, maar hij wilde er weg. Hem was meegedeeld dat de woning in saneringsgebied lag en binnen twee jaar afgebroken zou worden. Hij verkocht het huis tegen een afbraakprijs, zodat hij zijn schuld aan kennissen kon aflossen en vertrok. Geest 69 werd pas 38 jaar later gesloopt.

Wat voor anderen de bevrijding was, was het dat duidelijk niet voor Joop Wurms. Uiteindelijk ontving hij bericht van het Rode Kruis, dat zijn ouders Abraham Wurms (47) en Maria Wurms-Bego (50) en zusje Tinie de Koning-Wurms (20) alle drie na aankomst in Auschwitz meteen waren vermoord, op 26 februari 1943. In totaal bleken 28 familieleden vermoord te zijn, zoals alle ooms en tantes, vaak weer met hun partners en kinderen.

Tinie’s echtgenoot, Bob (Barend) de Koning, was omstreeks 30 april 1943 in Auschwitz vermoord (eveneens pas 20 jaar oud), evenals zijn ouders, broer en zusje.

Na de bevrijding werd er haast een onmenselijk beroep gedaan op de veerkracht van Joop Wurms. Over de bezettingsjaren sprak hij niet of nauwelijks. Hij was er niet de man naar, om bij de pakken neer te zitten.

Voetbal bleef in elk geval zijn passie. Voor het uitbreken van de oorlog beschikte HVV ‘De Ooievaars’ over negen elftallen, maar in de zomer 1941 was de club opgeheven in verband met een verordening van de bezetter. Toen de oorlog in 1945 was afgelopen waren er nog maar vier leden over, waaronder Joop Wurms. Die had met enkele anderen en steun van de gemeente de club eind 1945 weer heropgericht, als gemengde vereniging waarvan hij jarenlang voorzitter was. In 1986 was het opnieuw en definitief gedaan met HVV De Ooievaars.

Joop Wurms was een bijzondere man. Op zaterdag 16 januari 1988 vertelde hij zijn kinderen eindelijk over zijn onderduiktijd. Zes jaar later overleed hij, op 75-jarige leeftijd.

De herinneringen van dochter Ellis geven een inkijkje hoe het oorlogsverdriet verwerkt werd in haar ouderlijke gezin:

Er werd over de oorlog en de gevolgen daarvan voor mijn vader en zijn familie niet gesproken. In de jaren 60, na het Kerst- of Paasdiner vertelde mijn vader, heel af en toe summier over grappige herinneringen uit zijn onderduiktijd. Voor ons kinderen waren het vreemde verhalen, we wisten immers niets.

*In de jaren 50 werd over veel zaken niet gesprokenen en in het gezin waren meer onderwerpen taboe. Als kinderen waren wij gezagsgetrouw aan ouders en schoolmeesters en -juffen. We waren het gewend dat op veel vragen over allerlei onderwerpen geen antwoord werd gegeven.  Omdat we -v.w.b. zijn oorlogsverleden- mijn vader wilden ontzien vroegen we ook niet verder. *

Mijn herinneringen aan de sfeer in het gezin zijn dat er 'iets' was waarover niet gepraat werd en dat het te maken had met de oorlog. Een donkere wolk van zwijgen en emotionele afstandelijkheid. De jeugdherinneringen mijn broer en zussen zijn anders dan herinneringen van mijn jongste zusje.

*Toen mijn vader (in de jaren 50) een baan als vertegenwoordiger (met bedrijfsauto) kreeg bij een Vleeswarenfabriek in Cuijk ging hij regelmatig op bezoek bij zijn voormalige Duitse kindermeisje Maria. Zij woonde na de oorlog met haar gezin in de stad Essen in Duitsland. Zij zorgde voor de oorlog in het gezin Wurms voor de 2 kleine kinderen, Joop en Liontine. Waarschijnlijk is ze toen de kinderen oud genoeg waren teruggegaan naar Duitsland. *

Mijn ouders woonden vanaf 1953 met een snelgroeiend gezin in een kleine 4-kamerwoning.

Mijn vader werkte in de jaren 50/60 lang en 6 dagen per week en op zondag was hij KNVB-scheidsrechter voor voetbalamateurclubs en voorzitter van de voetbalvereniging De Ooievaars. Hij was langdurig actief als voorzitter/bestuurslid van de Belangen Kommissie Zuiderpark, hij was weinig thuis.

Zoals de meeste buren in de jaren 50 leefden we eenvoudig. Mijn moeder was opgeleid voor coupeuse, ik herinner me dat ze kleding naaide en wollen sokken/ondergoed breide voor de kinderen. Soms bakte zij cake of koekjes, feestdagen werden gevierd en er waren altijd cadeautjes met verjaardagen en Sinterklaas.

In 1962 (schat ik) kwam ik thuis en mijn vader zat in een stoel te huilen, mijn moeder stond voor hem met haar armen om hem heen. Toen ik geschrokken vroeg wat er was zei mijn moeder dat er die ochtend een mevrouw van het Rode Kruis was geweest met het officiële bericht dat de ouders, het zusje en 28 familieleden van mijn vader waren overleden in het concentratiekamp.

*Vanaf de late jaren 60 kwam er meer luchtigheid en comfort. Mijn vader bracht voor de zaterdagavond gebak mee van een goede Haagse banketbakker en vanaf 1965 (denk ik) was er televisie. *

Ondanks dat hij weinig thuis was herinnering ik mij een lieve, zachtaardige man die grapjes maakte en smakelijk kookte.

In de jaren 80 (schat ik) kreeg mijn vader een geldbedrag van de Stichting Collectieve Maror-gelden (MAROR).

Mijn broer was geïnteresseerd in het Joodse verleden van mijn vader en heeft veel uitgezocht over de overleden familie (neven en nichten, ooms en tantes) van mijn vader. Hij heeft namens de kinderen een aanvraag gedaan voor de teruggave Joodse Tegoeden bij de Stichting MAROR. De kinderen ontvingen later geld ook van de NS i.v.m. transporten van de joodse familie richting Westerborg/ het Oosten.

*Er kwam restitutie van de gemeente Den Haag m.b.t. de achterstallige belastingen/heffingen die de ouders van mijn vader/en mijn vader in de oorlog) niet betaald hadden. *

In 2006 ontvingen wij een bedrag van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa een bedrag in verband met polissen bij de Hollandsche Algemene Verzekeringsbank (HAV-bank, in 2006 Fortis ASR) ten name van Eliazer Bego, Marianna Bego-Turksma en Jozeph Bego).

Bronnen:

  • Mededelingen van Ellis Wurms
  • Onderzoek (juli 1998) van Jan en Conny van Veen-Wurms naar de eigendommen van het gezin Wurms-Bego
  • Schriftelijke verklaring van Joseph Wurms (Zoetermeer, 16 januari 1988)
  • Gemeentearchief Zeist, bevolkingsregister; 1499-1500, register van illegalen, ‘Johannus Jacobus Willems’
  • ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Abraham en Maria Wurms-Bego, Liontine de Koning-Wurms en Joseph Wurms (de kaart voor Barend de Koning niet aangetroffen, evenmin informatie over Jan Kuperus)
  • repository.overheid.nl/frbr/sgd, Tweede Kamer der Staten-Generaal, zitting 1980-1981, 12355 – ‘Onderzoek naar de activiteiten van de heer Weinreb in de Duitse bezettingstijd, Aanvulling op het Weinreb-rapport’ (ontvangen 25 februari 1981)
  • joodsewerkkampen.nl, werkkamp Ybenheer
  • www.delpher, Eindhovensch dagblad, ‘Onderduiker werd Schalkhaarder.’
  • Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, toegang 2.09.09, inventarisnummers 97737 (dossier 18715) en 106918 (T57984), Tjerk Brakee (NOG NIET GERAADPLEEGD)
  • wiewaswie en digitaal joods monument, Abraham en Maria Wurms-Bego en hun familie, Barend en Liontine de Koning-Wurms
  • Zie ook het niet-bewezen onderduikadres Koppelweg 73 (valse registratie), en de bewezen onderduikadressen Utrechtseweg 9 en 9a
  • www.joodserfgoeddenhaag.nl/hvv-de-ooievaars-een-joodse-voetbaltragedie/
  • Wikipedia, Monument De ooievaars

1. Kroostweg 176

2. Abraham en Maria Wurms-Bego, de ouders van Joop Wurms

3. Tine Wurms

4. Joop en Tine Wurms

5. Slagerij Wurms (tekening)

6. Het gezin Wurms in 1934-1935

7. Vader Wurms met zijn zoon Joop

8. Abraham en Maria Wurms-Bego en dochter Tine

9. Joop Wurms in militaire dienst

10. Advertentie in het Joodsche Weekbladvvan 4 september 1942

11. Joop Wurms in Kamp Westerbork met jodenster

12. De Joodse Raad-kaart voor Maria Wurms-Bego

13. De Joodse Raadkaart voor Abraham Wurms

14. Zusje Tinie met haar echtgenoot Bob de Koning op 30-04-1943

15. De Joodse Raad-kaart voor Leontine de Koning-Wurms

16. Valse persoonsregistratie in Zeist van Joop Wurms

17. Joop Wurms op zijn trouwdag in Zeist

18. Joop Wurms, kort na de bevrijding

19. Bericht in het Eindhovensch dagblad van 30 december 1946

20. Zie aparte beschrijving

21. Tuintje en ‘buitenhuisje’ van voetbalman Joop Wurms (58) op Vlietlust in februari 1978 (Stadsarchief Den Haag, collectie Robert Scheers, 0.18601)

22. Joseph Wurms op latere leeftijd