Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 378-381 – Kritzingerlaan 50 en Waterigeweg 46 – en het Supplement, pagina’s 95-99)
Onderduikers:
- Josef Kreisberg (Drohobycz-Polen, 12 juni 1913 – Herzliya-Israël, 17 mei 1984)
- echtgenote Dahava Lotte Kreisberg-Krochmal (Wenen-Oostenrijk, 26 januari 1915 – Herzliya-Israël, 22 april 1997)
- zoon Gerard Jizchak Kreisberg (Rotterdam, 9 augustus 1939)
- Debora Vleeschdraager-van Minden (Amsterdam, 23 juni 1890 – Bilthoven, 8 juli 1971)
Onderduikgeefster:
- Rachella Clemencia Zack-Verstraeten, weduwe sinds 1936 (26 september 1882 – Zeist, 11 november 1968)
Op een bovenwoning in de Kritzingerlaan huist tijdens de bezetting op zeker moment een gezin, waarvan zoon Gerard Leenards ongeveer van dezelfde leeftijd is als Zeistenaar Ton van Sonderen (1937). Ton gaat met zijn ouders wel eens op bezoek bij het gezin. Gerard mag nooit buiten spelen, wat Ton wel vreemd vindt. Na de bevrijding begrijpt hij het beter, want Gerard en zijn ouders vormen het joodse gezin Kreisberg-Krochmal, dat daar ondergedoken heeft gezeten.
Aanvankelijk zal er later verwarring bestaan over het latere onderduikadres. Gelet op de gekozen valse achternaam Leenards zal gedacht worden aan Kritzingerlaan 50, maar speurwerk van Sandra Leenards zal duidelijkheid brengen. Omdat in Sandra’s familie nooit werd gesproken over de onderduik van een joods gezin bij haar oom en tante op Kritzingerlaan 50 zal zij verder op zoek gaan. Bij contact met zoon Gerard Kreisberg van het toenmalige onderduikgezin blijkt Kritzingerlaan 74 het juiste onderduikadres te zijn geweest.
Terug naar 1938.
Na de zogenaamde Anschluss, vluchtte het gezin Kreisberg-Krochmal van hun woonplaats Wenen, met de bedoeling om via Nederland door te reizen naar Amerika. Ze bleven in Nederland steken. In het vliegtuig van Wenen naar Schiphol zaten veel joodse Oostenrijkers die hun land wilden ontvluchten. Na de landing op Schiphol bleken de marechaussees van de grensbewaking geen immigranten toe te laten. Minister Carel Goseling van Justitie had in mei van dat jaar vluchtelingen tot ongewenste vreemdelingen verklaard, omdat Nederland problemen vreesde, onder meer op de arbeidsmarkt.
De vluchtelingen zouden terug moeten keren naar Wenen. Nu had het echtpaar Kreisberg-Krochmal in het vliegtuig kennisgemaakt met een Nederlandse zakenman. Die was ontsteld over de onverbiddelijke houding van de autoriteiten en probeerde te interveniëren, door de grensbewakers te wijzen op de grote gevaren die de joodse Oostenrijkers bij terugkeer liepen. De voorschriften waren onverbiddelijk, en de zakenman moest zich daarbij neerleggen, maar hij eiste een uitzondering voor het echtpaar Kreisberg-Krochmal. Dat lukte hem omdat hij zich persoonlijk voor hen garant stelde. Aldus mocht het echtpaar Kreisberg zich in Nederland vestigen. Om in hun levensonderhoud te voorzien, begonnen ze kleding te produceren, die in een winkel verkocht werd.
Dat was een totaal andere stiel voor Josef Kreisberg, die in Oostenrijk in petroleumproducten (benzine) had gedaan. Door de ontwikkelingen zou hij uiteindelijk eigenaar worden van een fabriek waar damesconfectie vervaardigd werd. Een weliswaar succesvolle fabriek, maar toch bepaald niet zijn gedroomde toekomst. Volgens echtgenote Lotte Kreisberg-Krochmal had ze medicijnen willen studeren, maar een modewinkel zag ze wel zitten. Ze hield voordien al van modetekenen.
Gerard Kreisberg zal later vertellen dat zijn ouders de zakenman hun leven lang zeer, zeer dankbaar zijn gebleven. Bij bepaalde feestelijke gelegenheden placht zijn vader te zeggen: ‘Als Gerard van den Brink er indertijd niet geweest was, dan waren wij hoogstwaarschijnlijk niet in leven gebleven.’ En evenmin behoeft het verwondering dat het echtpaar Kreisberg hun in 1939 geboren zoon … Gerard heeft genoemd.’
Gerard van den Brink was niet de eerste de beste. Hij was zijn loopbaan begonnen in de scheepsbouw, maar was door zijn echtgenote vervaardigde hoeden gaan verkopen. Maison van den Brink was een bekend speciaalhuis in dameshoeden geworden, met filialen in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Na de bevrijding zou hij exportbedrijven starten en – bij wijze van hobby – op zijn landgoed in Aphen aan de Rijn het internationaal vermaarde vogelpark Avifauna stichten.
Het verblijf in Nederland beviel het echtpaar Kreisberg-Krochmal zeer. Maar toen kwamen de nazi’s hen weer achterop, door de Duitse inval in Nederland. Het gezin woonde toen in Rotterdam, maar hun woning werd bij het beruchte bombardement verwoest. Ze vonden onderdak in het nabijlegen Hillegersberg. In het najaar van 1940 moesten ze van de bezetter weg uit de kuststrook. ‘Veiligheidsredenen’ in verband met de aanleg van de Atlantikwall. Ze verhuisden naar Utrecht. Toen ze gedwongen naar Amsterdam zouden moeten verhuizen, doken ze eerst onder in het kantoor van een zakenrelatie van Josef Kreisberg. In september 1942 vertrok het gezin naar Zeist. De distributiepapieren en valse registraties van de gezinsleden duiden op onderduik op 16 september 1942 op Tussen de Dennen 4 en vijf dagen later op Tesselschadelaan 1.
Vanaf medio december 1942 zat het echtpaar Kreisberg-Krochmal ondergedoken op Kritzingerlaan 74. Dat adres was geregeld door de Zeister gemeenteambtenaar en illegaal werker Wim Walraven, waarmee het echtpaar Kreisberg-Krochmal bevriend was geraakt. Walraven zelf getrouwd was met de in Zeist geboren, ‘half-joodse’ Gabrielle Lea Zack en hij bracht het joodse echtpaar onder bij zijn schoonmoeder, de uit België afkomstige weduwe Rachella Clemencia Zack-Verstraeten. Zelf had Walraven met zijn echtgenote ingewoond op Kritzingerlaan 74, maar ze waren op 1 december 1942 verhuisd naar een eigen woonadres. Zo was er plaats gekomen voor het echtpaar ‘Leenards-Höfer’.
Dat waren de valse identiteiten waaronder Wim Walraven de onderduikers liet registreren in het Zeister bevolkingsregister, uiteraard zonder hun joodse komaf te vermelden. Josef Israël Kreisberg en Dahava Hetty Lotte Krochmal kregen de valse identiteiten ‘Lodewijk Josef Leenards’ respectievelijk ‘Henriëtte Liselotte Leenards-Höfer’, beiden afkomstig uit Wenen.
Zoontje Gerard Kreisberg werd op zeker moment ondergebracht in kindertehuis Zonneschijn op Oranje Nassaulaan 71, omdat zijn moeder dat veiliger vond dan op Kritzingerlaan 74.
Het is overigens niet bekend of Willem Walraven de half-joodse identiteit van zijn echtgenote ook had laten wegmoffelen. Maar anders had hij niet de Ariërverklaring voor hen beiden kunnen invullen en geen illegaal werk kunnen verrichten. Hij liep door dat werk uiteindelijk tegen de lamp. Toen de Sicherheitspolizei nog in december 1943 op het gemeentehuis kwam, om hem te arresteren, ontsnapte hij door uit een raam van het gemeentekantoor te springen. Hij zou uiteindelijk naar België vluchten, waar hij als ‘Henry de Groot’ gearresteerd werd en vanaf oktober 1943 voor de rest van de bezetting geïnterneerd zou worden in gevangenenkamp Breendonk, tussen Antwerpen en Brussel. Na Walravens spectaculaire ontsnapping volgden huiszoekingen door de Controle Centrale van de Utrechtse politie in zijn woning en die van zijn schoonmoeder. Daarbij werd op Kritzingerlaan 74 een kostbare rol met 600 meter zijde in beslag gestolen. Waar de onderduikers toen verbleven, is onduidelijk.
Hoe lang Gerard Kreisberg in kindertehuis Zonneschijn verbleef, is niet bekend. Maar er zaten na verloop van tijd zoveel joodse kinderen ondergedoken in het tehuis, dat enkele ouderparen het gevaarlijk begonnen te vinden. Ook Lotte Kreisberg-Krochmal, die zich vaak door haar intuïtie liet leiden, kreeg ‘een slecht gevoel’ over het verblijf van Gerard in Zonneschijn. Ze besloot hem daar weg te halen en weer bij haar in huis te nemen. Dat gebeurde enkele dagen vóór de inval in Zonneschijn, op 24 februari 1944, waarbij vier van de joodse kinderen en een oudere joodse vrouw weggevoerd werden naar Kamp Westerbork en vandaar naar Auschwitz. Ze werden alle vijf vermoord.
Het joodse echtpaar Kreisberg-Krochmal ontkwam een aantal keren aan een dergelijk lot.
De onderduik was een merkwaardige situatie. Gerard Kreisberg verbleef met zijn moeder op het onderduikadres, terwijl hij niet wist dat hij nog een vader had en dus ook niet dat die in datzelfde huis doorgaans in een verstopplaats onder de vloer zat. Slechts 1-2 keer trof hij bij toeval een vreemde man’ in huis aan en bij die gelegenheid vertelde zijn moeder hem dat dat een ‘gast’ was, die daar een nacht had gelogeerd.
Het gezin Kreisberg-Krochmal haalde de bevrijding. Toen stonden ze opnieuw met lege handen. Ze mochten nog van geluk spreken dat ze in Utrecht een woning kregen toegewezen van een naar Duitsland uitgeweken, voormalige NSB’er. Aan veerkracht ontbrak het hen niet. In die woning, aan de Leidseweg, beginnen ze weer met de productie van dameskleding.
In 1946 of 1947 kwam (schoon)vader Efraim Salmen Krochmal en in 1948 of 1949 kwamen (schoon)zuster Anna Nightingale-Krochmal en haar echtgenoot over naar Nederland. Dat was een belangrijke impuls. De twee, uiterlijk sterk op elkaar gelijkende zusters wierpen zich samen op het ontwerpen en fabriceren van confectiemode en Josef Kreisberg voerde de zakelijke directie.
Anna Nightingale-Krochmal had inmiddels in Israël de techniek van het patronen maken geleerd. De beide ‘Jolo-zusjes’, zoals ze in de pers wel eens genoemd werden, hadden een uitzonderlijk gevoel voor mode en de zaak werd een daverend succes. Jolo (Josef-Lotte) Couture zou vele jarenlang een begrip blijven in Nederland en daarbuiten. Het bedrijf werd al gauw verplaatst naar een mooi pand aan de Nieuwe Gracht in Utrecht. De familie Kreisberg woonde op de bovenverdieping en hun fabriek zat aan de achterkant. Dagblad Het Vaderland kwam op 19 mei 1954 als eerste met een zeer lovend oordeel: ‘De door mevrouw Kreisberg ontworpen collectie is van wereldklasse. Wij tarten Zwitsers, Fransen en Engelsen ons een dergelijke collectie aan te wijzen.’ Onder invloed van de Franse modekoning Dior ontpopte Jolo Couture zich als ‘topfiguren in draagbare en betaalbare mode’ (Trouw van 16 juli 1955).
De wereldberoemde revuester Josephine Baker bevestigde tijdens haar afscheidstournee in 1956 de faam van Jolo Couture. Ze gaf een aantal voorstellingen in het Amsterdamse Carré, en was en passant ook te gast bij de Amsterdam Fashion Week, in de Linnaeushof bij Bennebroek. Er was een modeshow, waarbij vooral de Ombre Noir japon van Jolo Couture uit Utrecht bij de wereldster in de smaak viel. Spontaan bestelde ze zo’n japon en op dinsdag 15 mei 1956 bracht zij daarom een bliksembezoek aan de showroom van Jolo Couture aan de Nieuwegracht om te passen. Nog diezelfde avond droeg ze de japon van zwart fluweel, tijdens haar laatste concert in Amsterdam.
De moderecensenten van alle Nederlandse dagbladen bleven laaiend enthousiast over de creaties van Jolo Couture, met uitingen als ‘perfectie in Nederlandse japoncollectie’ en ‘neusje van de zalm’. Lotte Kreisberg-Krochmal werd zelf een van de best geklede vrouwen van Nederland genoemd.
Het sprak vanzelf dat gerenommeerde modezaken in Nederland voor hun collecties inkochten bij Jolo Couture. Dat deed het befaamde modehuis Maison Kuiper van het echtpaar Falk-Hanauer in Zeist, dat ook in Zeist ondergedoken had gezeten – en dat deed het niet minder befaamde Maison Haring in Hilversum. Beide damesmodezaken mochten het koninklijk huis tot hun clientèle rekenen. Koningin Juliana kocht via Maison Haring creaties van Jolo Couture voor haar dochters.
Het gezin Kreisberg-Krochmal kreeg nog een dochter en een zoon. In december 1964 ontmoette oudste zoon Gerard Kreisberg, toen student psychologie, op een congres van de World Union of Jewish Students in Zweden Paulinka Wiesenthal. Zij had in Wenen theaterwetenschap en journalistiek gestudeerd, en ze ging in Nederland een jaar Engels en daarna psychologie studeren.
Het huwelijk van de kinderen van twee uit Wenen afkomstige echtparen trok aandacht in de Nederlandse pers, omdat ir. Simon Wiesenthal inmiddels wereldwijd bekendheid had gekregen als volhardende nazi-jager en vanwege de bekendheid van modehuis Jolo Couture.
Onder de kop ‘Verzetsstrijder eregast bij joods huwelijksfeest’ publiceerde het Algemeen Dagblad van 20 december 1965 een uitgebreide reportage. Met die verzetsstrijder en eregast werd de voormalige Zeister gemeenteambtenaar Willem Walraven bedoeld. Nog enigszins buiten adem, van het naar Oost-Europees joods gebruik zingen en dansen rondom de bruid, had de Utrechtse confectiefabrikant Josef Kreisberg tegen Simon Wiesenthal op de huwelijksreceptie gezegd: ‘Als Walraven er niet was geweest, dan had u nu niet deze schoonzoon kunnen hebben.’
De journalist noteerde dat het echtpaar Kreisberg-Krochmal gezocht had naar een veiliger oplossing voor hun zoon Gerard, die ondergebracht was in kindertehuis Zonneschijn. Ze waren in contact gekomen met Walraven. Josef Kreisberg: ‘Het eerste wat hij mijn vrouw en mij vroeg was: “Hoe kan ik u vertrouwen?”. We hadden al vervalste persoonsbewijzen, maar ik zei: ”Ga mee naar Amsterdam, daar liggen bij een familie Van de Brink onze joodse persoonsbewijzen. Hij ging direct mee naar Amsterdam. Mijn vrouw moest bij hem thuis blijven, als onderpand. (…) Toen de heer Walraven de joodse persoonsbewijzen had gezien, was de zaak voor elkaar. In een week maakte hij toen ‘echte’ Nederlandse persoonsbewijzen voor ons, met onze onvervalste vingerafdruk erop’.
Natuurlijk kon het gezin Kreisberg-Krochmal met de valse persoonsbewijzen nog steeds geen onbedreigde jaren tegemoet zien. Het valse persoonsbewijs van Josef Kreisberg bood bijvoorbeeld geen bescherming tegen de Arbeitseinsatz, maar vooral bleef het gevaar van ontmaskering levensgroot. Zoon Gerard was met zijn moeder wel eens op straat geweest, maar hij zag er anders uit dan de andere kinderen en werd ‘de zigeuner’ genoemd. Het bleef dus verstandiger om binnen te blijven. In geval van verdenking zouden vader en zoon bij een fysieke controle immers meteen door de mand vallen, omdat ze besneden waren. Desondanks waren goed vervalste persoonsbewijzen van levensbelang en Josef Kreisberg was Willem Walraven terecht dankbaar: ‘En hij heeft er nooit één rooie cent voor willen hebben.’
Het bedrijf Jolo couture werd voor het laatst genoemd in een krantenartikel in 1971, een tijd waarin modehuizen het moeilijker kregen door een economische recessie. De Kreisbergs hadden toen al meer dan dertig jaar met het modebijltje gehakt, zoals de Volkskrant op 1 oktober 1969 vaststelde. Uiteindelijk vertrokken ze naar Israël, waar hun jongere zoon en hun zoon Gerard inmiddels met zijn vrouw en kinderen woonden.
Net als veel andere joodse onderduikers had het echtpaar Kreisberg-Krochmal een enorme veerkracht laten zien. Na de moeilijke jaren in een antisemitisch Oostenrijk, de vlucht, het bombardement op Rotterdam, de gedwongen verhuizing en de jarenlange onderduik hadden ze voor de derde keer van de grond af aan een nieuw bestaan moeten opbouwen. Dat deden ze overtuigend, maar toch. Waar ze in Zeist ook ondergedoken hebben gezeten – waarschijnlijk in elk geval een tijd op Kritzingerlaan 74 – zal onduidelijk blijven, maar de herinneringen aan die jaren zouden altijd op de achtergrond aanwezig blijven, ondanks de grote zakelijke successen. Die herinneringen kwamen in latere interviews nauwelijks aan de orde. ‘Als u wist wat ik voor wonderlijke dingen heb meegemaakt in de oorlog, hoe ik ben geholpen, u zou het niet geloven.’, zei een kennelijk positief ingestelde Lotte Kreisberg-Krochmal tijdens een interview met een journalist van De Telegraaf.
Maar het was natuurlijk bovenal een ellendige tijd geweest en Gerard Kreisberg bevestigt dat in 2020 tegenover Sandra Leenards nog eens ten overvloede: het was een traumatische periode geweest.
Dat het niet nog erger was geworden, dankten zijn ouders en hij aan twee mannen.
Daar was dus Wim Walraven die hen in Zeist aan uitstekende papieren en dito onderduik had geholpen:
‘… bij zijn speech bij het huwelijksdiner van mij en mijn vrouw zei mijn vader dan ook met door tranen verstikte stem dat wij zonder Wim Walraven (bij dat diner aanwezig) niet in leven waren gebleven.’
Gerard van den Brink was al begin 1955 overleden, op pas 55-jarige leeftijd. Ook hij zou nooit vergeten worden. Weliswaar was het indertijd gebruikelijk bij joodse mensen van Oost-Europese origine om een kind de naam te geven van een overleden familielid, maar in het geval van Gerard Kreisberg ging dat anders:
‘In de oorlog was ik natuurlijk een zeer jong kind en mijn ouders moesten er natuurlijk voor zorgen dat ik niet mijn mond voorbij zou praten. Daarom werd het begrijpelijkerwijs voor mij verborgen gehouden dat wij Joods waren. Mede met behulp van de zeer gelovige Rooms-Katholieke Gerard van den Brink werd ik … katholiek opgevoed, voor het eten een kruis slaan en dergelijke. Pas na de oorlog kon mij verteld worden dat wij Joods waren. Toen wij genaturaliseerd werden, en bijvoorbeeld, een Nederlands paspoort kregen, werd de meermaals in de familie voorkomende naam Jizchak (‘Izak’) als het ware in ere hersteld. En de niet-Joodse naam Gerard kon komen te vervallen. Dat is echter niet gedaan. Ter blijvende ere van de (niet-Joodse) Gerard van den Brink aan wie wij hoogstwaarschijnlijk ons leven te danken hadden, werden beide namen – Gerard Jizchak – in mijn papieren geschreven.’
‘Waarom schrijf ik u dit ? Dat heeft te maken met de opvoeding die ik heb gekregen: het was vooral mijn vader die nadrukkelijk stelde dat men nooit vergeten mag dat iemand je het leven gered heeft – en daar ben ik het helemaal mee eens.’
NB/ Op 1 juli 2021 meldt kleindochter Gabrielle Hengst-Trouw van Rachella Clemencia Zack-Verstraete, dat er – behalve het gezin Kreisberg-Krochmal – nog een onderduikster bij haar grootmoeder had gezeten. Dat was Debora Vleeschdraager die later als ‘tante Deb’ in contact was gebleven. Het gaat hier ongetwijfeld om Debora Vleeschdraager-van Minden. Aanvankelijk verbleef zij op Waterigeweg 46, maar eind 1944 had ze daar weggemoeten.
Bronnen:
- Mededelingen van Sandra Leenards, Gerard J. Kreisberg, Rob Falk en Gabrielle Hengst-Trouw
- Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister; 1499-1500, register van illegalen, ‘Lodewijk Josef en Henriette Lieselotte Leenards-Höfer’, ‘Gerard Leenards’
- Nationaal Archief, toegang 2.09.09, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), inventarisnummer 379 I-III, dossier J. Smorenburg, verklaring van Josef Kreisberg over de onderduik van Gerard Kreisberg in kindertehuis Zonneschijn, de inval op het onderduikadres en de inbeslagname van een rol zijde
- www.geheugenvanzeist.nl (Sonderen van, oorlogskind 1940-1945)
- Gemeentearchief Zeist, 1499-5500, register van illegalen, ‘Lodewijk Josef en Henriëtte Liselotte Leenards-Höfer’ en zoon Gerard.
- Nationaal Archief (fotocollectie: huwelijk Gerard Kreisberg met Paulinka Shoshana Wiesenthal).
- Annemiek Bal, ‘Het Zeister verzet’, 85-86, 123, Willem Walraven
- Het Vaderland van 19 mei 1954, ‘Onze kledingindustrie kan bijzonder veel’
- Trouw van 16 juli 1955, ‘Nederlandse mode paradeert voor ’t buitenland, 15e Amsterdamse Fashionweek’
- Leeuwarder Courant van 18 januari 1958, ‘Jolo-couture, een geschiedenis van vervolging tot succes’
- De Telegraaf van 22 mei 1965, ‘Geboorte van Jolo Couture’
- Algemeen Dagblad van 20 december 1965.
- Meer dan vijftig andere artikelen over JOLO Couture in www.delpher.nl, periode 1954-1971 (zoektermen ‘Jolo’ en ‘Kreisberg’)
1. Kritzingerlaan 74
1a. Rachella Clemencia Zack-Verstraeten met kleindochter
2. Kindertehuis Zonneschijn
3. Advertentie van Maison van den Brink in het Algemeen Handelsblad van 1 oktober 1947.
4. Overlijdensbericht Gerard van den Brink in het Algemeen Handelsblad van 10 februari 1955
5. De Jolo-zusjes
5a. Lotte Kreisberg-Krochmal en Anna Nigthingale-Krochmal met twee mannequins.
6. Josephine Baker in de showroom in een japon van Jolo Couture
7. Lotte Kreisberg-Krochmal in het AD van 1 november 1961
8. Willem Walraven (links) en Josef Kreisberg, Algemeen Dagblad van 20 december 1965
9. Het Vrije Volk van 27 maart 1971, met ontwerpen van Jolo Coutures










