Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie pagina’s 113-115 van het Onderduikboek; sterk uitgebreid)

Zeven onderduikertjes, waarvan geen namen bekend zijn. Van vijf van is alleen de onderduik-voornaam bekend:

  • ‘Anna’ (1940)

  • ‘Bobby’

  • ‘Carla’

  • ‘Hansje’

  • ‘Rudy’

  • ‘Samuel’ (1939)

Onderduikgeefster:

  • Johanna Huberta Lanclé, ongehuwd, pensionhoudster en manufacturierster (Utrecht, 7 oktober 1891 – Zeist, 11 december 1970)

In het Onderduikboek wordt de arrestatie van Johanna Lanclé en een joods jongetje beschreven. Dit verhaal kan aangevuld worden op basis van een getuigenis van Wil Roelofsen-Koedam (inmiddels overleden) die in haar jeugd op Bothalaan 51 woonde.

Zij was een jaar of 14 en bezocht op zondag de zondagsschool aan de Slotlaan, in het gebouw Irene, en daarna – toen het betreffende pand door de Duitsers gevorderd was – op de Weeshuislaan. Ze liep samen op met haar zus en ‘juffertje’ Lanclé die een fourniturenwinkeltje had op Kritzingerlaan 26 (dus niet op de Steinlaan, zoals vermeld in het Onderduikboek).

Johanna Lanclé was secretaresse en penningmeester van de Zeister zondagschoolvereniging. Daarbij was ze leidster van de zondagschool van die vereniging in de Hervormde school in de Weeshuislaan. Bij gelegenheid van de opening van de zevende zondagschool van de vereniging, in december 1943, vertelde zij een verhaal van Van der Hulst voor kinderen. Ze was begin juni 1910 op Kritzingerlaan 26 komen wonen, afkomstig uit Utrecht. Aanvankelijk was zij naaister, maar later pensionhoudster en houdster van dat winkeltje. Dat fungeerde ook als bestelhuis voor loodgietersbedrijf G. Slotboom.

Volgens Wil Roelofsen-Koedam had Juffrouw Lanclé op enig moment joodse onderduikertjes in huis, die ‘Bobby’, ‘Carla’ en ‘Hansje’ werden genoemd. ‘Hansje’ had waarschijnlijk bemiddelde ouders, want als ze langs het toenmalige hotel Wapen van Zeist (anno 2026 Corona Hotel) kwamen, vroeg hij wanneer ze daar eens gingen zitten. Juffrouw Lanclé en haar onderduikertjes werden verraden. De hele buurt was erbij toen de politie aan de deur kwam om de kinderen op te halen. Maar er was gewaarschuwd en de kinderen waren tijdig ondergebracht bij buren. Niemand werd gearresteerd. De kinderen zouden daarna weer teruggegaan zijn naar juffrouw Lanclé.

De werkelijke toedracht lag wat anders. Blijkbaar was een van de onderduikertjes niet tijdig weggebracht. Want er werd wel degelijk een arrestatie verricht. Op zaterdag 10 juli 1943 werd de toen 51-jarige Johanna Lanclé namelijk samen met een driejarig joods jongetje dat bij haar ondergebracht was, voorgeleid aan NSB-politieman Evert Drost. Uit het politiedagrapport voor die dag:

13.30 uur In passantenkamer geplaatst voor Drost Johanna Lanclé, geboren Utrecht 7-10-1891 won. Kritzingerlaan 26, die bij zich heeft een klein jongetje.

15.u. J. Lanclé heengezonden, jongetje bij Schoonhoven ondergebracht. E.C.D.

Johanna Lanclé moest het jongetje achterlaten op het politiebureau. Hij werd ter verzorging naar het gezin van Gerard van Schoonhoven gebracht. Van Schoonhoven was de vaste ‘verzorger’ van het politiebureau. Zijn functie was gemeentelijk chauffeur en hij woonde op Maurikstraat 30b, op het terrein van de gemeentepolitie. Hij zorgde niet alleen voor de garage en de auto’s, maar gaf de gevangenen te eten en had ook tot taak honden te vergassen, die afgemaakt moesten worden. Hij en zijn echtgenote moesten die nacht voor het jongetje zorgen.

De tuin van het echtpaar werd het ‘Schoonhovenveldje’ genoemd. Vanaf de Walkartweg was er een pad dat via het veldje naar het politiebureau liep. Dit pad werd gebruikt om dronken mensen naar het politiebureau te brengen, hetgeen soms met veel geweld gepaard ging. Via dit pad fietsten de agenten ook naar het bureau. Op zondagmorgen werd het jongetje vanwege het prachtige zomerweer door agent Willem Otto te spelen gezet op het ‘Schoonhovenveldje’.

Bij de arrestatie van het jongetje was al ruzie ontstaan tussen Drost en de overige dienstdoende agenten. De Zeister afdeling van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) werd geïnformeerd. Illegaal werkers hadden de sleutel weten te bemachtigen van de brandweerkazerne, waarvan het terrein aan dat van het politiebureau grensde. Slager Willem Pos en drogist Willem van Milligen – een illegaal werker die zelf joodse onderduikers in huis had – haalden het jongetje weg van het veldje. De dienstdoende agenten hadden zogenaamd niets gezien.

Het jongetje zou ondergebracht zijn op een nieuw onderduikadres in De Bilt en de oorlog overleefd hebben.

In 2026 brengt Bert-Jan Flim zijn boek ‘De verborgen generatie’ uit, na onderzoek in de archieven van de voormalige Commissie voor Oorlogspleegkinderen (OPK). Daarin geeft hij het jongetje, dat geboren is in 1939, de naam ‘Samuel’. Hij was in de eerste helft van 1943 door Van Milligen naar het doorgangshuis van Johanna Lanclé gebracht. ‘Samuel’ was één van de zeven joodse kinderen die de Zeister jodenhelpster Anneke Brenkman en Van Milligen voor het Utrechts Kindercomité (UKC) naar huize-Lanclé brachten. Mogelijk had een klant van Johanna Lanclé de aanwezigheid van het jongetje verraden, want na drie weken waren zij en ‘Samuel’ gearresteerd door NSB-politieman Evert Drost.

Toen Pos en Van Milligen ‘Samuel’ ophaalden, was het kind erg angstig. Het wilde eerst niet mee, maar moest ‘onder de cape’ mee, waarna Van Milligen hem onderbracht in Driebergen. In verband met frequente politie-invallen was ‘Samuel’ door de Zeister drogist in maart 1944 op een adres in De Bilt ondergebracht, waar hij de bevrijding haalde.

Auteur Flim citeert in zijn boek uit een brief van 10 oktober 1945 van Johanna Lanclé aan OPK: ‘De verschillende Joodsche kindertjes nam ik uit medelijden en om hen te helpen redden, doch ook in de hoop tenslotte één ouderloos kindje te mogen behouden en opvoeden. (…) Mijn beleefd doch dringend verzoek is nu, ‘Samuel’ (…) tot mij te mogen nemen en hem op te mogen voeden. Bij voorkeur hem, omdat ik hem nu reeds ken en weet dat hij een nette, lieve jongen is. Hij is nu 6 jaar.’ Dit verzoek werd afgewezen.

Een ander joods onderduikertje dat bij Johanna Lanclé terechtkwam, was het meisje ‘Anna’ (1940). Ze was geboren in een orthodox Amsterdams gezin. Haar moeder werkte op een corsettenatelier, waar zij in het voorjaar van 1943 werd opgepakt. Haar vader, een marktkoopman, bracht ‘Anna’ naar zijn zuster en ging zijn echtgenote achterna naar Kamp Westerbork. Het echtpaar werd in juni 1943 vermoord in Sobibor. ‘Anna’ werd door het Utrechts Kindercomité ondergebracht in een kasteel in Ommen, maar daar moest ze al snel weer weg. Ze versleet vervolgens acht adressen, waaronder een jaar op een adres in Zeist. Daar dreigden haar pleegouders om haar door de Duitsers op te laten halen. Daardoor kreeg ‘Anna’ angstdromen. Het kleine meisje werd ernstig verwaarloosd en zat onder de luizen. Begin 1944 werd ze in het doorgangshuis van Johanna Lanclé gebracht. Die bracht haar naar een familie in Zeist en vandaar werd ze in maart 1945 – wegens voedselgebrek – naar twee ongehuwde rooms-katholieke zusters in Huis ter Heide gebracht, die samen met hun oude vader in een ruim huis aan de bosrand woonden. Volgens het voogdijrapport mocht ‘Anna’ van haar onderduikgeefsters niet met andere kinderen spelen, uit angst voor verraad. Ze sliep bij een van de beide onderduikgeefsters in bed, hoewel er een kinderbedje beschikbaar was. Ook werd haar niets verteld over haar afkomst. Volgens Bert Jan Flim in zijn boek ‘De verborgen generatie’ werd ‘Anna’ wijsgemaakt dat de echtgenoot van een van de onderduikgeefsters in Duitsland was omgekomen. ‘Anna’ werd aangemoedigd om te bidden voor haar ‘vader’. Na de bevrijding bleef ‘Anna’ in Huis ter Heide, en ze werd in 1946 in Soesterberg gedoopt.

Over de andere onderduikertjes is weinig bekend. Volgens Wil Roelofsen-Koedam deed juffrouw Lanclé tegen een van de jongetjes – waarschijnlijk ‘Hansje’ – niet aardig. Hij had een spits gezicht. Het meisje ‘Carla’ was een jaar of 3 en had heel mooi zwart krullend haar. Later kwam ‘Bobby’. Het waren kinderen van verschillende ouders.

Na de bevrijding heeft de vader van ‘Hansje’ bij wijze van dank een groot raam laten plaatsen in het huis Kritzingerlaan 26 (dat is er nu nog steeds), zodat juffrouw Lanclé vanaf toen een etalage had in haar winkel.

Bronnen:

  • Mededelingen van wijlen Wil Roelofsen-Koedam
  • Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister, archief gemeentepolitie, toegang 3500, dagrapport van 10 juli 1943
  • Geheugen van Zeist, collecties, adresgidsen en oude kranten
  • Annemiek Bal, ‘Het Zeister verzet’, 85-86, 123
  • Bert Jan Flim, ‘De verborgen generatie’, Amphora Books, Amsterdam, 2025, 379-382

1. Kritzingerlaan 26

2. Advertentie in De Zeister Courant van 11 april 1934

3. Advertentie in De Zeister Courant van april 1939

4. De gevreesde NSB-politieman Evert Drost

5. Kritzingerlaan 26