Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Supplement, pagina’s 91-94)
In memoriam:
- Max Kampelmacher, ongehuwd, makelaar (Sereth of Sireth, Roemenië, 17 juni 1902 – vermoedelijk overleden in Buchenwald, na 25 maart 1945)
Bij contact met Zeistenaar Mike Kampelmacher in het kader van dit supplement blijkt zijn familiegeschiedenis sterker verbonden met Zeist dan hij eerder besefte. Niet alleen zat zijn vader in Zeist ondergedoken – zie de bewezen onderduikadressen Eikenlaan 14 en Oranje Nassaulaan 54 – maar hij ontdekte een foto waarop hij zelf op de achterkant heeft geschreven (bij het bekijken van de foto’s met zijn vader), dat zijn vaders oom Max Kampelmacher ook in Zeist ondergedoken was. En nog wel aan de Karpervijver, ten tijde van het interview op een steenworp afstand van zijn woning.
Mikes vader Dan Kampelmacher heeft de geschiedenis van zijn familie op indrukwekkende wijze beschreven in zijn boek ‘Gevecht om te overleven. Mijn diaspora na de Anschluss’. Een beschrijving die elke lezer zal raken. Op de jaarlijkse, lange vakantiereis langs familie deed het ouderlijke gezin van Dan (Erwin Helmuth) Kampelmacher onder meer bestemmingen in Roemenië aan, waar zijn grootouders nog steeds in de stad Sereth woonden. Daar waren zijn vader Karl, diens zuster Lola en diens jongere broer Max geboren.
Evenals zijn broer Karl heeft Max Kampelmacher zich later in Wenen gevestigd, waar hij als beursmakelaar werkte, tot de Anschluss in het voorjaar van 1938. Nadat hij na de verwoestende Reichskristallnacht van Wenen naar Nederland vluchtte, werd de geschiedenis van Max Kampelmacher vanaf eind 1938 bepaald door het rigide, bikkelharde vluchtelingenbeleid van de Nederlandse regering in de jaren dertig. Hij slaagde er in om medio december 1938 ’s avonds bij Venlo de grensbewaking te omzeilen en naar Amsterdam door te reizen, waar vluchtelingen een tijdelijke verblijfsvergunning kregen. Zijn reisdoel was Roemenië, zo gaf hij op enig moment op. Mogelijk als gevolg van de vijandige ontvangst in Nederland?
Na zijn aankomst en registratie in Amsterdam kreeg Max Kampelmacher een oproep om op 19 december op het politiebureau te verschijnen. Daar werd hij, samen met tientallen andere joodse vluchtelingen, plotseling gearresteerd. Onder de arrestanten bevond zich zijn neef Dan Kampelmacher die 2,5 week eerder vlakbij Venlo ook met veel moeite over de grens had weten te komen. Of oom en neef elkaar bij die gelegenheid gezien hebben, is niet bekend. Dan Kampelmacher rept er niet over in zijn boek.
De arrestanten werden met bussen naar een voor hen onbekende bestemming gebracht, terwijl het in de onverwarmde bussen vroor dat het kraakte. Voor zo ver de busreizen naar het Oosten en het Zuiden voerden, dachten de ongelukkigen dat ze weer over de grens gezet zouden worden, terug in de nazi-hel die Duitsland voor joodse mensen was. Het bleek echter de bedoeling dat ze geïnterneerd werden in Veenhuizen of in een nonnenklooster in het Noord-Limburgse Beesel. Dan Kampelmacher trof het niet. Na de ellendige busreis werd hij gevangen gezet in Veenhuizen. Max Kampelmacher werd ondergebracht in Beesel, 1,5-2 kilometer van de grens met Duitsland, in een nonnenklooster. Dat was een geluk bij een ongeluk, want kampcommandant Simonis was een gentleman die begaan was met het lot van zijn geïnterneerden.
Op 28 augustus 1939 werd het kamp in Beesel echter ontruimd. Op die dag werden de gevangenen in noodweer per boot overgebracht naar een voormalige, vervallen schapenslachterij in Hoek van Holland – een beroerd oord – en daar bevond zich sinds augustus neef Dan die er tot in november 1939 zou blijven. In diens boek blijft ook onduidelijk of beiden contact hebben gehad in Hoek van Holland. Dan Kampelmacher wist in november uit het kamp te komen, terwijl zijn oom Max Kampelmacher op 1 april 1940 werd overgebracht naar het ‘vreemdelingenkamp’ Kamp Westerbork. Op 14 juli 1942 mocht hij verhuizen naar Amsterdam.
Dat Max Kampelmacher zo maar weg mocht uit Kamp Westerbork had waarschijnlijk te maken met de relatief complexe politieke ontwikkelingen in Roemenië kort voor en tijdens de bezettingsjaren. Koning Carol van Roemenië was een bondgenoot van Hitler en voerde een antisemitisch regime in zijn land. In 1940 werd de koning bij een coup door generaal Antonescu vervangen door zijn zoon Michael, wat aanvankelijk voor de joodse Roemenen geen verbetering bracht. In de jaren 1941-1944 werkte er bij het Roemeense ministerie van Buitenlandse Zaken wel een prins Karadja die het lot van de joodse Roemenen probeerde te verbeteren, bijvoorbeeld in relatie tot hun diplomatieke status (paspoorten). Of dit iets betekend kan hebben voor Max Kampelmacher is niet duidelijk. Die bevond zich immers in die jaren in Nederland. In 1942 zou Koning Michael, onder aandrang van de Roemeense Koningin-moeder, zijn beleid ten aanzien van de joodse Roemenen herzien hebben. In overleg met generaal Antonescu zou de deportatie van joodse Roemenen naar het vernietigingskamp Belzec gestopt zijn. Dat zou ook de reden kunnen zijn dat Max Kampelmacher in 1942 weg mocht uit Kamp Westerbork. Zijn nationaliteit beschermde hem dan. Duitsland had geen reden om het Hitler-gezinde bewind in Roemenië op het gebied van de jodenvervolging te overrulen.
Max Kampelmacher ging inwonen op Nicolaas Witsenstraat 1 huis, bij de fabrikant Sigmund Hönig en diens echtgenote Rosa Hönig-Gross. Dit joodse echtpaar was van Poolse komaf, maar had eveneens in Wenen gewoond. Ze waren al in 1929 met hun twee dochters naar Amsterdam gegaan.
Volgens het Amsterdamse bevolkingsregister woonde Max Kampelmacher daar precies twee jaren, maar in werkelijkheid, zo blijkt nu dus uit aantekeningen op een foto, zat hij enige tijd ondergedoken aan de Karpervijver in Zeist. Mogelijk keerde hij terug naar Amsterdam, omdat hij vanwege zijn Roemeense nationaliteit voorlopig niets te duchten zou hebben?
Dat was dan een ernstige misrekening. Op 17 mei 1944 werd hij in Amsterdam gearresteerd, maar niet als onderduiker. Hij werd die dag ondergebracht in barak 65 in Kamp Westerbork. Zijn verblijf in het kamp eindigde twee maanden later.
Op 13 juli stuurde Wilhelm Zöpf, hoofd van het Judenreferat IV B 4 in Den Haag, een telegram naar Alfred Konrad Gemmeker, commandant van Kamp Westerbork, met de opdracht om Max Kampelmacher de volgende dag over te laten brengen naar de strafgevangenis in Scheveningen, zodat hij naar Buchenwald gedeporteerd kon worden.
Die deportatie zou de volgende dag om 18.00 uur vanuit Den Haag geschieden. Die dag werd vanuit Zöpf’s bureau een telegram gestuurd naar de commandant van Buchenwald, waarin meegedeeld werd dat Kampelmacher weliswaar geen overtreding had begaan, maar naar Buchenwald werd gestuurd omdat hij Roemeen van nationaliteit was en in het kader van de ‘Operatie Repatrierung’. Dat die repatriëring via Buchenwald verliep, verdiende uiteraard alle argwaan.
Samen met Max Kampelmacher moest nog de half-joodse psychiater dr. Andries Kaas (Alkmaar, 1908) mee. Hij was actief betrokken geweest bij georganiseerde jodenhulp en had zelf een joods kind verborgen. Er ging een telegram naar de commandant van Buchenwald, dat de beide gevangenen in de middag van 15 juli 1944 in het kamp zouden aankomen. Ze maakten de gedwongen reis onder bewaking van een SS-Hauptscharführer en een SS-Unterscharführer.
Andries Kaas zou terugkeren en daar zelfs twee novellen over schrijven ‘De bocht in de weg’ (1948) en ‘Thuiskomst’ (1962). Helaas besteedde hij in die, aangrijpende, novellen geen woord aan de heenreis naar Buchenwald.
Max Kampelmacher verdween in de mist. De relatie tussen Roemenië en Duitsland was in 1944 verslechterd en uiteindelijk verbroken. Eind augustus 1944 sloot Roemenië zich bij het geallieerde kamp aan, waardoor de nog levende joodse Roemenen in door de nazi’s bezette landen in levensgevaar kwamen. Zoals het geval was met Max Kampelmacher in Buchenwald. Zijn vlucht in december 1938 uit Wenen had voornamelijk geleid tot een helletocht langs gevangenenkampen in Nederland – met een kort intermezzo in Amsterdam en vermoedelijk nog korter intermezzo in Zeist? – eindigend in Buchenwald. Hij gold daar als schilder. De laatste aantekening op zijn kampkaart daar dateert van 25 maart 1945. Voor het lot van Max Kampelmacher moet het ergste worden gevreesd.
Bronnen:
- Mededelingen van Mike Kampelmacher
- Dan Kampelmacher, ‘Gevecht om te overleven. Mijn diaspora na de Anschluss’, Verbum, 2008
- Nationaal Archief, toegang 2.04.58, zorg voor vluchtelingen uit Duitsland, inventarisnummer 133, persoonlijke gegevens van in Reuver opgenomen vluchtelingen
- deportation.yadvashem.org, Max Kampelmacher
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaart voor Max Kampelmacher
1. De Karpervijver in vroeger jaren
2. Max Kampelmacher (vooraan) met zijn zusje Lola en zijn broer Karl, later de vader van Dan Kampelmacher
3. Premier Ion Antonescu en Adolf Hitler in 1941 in München
4. Max Kampelmacher in zijn jongere jaren
5. Dan Kampelmacher als klein jongetje op de arm van zijn oom Max
6. Häftlings-Personal Karte in Buchenwald van Max Kampelmacher
7. Achterkant van een foto met informatie over onderduik in Zeist






