Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 145-151; uitgebreid met aanvullende informatie)
In memoriam:
- Barend Bouwman, handelsagent (Vianen, 7 augustus 1887 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 56 jaar
- echtgenote Louise Bouwman-Konijn (Haarlem, 24 april 1898 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 45 jaar
- Raphaël Keizer, koopman (Amsterdam, 3 maart 1884 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 59 jaar
- echtgenote Mietje (Mina) Keizer-Bouwman (Vianen, 18 februari 1885 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 58 jaar
- dochter Henrietta Creveld-Keizer (Amsterdam, 8 augustus 1913 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 30 jaar
- schoonzoon Simon Creveld, slager (Utrecht, 29 november 1909 – Auschwitz, 31 mei 1944), bereikte de leeftijd van 34 jaar
Onderduikgeefsters:
- Cornelia de Man, ongehuwd en zonder beroep (Brandwijk, 8 mei 1874 – Zeist, 19 maart 1949) en
- zuster Huibertje de Man, ongehuwd en zonder beroep (Molenaarsgraaf, 3 oktober 1872 – Zeist, 6 februari 1957)
Op 19 juli 1942 duikt het joodse echtpaar Simon en Jet Creveld-Keizer onder op Weerdsingel Westzijde 10 in Utrecht, bij Truus van Deelen-Hopman. Deze jong weduwe geworden vrouw is conciërge van de Vereniging tot behartiging van de Nederlandse aardappelhandel en woont boven het verenigingskantoor.
Het onderduikadres heeft het echtpaar Creveld-Keizer van hun buren uit De Leliestraat in Utrecht, het echtpaar Wienstra-Beekman, dat bevriend is met Truus van Deelen-Hopman.
Dochter Mary van de onderduikgeefster is in juli 1942 achttien jaar oud. Moeder en dochter kunnen goed met hun onderduikers opschieten. In mei 1943 komt er nog een joods echtpaar Beesemer (Besemer, Bezemer?) uit Amsterdam bij, waarmee ook een behoorlijke – zij het minder hartelijke – relatie tot stand komt. De schuilplaats voor de vier onderduikers is op zolder en daar zitten ze in elk geval als er bezoek komt.
In diezelfde meimaand van 1943 zet Mary van Deelen een cruciale stap. Als schoolverlater verdient ze met typewerk 40 gulden per maand bij de NS. Daar is ze bevriend geraakt met een meisje dat bij de Jeugdstorm zit. Ondanks de druk van haar moeder en het echtpaar Wienstra-Beekman, dat boodschappen en de was doet voor de onderduikers, begeeft Mary zich steeds meer in nationaalsocialistische kringen.
De vriendin overtuigt haar ervan om te solliciteren naar een baan als typiste bij de Staf van de Germaanse SS aan de Maliebaan. Dat doet Mary, ze wordt aangenomen en ze gaat maar liefst 100 gulden per maand verdienen. Eerder heeft ze al verkering gehad met een Duitse soldaat, maar dat was een jongen die voor de bezetting als pensiongast in huize-Van Deelen had gezeten. In haar nieuwe baan raakt ze bevriend met Jur Grootenboer, een Waffen SS’er die eveneens bij de Staf van de Germaanse SS werkt. Grootenboer is zo gecharmeerd van Mary van Deelen, dat hij zijn verloving verbreekt en zich met haar verlooft. Het klikt ook tussen Grootenboer en Mary’s moeder.
Zo ontstaat de onmogelijke situatie dat de Waffen SS’er Jur Grootenboer regelmatig op bezoek komt, terwijl op zolder vier joodse onderduikers verblijven. Dat levert spanningen op voor Mary van Deelen, en ze besluit haar verloofde te informeren over de aanwezigheid van de onderduikers. Naar later zeggen, omdat ze bezorgd was geweest over het lot van haar moeder bij ontdekking.
Grootenboer polst daarop een bevriende SS’er, de Utrechtse politieman Jacobus van Joolen die op dat moment bij de Sicherheitsdienst werkt. Kan Van Joolen raad geven voor kennissen die joodse onderduikers in huis hebben? Later vertelt Grootenboer zijn vriend nog dat het om zijn aanstaande schoonmoeder gaat. Vanwege de consequenties die het voor haar kan hebben – ze weet nergens van – besluiten de twee SS’ers om voorlopig niets te doen. Dat verandert als Jacobus van Joolen op 1 november 1943 aan de slag gaat als onderinspecteur bij de Controle Centrale van de Utrechtse politie. Hij wijst Jur Grootenboer dan op de mogelijkheid om de onderduikers te laten arresteren, zonder gevolgen voor zijn aanstaande schoonmoeder. Dan moet ze wel een verklaring ondertekenen dat ze haar onderduikers zelf heeft aangegeven.
In overleg met Mary van Deelen wordt een dag bepaald voor een inval onder leiding van Van Joolen op Weerdsingel Westzijde 10. Grootenboer heeft de schuilplaats op zolder geduid. Begin december 1943 worden de vier onderduikers en Truus van Deelen-Hopman gearresteerd. De Amsterdamse onderduikster wordt naar het ziekenhuis gebracht en de andere vier arrestanten naar het Utrechtse politiebureau. Daar ontstaat een probleem, want de onderduikgeefster is zeer opstandig, weigert een aangifte te ondertekenen, en moet dus in de cel blijven. Na enkele dagen weet Mary van Deelen haar moeder te overtuigen om te tekenen. Een praktische versus een principiële beslissing. De arrestaties hebben al plaatsgevonden, en als ze niet tekent, moet ze zes maanden naar Kamp Vught.
De Controle Centrale neemt kleding en meubilair van Simon en Jet Creveld-Keizer in beslag bij het echtpaar Wienstra-Beekman, onder dreiging met Kamp Vught.
Erger is dat Van Joolen c.s. bij de huiszoeking op het onderduikadres een briefkaart gevonden hebben, die verwijst naar het adres Jan Meerdinklaan 20 in Zeist.
Vlakbij dat adres, op Meerdinklaan 16, hebben de zus en de zwager van het gearresteerde echtpaar Creveld-Keizer gewoond. Na de ontvangst van een oproep om zich te melden, zijn Estella en Ies Zwaaf-Keizer ondergedoken bij een emeritus doopsgezinde predikant in Amersfoort, waar ze tot de bevrijding zullen blijven. Hun verdwijning is al vastgesteld toen de Zeister gemeentepolitie hun woning op dinsdag 1 september 1942 controleerde:
‘14.00 uur Werd gerapporteerd dat het perceel Jan Meerdinklaan 16, bewoond geweest door de familie Zwaaf, leeg stond. Bij voorloopig onderzoek bleek, dat de inboedel grootendeels verdwenen was. Vermoedelijk zijn de bewoners met onbekende bestemming vertrokken. Zijn genaamd: Isaac Zwaaf, geb. te Amersfoort 28-8-’17, en Estella Henrietta Keizer, geb. te A’dam 25-6-1912. Doorgeven aan Stelle für Judische Auswanderung te Amsterdam.’
Diezelfde middag is het pakhuis van Ies Zwaaf aan de Weeshuislaan verzegeld met papierstroken: ‘Tevens door een gemeente-timmerman nog eenige spijkers in de deur laten slaan.’
Estella’s ouders, Felix en Mina Keizer-Bouman, zaten rond die tijd ergens in Zeist ondergedoken. Samen met Mina’s broer en schoonzus Barend en Louise Bouwman-Konijn en hun zoontje Arnold, die daarvoor in Hilversum hebben gewoond. In juli 1943 moesten de vijf onderduikers een nieuwe schuilplaats zoeken.
Blijkbaar was er nog contact met buurtgenoten van Estella en Ies Zwaaf-Keizer in de Jan Meerdinklaan. In elk geval konden de vier volwassenen daar terecht, bij de vrijgezelle, oudere dames Huibertje en Cornelia de Man op Jan Meerdinklaan 20.
Zoontje Arnold Bouwman is naar het gezin van koster Jan Stroomenbergh senior van de gereformeerde kerk aan de Engweg in Driebergen gebracht. De koster, zijn echtgenote, zoon en dochter zijn allen actieve illegaal werkers, maar voelen zich enigszins beschermd door de aanwezigheid van Duitse officieren in de nabijheid. Het gezin is dol op kleine Arnold Bouwman. Af en toe brengt dochter Susan Stroomenbergh hem achterop haar fiets naar zijn ondergedoken ouders in Zeist, een fietstochtje van circa twintig minuten.
Een onbekend gebleven politieman uit Zeist informeert begin december 1943 de onderduikgevers en onderduikers op Jan Meerdinklaan 20 over de arrestatie in Utrecht. De toedracht is dan nog niet duidelijk, maar hij vermoedt verraad en adviseert daarom een ander adres voor de onderduikers te zoeken. Het lijkt hem niet nodig om meteen maatregelen te nemen, en het duurt ook enkele dagen voordat een nieuw onderduikadres geregeld is.
Op 9 december 1943 is het zover. De echtparen Keizer-Bouwman en Bouman-Konijn kunnen die dag terecht op een nieuw onderduikadres in Amersfoort. Alles staat ingepakt, als Susan Stroomenbergh kleine Arnold Bouwman even bij zijn ouders brengt. Ze treffen de onderduikers in paniek aan. Er wordt gehuild. De koffers staan al klaar in de hal, want illegaal werkers zullen de onderduikers komen halen. Arnolds moeder geeft Susan nog wat adviezen voor de verzorging van Arnold, en vraagt of haar ouders de jongen als lid van hun gezin naar eigen inzichten op te voeden, ook wat betreft hun religie. Na een paar minuten haast Susan, nog maar een teenager, zich gauw weer weg met Arnold. Daarmee redt ze op het nippertje het leven van het jongetje. Als ze halverwege de straat fietsen, komt er namelijk een overvalwagen aanrijden van de Controle Centrale van de Utrechtse politie, een afdeling die fanatiek op joodse onderduikers jaagt.
Drie mannen lopen naar de voordeur, waaronder Jacobus van Joolen en Nico de Jong. Als een van de zusters De Man de deur opent, maken de mannen zich bekend als politiemannen. Ze duwen beide vrouwen opzij en gaan de huiskamer binnen. Daar treffen zij het echtpaar Bouwman-Konijn aan. Het echtpaar Keizer-Bouwman wordt op de bovenverdieping aangehouden. Een andere politieman is via de achtertuin de keuken in gelopen, en heeft de achterdeur op slot gedraaid, zodat niemand het huis meer in of uit kan. De arrestanten worden met de overvalwagen afgevoerd. De onderduikgeefsters worden in verband met hun leeftijd niet gearresteerd.
Susan fietst zo hard als ze kan terug naar Driebergen, terwijl ze Arnold, die overstuur is, probeert te kalmeren. Thuisgekomen, stuurt Jan Stroomenbergh senior hen naar een ander adres. De ouders van Arnold weten immers waar hun zoontje ondergebracht is en de verhoren bij de Controle Centrale kunnen hard zijn. Dagenlang verblijven Susan en Arnold op verschillende adressen, totdat de kust weer veilig lijkt.
De politiemannen van de Controle Centrale keren nog drie maal terug op Jan Meerdinklaan 20, om de kleren en andere eigendommen van de onderduikers op te halen.
De echtparen Bouwman-Konijn en Keizer-Bouwman worden op 16 december 1943 overgebracht naar Kamp Westerbork. Ze worden in de strafbarak nummer 67 geplaatst. Felix en Mina Keizer-Bouwman worden in die treurige omstandigheden herenigd met dochter Jet en schoonzoon Simon. Wegens besmettelijke ziektes in het kamp worden de transporten tijdelijk opgeschort. Maar op 25 januari 1944 worden Barend en Louise Bouwman-Konijn, Felix en Mina Keizer-Bouwman en Henrietta en Simon Creveld-Keizer naar Auschwitz gedeporteerd. Simon zal daar op 31 mei 1944 sterven, maar de anderen worden al op de dag van aankomst vermoord, op 28 januari 1944.
– 0 – 0 – 0 –
Het echtpaar Beesemer overleeft de bezetting.
Ook Arnold Bouwman overleeft, dankzij het gezin Stroomenbergh-Middeldorp. Ies en Estella Zwaaf-Keizer overleven eveneens en worden op 20 oktober 1945 weer ingeschreven in het bevolkingsregister van Zeist. Ze nemen de opvoeding van neefje Arnold over van het echtpaar Stroomenbergh-Middeldorp, maar er blijft een levenslange band tussen Arnold en zijn onderduikgevers. Hij zal later trouwen met een dochter van de voormalige Zeister verzetsman Ben de Kok.
Bronnen:
- Mededelingen van Teo Wienstra
- Nationaal Archief, toegang 2.09.09, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), inventarisnummer 379 I-III, dossier J. Smorenburg
- Het CABR-dossier van J. Smorenburg bevat verklaringen van J. Grooteboer en derden dat Grooteboer illegale activiteiten steunde. Inventarisnummer 105 van de Collectie Utrechts verzet (archief 650) in Het Utrechts Archief: Rapport over Jurriaan Grooteboer, werkzaam bij de Sicherheitsdienst, betreffende diens hulp aan het Utrechtse verzet, 1944 juli.
- Mededelingen van Arnold Bouwman
- Susan Stroomenbergh-Halpern, ‘Memoirs of the War Years: The Netherlands, 1940-1945: A Christian Perspective’, 1 november 1, 2002, 28-31
- Kamp Westerbork, Collectie – Een Naam en een Gezicht
- Digitaal joods monument, echtpaar Barend en Louise Bouwman-Konijn, echtpaar Felix en Mietje Keizer-Bouwman en echtpaar Creveld-Keizer
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Barend Bouwman, Louise Bouwman-Konijn, Felix Keizer en Mietje Keizer-Bouwman en Henrietta en Simon Creveld-Keizer
1. Jan Meerdinklaan 20
2. Felix Keizer en Mina Bouwman op de bruiloft van hun dochter Stella met Ies Zwaaf
3. Barend Bouwman en Louise Konijn in juli 1933 kort na hun verloving
4. Louise Konijn en Barend Bouwman op de dag van hun verloving, op 30 april 1933
5. Het echtpaar Bouwman-Konijn op Lage Naarderweg in augustus 1939
6. Mina en Felix Keizer-Bouwman
7. Alexander Bouwman met zijn zuster Mina (Mietje) Keizer-Bouwman en zijn schoonzuster Louise Bouwman-Konijn
8. Jet en Simon Creveld-Keizer
9.Joodse Raad-kaart Barend Bouwman
10. Gedenksteentje bij Jan Meerdinklaan 20 voor het echtpaar Barend en Louise Bouwman-Konijn
11. Gedenksteentje voor Raphaël Keizer en Mietje (Mina) Keizer-Bouwman
12. Het blikje met munten dat gevonden werd onder de vloer van Jan Meerdinklaan 20











