Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 356-359 en het Supplement, pagina’s 80-84; gebundeld, gecorrigeerd en aangevuld)
In memoriam:
- Robert Kahn (Hamburg, 22 mei 1931 – Auschwitz, 6 september 1944), bereikte de leeftijd van 13 jaar
Onderduikers:
- Carla Dotsch (Amsterdam, 9 maart 1941).
- Erich Kahn (Hamburg-Duitsland, 11 september 1929 – Sydney-Australië, 6 april 2015)
- Rachel Sippora Ornstein, ongehuwd, lerares (Utrecht, 29 augustus 1919 – geëmigreerd naar Israël)
- Friederike Prüfer, ongehuwd (Wenen-Oostenrijk, 18 november 1924 – Scheveningen, 2 november 2011)
Onderduikgeefster:
- Dina Frederika Johanna Brill-Wolf (Serooskerke, 2 november 1902 – Zeist, 16 december 1974)
Drie nog thuiswonende kinderen (1924, 1933 en 1933) en een zieke echtgenoot
Belangrijke onderduikgeefsters waren de zusters Dina Frederika Johanna Brill-Wolf op Hoog Kanje 5 en haar zuster Bep Wolf op Oranje Nassaulaan 54.
De ouders van de beide zusters waren de gereformeerde dominee Frank Willem Jacob Wolf en Johanna Elisabeth Wolf-Ploos van Amstel. In 1934 waren ze met de ongetrouwde Bep na Wolfs emeritaat in Zeist gaan wonen, op Oranje Nassaulaan 54. Dat zal de reden zijn geweest waarom dochter Dina Brill-Wolf zich in 1939 met haar gezin ook in Zeist vestigde. Dat de zusters Bep en Dina elk tijdens de bezetting onderduik verschaften aan meerdere joodse onderduikers, mag in hun omstandigheden extra bijzonder genoemd worden. Ze hadden namelijk elk de zorg voor een dement of ernstig ziek familielid. Bovendien had Dina Wolf, behalve een wat oudere zoon uit haar eerste huwelijk, twee jonge dochters in huis.
Dina Brill-Wolf moest haar zieke echtgenoot verzorgen. Ze was eerder gescheiden van een neef van moederskant en daarna ‘met de handschoen’ getrouwd met George Brill die in Nederlands-Indië werkte als bestuursambtenaar. Ook dat tweede huwelijk was niet gelukkig geweest en ze was eind jaren dertig naar Nederland vertrokken met haar zoon en twee dochters. George Brill was onder meer assistent-resident titulair in Pangkan Pinang. Hij reisde in 1939 zijn gezin achterna naar Nederland. Ze betrokken uiteindelijk Hoog Kanje 5. Op dat adres zou Brill in 1950 overlijden, maar hij was bij zijn terugkeer geestelijk al niet meer goed in orde en daarmee een lastige patiënt. Dat betekende een zware last voor zijn gezin.
Desondanks wordt er op Hoog Kanje 5 plaats gemaakt voor de kleine Carla Dotsch (1941). Nadat het echtpaar Dotsch-Viskoop heeft besloten om onder te duiken, wordt hun eerste dochtertje Greetje ondergebracht op Hoog Kanje 3. Waarschijnlijk hebben Greetjes onderduikgevers met hun buren gesproken, want wat later brengen studenten haar amper anderhalf jaar oude zusje Carla naar Hoog Kanje 5, bij Dina Brill-Wolf. De onderduik op Hoog Kanje 5 duurt niet lang. Op een dag ziet Greetje Dotsch (5) bij de buren opeens kleine Carla in de box staan. ‘Dat is mijn zusje!’, roept ze enthousiast, en omdat ze dat overal trots rondvertelt, moet de kleine Carla naar een ander adres.
Dat zal het begin blijken te zijn van een ware lijdensweg voor het kind. Eerst wordt Carla naar een vrijgezelle vrouw in Driebergen gebracht, die al twee joodse kinderen onder haar hoede heeft genomen. Dat valt op, een ongetrouwde vrouw met drie kinderen, en de kinderen worden opgepakt. Op het politiebureau worden ze echter door agenten overgedragen aan studenten van het Utrechts kindercomité. Die brengen Carla naar een adres in Utrecht, van waaruit ze naar een adres in Zuilen gaat.
Haar ouders waren eerst samen ondergedoken, maar later werkt Elisabeth Dotsch-Viskoop zogenaamd als huishoudster in Leiden. Haar echtgenoot Samuel Dotsch wordt op 6 februari 1943 geïnterneerd in Kamp Westerbork en drie dagen later gedeporteerd. Hij wordt op 30 april 1943 vermoord in Auschwitz. Dat zal Elisabeth eerst na de bevrijding horen, maar ze ontvangt af en toe wel nieuws over haar dochtertje Carla. Mogelijk verneemt ze ook dat Carla en andere joodse kinderen in Zuilen verraden zijn. Haar jongste belandt in het weeshuis van Kamp Westerbork.
Intussen neemt Dina Brill-Wolf op Hoog Kanje 5 andere joodse onderduikers op. Waarschijnlijk worden ook die aangebracht via buurman Joop Banens op Hoog Kanje 3. Banens heeft goede contacten met het illegaal werk. Op de zolder van zijn woning worden honderden valse persoonsregistraties voor het Zeister bevolkingsarchief in orde gemaakt. Tussen de gezinnen Brill-Wolf en Banens-van Bakergem is een blijvende warme relatie ontstaan.
De eerstvolgende joodse onderduiker op Hoog Kanje 5 is Robert Kahn. In januari 1943 is zijn moeder, de weduwe Gerda Kahn-Bloch, met haar jonge zoons Erich (1929), Robbie (1931) en Harry (1935) ondergedoken in het landhuis ’t Kervel bij Hengelo (Gelderland). Daar zat de jonge student Frank Tichelman ondergedoken, om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. In de eerste weken zijn Robbie Kahn en Frank Tichelman in gesprek met elkaar geraakt. De jonge student heeft de joodse jongen uitgenodigd om met hem mee naar Zeist te gaan, voor een bezoek aan zijn moeder Dina Brill-Wolf, zijn stiefvader en twee jongere stiefzusjes. Het klikt tussen het gezin Brill-Wolf en Robbie Kahn. De Brills vinden het beroerd voor de jongen dat hij veroordeeld is tot een verblijf in de kelder van het landhuis in Hengelo. Hij accepteert hun aanbod, om op Hoog Kanje 5 te blijven, waarna hij aan anderen als een familielid wordt gepresenteerd.
Robbie Kahn komt in mei 1943 en zal zo’n twee maanden in Zeist blijven. De jongen begint in die periode zijn moeder hevig te missen. Hij schrijft haar een brief, waarin hij haar dringend vraagt om hem te komen bezoeken. Moeder Gerda geeft gehoor aan de vraag van Robbie en komt met haar beide andere zoontjes Erich en Harry op bezoek, in de week waarin twee van de jongens jarig waren, Robbie op 22 mei en Harry op 27 mei. Na afloop van het bezoek smeekt Robbie of hij met zijn moeder mee terug mag naar het landhuis in Hengelo.
Daarop vragen de onderduikgevers of de wat oudere Erich (14) Robbies plaats in wil innemen. Daar voelt Erich wel wat voor, na acht weken in de kelder van landhuis ’t Kervel. De uitwisseling van de beide broertjes zal een dramatische beslissing blijken te zijn, die Robbie Kahn het leven zal kosten.
Het landhuis in Hengelo is inmiddels in gebruik als school. Dat betekent dat het ontdekkingsgevaar groot is en daarom mogen de onderduikers er alleen in weekends en schoolvakanties uit. Een arts heeft gewaarschuwd dat er niet genoeg zuurstof in de kelder is en dat het van belang is voor de gezondheid van de onderduikers dat ze af en toe in de frisse buitenlucht komen. Anders zullen er mensen ziek worden. Als er weer gelegenheid is om een luchtje te scheppen, is iedereen blij. De onderduikers mogen in groepjes van vier naar buiten. De kinderen vragen of ze het eerst mogen en daarom wachten Gerda Kahn-Bloch en de andere volwassenen in de kelder op hun beurt.
Het is bijna een jaar na het verjaardagsbezoek van Gerda Kahn-Bloch aan Hoog Kanje 5, op 27 april 1944, dat Robbie Kahn (12), Harry Kahn (8) en Karel Jacobs (13), onder begeleiding van Karels oom Max Jacobs (56) rond middernacht de kelder uitkomen. Het wordt opgemerkt door iemand en verraden. In de kelder horen de achtergebleven onderduikers opeens geweerschoten, kreten en geschreeuw van mannen. Ze verkeren in doodsangst, maar de beheerder van het landhuis heeft de goed verborgen toegang naar de kelder afgesloten. Buiten wordt vijf uur lang gezocht naar andere joodse onderduikers, maar zonder resultaat, en om vijf uur in de ochtend rijden de overvallers met de drie jongens, hun begeleider en enkele stafleden van de school naar het Huis van Bewaring in Arnhem.
Gerda Kahn-Bloch is buiten zichzelf, hysterisch, maar ook volstrekt machteloos. Zij en de andere 15-20 onderduikers worden elders ondergebracht.
Nog onwetend van het gebeurde, vraagt Dina Brill-Wolf de volgende dag aan Erich Kahn om met haar mee te gaan om een zak tarwekorrels op te halen bij een boerderij waar Frank Tichelman aan de slag is geweest. Erich moet helpen om de zak mee te dragen en hij is uitgelaten over dit uitstapje. Ze krijgen een lunch en de boer vertelt dat er de vorige avond in Hengelo bij een geslaagde overval enkele joodse onderduikers zijn opgepakt.
Later die avond rinkelt de telefoon. Dina Brill-Wolf neemt op, wordt lijkbleek en vertelt Erich dat hij weg moet. Hij moet meteen zijn tas pakken. Ze is doodsbang dat zijn broertje Robert bij verhoor iets zal loslaten over zijn vorige onderduikadres in Zeist. Erich Kahn wordt meteen naar Oranje Nassaulaan 54 gebracht, bij Bep Wolf. Een paar dagen later wordt hij opgehaald door een illegaal werker die hem naar een ander adres brengt.
De overval in Hengelo heeft noodlottige gevolgen voor de vier arrestanten. Max Jacobs wordt op 5 mei als strafgeval binnengebracht in Kamp Westerbork (Barak 67) en bij voorrang gedeporteerd. Hij wordt op 22 mei 1944 vergast. De drie jongens worden pas op 23 juni 1944 binnengebracht in Kamp Westerbork. Waar ze in de tussentijd zijn geweest, is niet duidelijk. Op 3 september 1944 moeten ze mee met het laatste transport van Kamp Westerbork naar Auschwitz. Drie dagen later worden ze daar meteen na aankomst vermoord.
Het eerste onderduikertje van Hoog Kanje 5, kleine Carla Dotsch, verblijft dan nog steeds in het weeshuis van Kamp Westerbork. Seraphien Boas-Prins, die een voorlopige vrijstelling van deportatie heeft, werkt af en toe in het weeshuis van Kamp Westerbork en trekt zich het lot van het timide peutertje aan. Na de bevrijding: ‘Op haar ben ik, om het zo maar eens te zeggen, verliefd geworden. Ze was heel klein en sprak niet. Ik haalde haar zo veel mogelijk op uit het kindertehuis, zodat Esther [de dochter van het echtpaar Boas-Prins] en zij samen konden spelen.’ Op zeker moment gaat het gerucht dat de kinderen uit het tehuis op transport moeten. Een beangstigende gedachte voor de verzorgsters. De kinderen worden aangekleed, en naar de trein gebracht, maar het gaat vooralsnog niet door.
Dan vervalt de ontheffing voor het gezin van Seraphien Boas-Prins. Voordat zij op 4 september 1944 op transport naar Theresienstadt gaan, probeert haar man, die ook gek is op kleine Carla Dotsch, te voorkomen dat ze alleen achterblijft: ‘Mijn man die ook dol op Carla was, is nog gaan vragen of wij haar niet mee konden nemen, zodat wij voor haar konden zorgen, in plaats van dat ze moederziel alleen achterbleef. Maar dat mocht niet. Carla heb ik voor ons vertrek toen niet meer gezien.’
Intussen gaat Erich Kahn gedurende een jaar van het ene naar het andere adres, en in die tijd kan of wil niemand de jongen iets vertellen over zijn moeder en broertjes. Kort na de bevrijding, als men hem met zijn moeder herenigt, zullen beiden ontdekken waarvoor ze gevreesd hebben.
Blijkbaar is Robbie Kahn niet uitgebreid verhoord na zijn arrestatie, en in elk geval krijgt Dina Brill-Wolf geen bezoek van de Sicherheitspolizei. Na verloop van tijd durft ze wel weer joodse onderduikers op te nemen.
Zo komt de ongehuwde, lerares Rachel Sippora Ornstein naar Hoog Kanje 5. Zij is een van de dochters van de fysicus Leonard Ornstein die als hoogleraar de natuurkunde aan de Utrechtse universiteit tot bloei heeft gebracht. Ornstein is in november 1940 ontslagen en in mei 1941 overleden. Zijn dochter heeft in 1942 toestemming gekregen om naar Barneveld te vertrekken, waar een select gezelschap van honderden joodse personen bescherming genoot. Sommige geïnterneerden voelden zich bedreigd en vluchtten weg uit Barneveld. Dat was zeker het geval in september 1943, toen besloten was dat de ‘Barnevelders’ naar Kamp Westerbork verplaatst zouden worden. Of Sippora Ornstein daadwerkelijk naar Barneveld is gegaan, en later gevlucht is, is niet bekend. Ook niet wanneer ze op Hoog Kanje 5 komt en of/wanneer ze daar weg gaat. Sippora Ornstein zal na de bevrijding trouwen met de van oorsprong joods-Russische kunstenaar Boris Soloveitchik en met hem naar Israël vertrekken. Ze zal contact blijven houden met Dina Brill-Wolf.
In maart 1945 duikt de uit Zeist afkomstige Friederike (Fritzi) Prüfer onder bij Dina Brill-Wolf, terwijl haar vriend, de uit Oostenrijk gevluchte Dan Kampelmacher een plek krijgt bij Dina’s zuster Bep Wolf op Oranje Nassaulaan 54. Het paar is afkomstig van onderduik in Utrecht. Er wordt eens per twee weken een ontmoeting tussen hen beiden gearrangeerd, waarschijnlijk op Oranje Nassaulaan 54. Fritzi Prüfer blijft tot de bevrijding. Na de bevrijding blijft er contact tussen Dina Brill-Wolf en Fritzi Prüfer, wier ouders weer in Zeist gaan wonen. Fritzi zal trouwen met Dan Kampelmacher die aan het begin van een roemrijke wetenschappelijke carrière staat. Het huwelijk zal geen stand houden.
Carla Dotsch is op 13 september 1944 met de laatste trein uit Kamp Westerbork op transport gesteld naar Bergen-Belsen, samen met 34 andere kinderen uit het weeshuis. Met de kinderen worden vier kampgevangenen als begeleidster meegestuurd. De omstandigheden in de goederenwagon zijn bar en de negen maanden oude baby Henriëtte Delia (Jetje) Hamburger sterft onderweg aan een longontsteking. Een paar maanden later horen de Nederlanders in Theresienstadt dat er een transport met zieke kinderen is aangekomen uit Bergen Belsen. Onder de kinderen bevinden zich Carla Dotsch en twee joodse onderduikertjes uit Zeist, Josje Frankfoorder en Jacky Jäger. Seraphien Boas-Prins bevindt zich met haar gezin nog in Theresienstadt en hoort van een arts dat Carla Dotsch ook bij dat kindertransport zit: ‘Na een paar weken werd de quarantaine opgeheven en mochten wij de kinderen bezoeken. Ik weet niet of Carla ons herkende, want ze sprak nog steeds niet. Maar wij hebben haar vanaf dat moment zo vaak mogelijk bij ons genomen.’
Na de bevrijding van Theresienstadt neemt het gezin de kleine Carla mee naar huis. Onderweg worden ze ingekwartierd in een leegstaand krankzinnigengesticht: ‘Ik herinner me dat het warm was en dat we op het grasveld zaten, dat om het gebouw lag. Carla had nooit iets gezegd, we begonnen ons al af te vragen of ze misschien stom geboren was. Plotseling begon ze te praten, terwijl we op dat grasveld zaten. Ze vertelde dat ze met haar vader en moeder bij mensen in huis was geweest en dat haar vader dood was geschoten, en dat haar zusjes weg moesten. Wij realiseerden ons dat zij waarschijnlijk ouder was dan wij hadden gedacht. Dat bleek ook later.’
Carla Dotsch is op dat moment vier jaar oud. Blijkbaar heeft het meisje van alles opgevangen, want haar herinnering zal niet zo ver terug gaan. Ze is immers al thuis weg sinds ze anderhalf jaar was.
Het echtpaar Boas-Prins wil Carla adopteren, maar haar moeder blijkt nog in leven. Die doet navraag bij ex-gevangenen uit Theresienstadt en weet haar dochtertje zo weer op te speuren. Er blijft een levenslange band tussen de beide gezinnen.
De oorlogservaringen van de kinderen van het kindertransport blijken na de bevrijding geweldige impact te hebben. Josje Frankfoorder komt terug in Zeist en wordt geadopteerd door zijn onderduikgevers. Hij gaat gebukt onder een ernstig trauma. Ook voor Carla Dotsch is de verwerking oneindig zwaar: ‘Later, als ik met mijn moeder over straat liep en een politieman tegenkwam, begon ik te gillen. Ik had altijd nachtmerries.’ Haar moeder stuurt haar naar een psychiater en die laat haar spelen met poppen. Na een jaar zijn de nachtmerries over. Wel houdt ze moeite met leren. Ze zit te dromen en doet haar mond niet open.
Sinds 1961 woont ze in Oroth in Israël, en heet ze Tirza. Ze runt samen met haar echtgenoot Shalom Levinsohn, een immigrant uit Zuid-Afrika, een kalkoenenfokkerij en ze verbouwen druiven en perziken. Over haar verleden wilde ze eigenlijk niet meer praten, vertelde ze in 2001 aan de auteur Daphne Meijer: ‘Ik was nog veel te jong.’
Erich Kahn werd uit het oog verloren. De beheerder van ’t Kervel, Ben de Graaf, die in 1982 het Verzetsherinneringskruis zou krijgen voor zijn hulp aan joodse onderduikers, scheidde na de bevrijding van zijn echtgenote en emigreerde in 1950 samen met Gerda Kahn-Bloch naar Australië. Erich – voortaan Eric – Kahn was naar Angola vertrokken, waar hij was gaan werken voor het bedrijf van zijn vaders familie. In de jaren vijftig volgde hij zijn moeder Gerda Kahn-Bloch naar Australië, waar hij trouwde en vier kinderen kreeg.
Toen Eric Kahn vele jaren later vanuit het buitenland zijn voormalige onderduikadres Hoog Kanje 5 bezocht, was Dina Brill-Wolf al overleden. Zijn bezoek viel op een verdrietige dag. Op vrijdag 28 september 1984 was namelijk het levenloze lichaam van Sonja Brill, dochter van zijn onderduikgeefster, in de bossen bij Driebergen gevonden. Sonja Brill (1934-1984) was een Nederlandse actrice die gehuwd was geweest met de acteur Jules Croiset. Eric Kahn stond voor de deur van Hoog Kanje 5 – toen de woning van Sonja – op de dag van haar crematie.
Daarna was er geen contact meer. Eric Kahn stierf op 6 april 2015 in Sydney. Toen zijn dochter, Robina Fellner-Kahn uit Australië, in zijn laatste levensfase over de oorlogsgebeurtenissen hoorde, besloot ze tot een zoektocht naar informatie over de twee broertjes van haar vader. Daarvoor bezocht ze Nederland, waar ze contact kreeg met Willy Hermans die in 2006 een boek over het drama bij ’t Kervel had geschreven, ‘Adres Kervel-kelder’.
Daarmee komt de voormalige onderduikgeefster Dina Brill-Wolf ook weer in beeld. Na twee ongelukkige huwelijken, en met een zieke man en twee jonge dochters, had zij haar woning opengesteld voor meerdere joodse onderduikers. Dat getuigde van zowel van moed als offervaardigheid. Zij en ook haar zuster Bep Wolf van Oranje Nassaulaan 54 hadden wel het Verzetsherdenkingskruis verdiend.
Bronnen:
- Mededelingen van Jeannette, Hedwig en Vera Banens, Yvonne Lips-Tichelman, Willy Hermans en Robina Fellner-Kahn
- Wikipedia, Leonard Salomon Ornstein respectievelijk Onbekende kinderen in Kamp Westerbork
- Zie verder de bewezen onderduikadresssen Oranje Nassaulaan 54 en Hoog Kanje 3
- Digitaal joods monument, Samuel Dotsch, Harry en Robert Kahn, en Henriëtte Delia Hamburger
- Daphne ‘Meijer, Onbekende kinderen: de laatste trein uit Westerbork’, Mets & Schilt, Amsterdam, april 2001, 74-75, 85-86, 123, 138, 163-164, 167, 174-175
- Zie het bewezen onderduikadres Krugerlaan 7, Josje Frankfoorder en Jacky Jäger Jacky, alias 'Josje en Jacky Jacobi’
- Seraphien Boas-Prins (Amsterdam, 8 december 1913 – Amsterdam, 12 april 2006) en Salomon Pinchas Boas (Amsterdam, 19 april 1913 – Amsterdam, 6 juni 1990). Na de Tweede Wereldoorlog trad Sal Boas op als advocaat en behartigde hij de belangen van Joodse oorlogsslachtoffers. Hij was maatschappelijk betrokken bij voornamelijk joodse aangelegenheden en een echte bestuurder
1. Hoogkanje 5
2. Hoog Kanje 5 (rechts) in vroeger tijden
3. Het gezin Brill-Wolf in Nederlands Indië
4. Dina Wolf als jonge vrouw
5. Sonja en Dini Brill
6. Dina Bril-Wolf en kleindochter Yvonne
7. Landhuis ’t Kervel
8. Het echtpaar Samuel en Elisabeth Dotsch-Viskoop
9. Van links naar rechts Greetje, Carla en Sonja Dotsch
10. Reünie van de onderduikfamilies van Hoog Kanje 3 en 5
11. Robert (links) en Erich Kahn
12. LeonardOrnstein in 1927
13.1 Josje Franfoorter na zijn terugkomst
13. Henriette Delia Hamburger
14. Sonja Brill in een toneelstuk met Herbert Joeks
15. Eric Kahn tijdens zijn beoek aan Hoog Kanje 5 op 28 september 1984
16. De zusters Dina Brill-Wolf (links) en Beb Wolf in Frankrijk
















