Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina 349-356)
In memoriam (elders overleden):
- Hanna Cahn (Arnhem, 10 december 1937 – Bergen-Belsen, 9 april 1945), bereikte de leeftijd van 7 jaar
- Zusje Ruth Cahn (Amsterdam, 13 september 1940 – Extern kommando Lübben, 17 april 1945), bereikte de leeftijd van 4 jaar
Onderduikstertje:
- Gretha Dotsch (Amsterdam, 9 oktober 1937)
Onderduikgevers:
- Johannes Josephus Emérence Banens, gepensioneerd employe van een suikeronderneming in Nederlands-Indië, medewerker Distributiebureau Zeist (Meester Cornelis, 5 juni 1892 – Amsterdam, 19 mei 1971) en
- echtgenote Johanna Francisca Antonia Banens-van Bakergem (Middelburg, 11 februari 1898 – Zeist, 10 juli 1987)
Acht kinderen (1921, 1922, 1924, 1932, 1934, 1936, 1938, 1942)
In de zomer van 1942, al voordat er in Zeist sprake is van georganiseerde onderduikershulp, worden er bij het echtpaar Joop en Jenny Banens-van Bakergem twee kleine joodse meisjes ondergebracht. Hoe het contact tot stand komt, is niet bekend. Het zijn de uit Amsterdam afkomstige Hanna (4) en Ruth Cahn (bijna 2). Hun onderduik mislukt. Hoewel het echtpaar Banens-van Bakergem en hun nog thuiswonende kinderen hun best doen om het plezierig te maken voor de kleine gasten, blijft kleine Ruth hartverscheurend huilen en om ‘mamma’ roepen. De meisjes worden eind augustus 1942 teruggebracht naar Jan van Eijckstraat 11 bovenhuis in Amsterdam:
‘Amsterdam, 26/8 1942
Waarde vrienden!
Hanna en Ruth zijn weer behouden bij ons en ik dank U voor alle liefde, die U voor onze kinderen getoond heeft. U kunt zich voorstellen, dat Ruth niet veel verteld heeft. Zij kwam naar huis, alsof zij maar even weg was. Mamma, Oma en Pappa heeft zij direct herkend. Hanna heeft heel veel te vertellen gehad. Zij sprak van de koeien, van de schapen en van de geiten. Zij vond het zoo mooi op de weide en in de tuin. Zij vind het leuk weer thuis te zijn. “Maar als weer vacantie is, mag ik dan weer naar die lieve menschen?” Wij hebben tegen haar gezegd, dat wij er over zullen aanvragen en ook, of de menschen met Hanna tevreden waren en niet teveel last van hadden. Wij zouden het aardig vinden, als U ons op dezelfde weg terug zult schrijven, zonder, dat Uw naam vermeldt. Wij hopen, spoedig in tijden van vrede Uw naam te hooren en met U kennis te maken.
Intusschen vriendelijke groeten,
Berthold Cohen en echtgenote’
Al een paar dagen later dient het volgende onderduikertje zich aan. Het gezin Elisabeth en Samuel Dotsch-Viskoop heeft een oproep gekregen om zich te melden voor tewerkstelling in het Oosten. In paniek worden er onderduikplaatsen gezocht. Op 1 september 1942 krijgt de bijna 5-jarige Greetje Dotsch van haar moeder te horen dat ze die dag naar aardige mensen gebracht zal worden. Elisabeth Dotsch-Viskoop weet niet of het een gezin of een alleenstaande persoon is en of er kinderen zijn, maar wel dat ze ‘erg, erg, erg aardig’ zijn. Greetje moet niet huilen zolang ze daar is. Ze gaat weg uit huis zonder afscheid te nemen van haar twee zusjes en haar vader. Veel later zal haar moeder haar vertellen dat vader Samuel niet wilde dat zijn dochters hem zagen huilen.
Greetje is de eerste van het gezin, die in onderduik gaat. Twee studenten van een studentenverzetsgroep in Amsterdam onder leiding van Otto de Vaal, zullen haar wegbrengen. Huppelend van plezier gaat het meisje met hen mee, omdat ze weer in de trein mag, die al geruime tijd verboden is voor joodse mensen. Greetje Dotsch is een spraakzaam meisje van vijf, dat in de trein aan iedereen die het maar horen wil, vertelt dat haar ouders en oudste zusje een gele David-ster dragen en dat zij er ook eentje krijgt als ze zes is. Gelukkig zitten er geen verraders om hen heen, zodat ze veilig in Zeist aankomen. Maar het is wel zweten voor haar begeleiders.
Die brengen het meisje naar Hoog Kanje 3. Joop en Jenny Banens-van Bakergem zijn een rooms-katholiek echtpaar dat in Nederlands-Indië heeft gewoond. Ze hebben acht kinderen in de leeftijd van minder dan een jaar tot negentien jaar. De oudste kinderen zitten op kostscholen en hun oudste zoon zal door de Duitsers gevangen worden genomen, en pas na een jaar weg mogen uit Kamp Amersfoort. Het is de bedoeling dat Hoog Kanje 3 alleen als doorgangshuis fungeert voor Greetje Dotsch, maar op Hoog Kanje 3 kunnen ze het niet over het hart verkrijgen om het meisje door te sturen.
Elisabeth Dotsch-Viskoop en haar beide andere dochters Sonja en Carla komen allemaal op verschillende adressen terecht. Elisabeth vindt een onderduikplaats bij een echtpaar in Leiden. Waar haar dochter Sonja naar toe gaat, is niet bekend, maar zij heeft het niet goed op haar onderduikadressen. Aanvankelijk wordt Carla, de jongste, dichtbij haar zusje Greetje ondergebracht, namelijk bij de buren van Joop en Jenny Banens-van Bakergem.
Joop Banens heeft overigens voorzorgen getroffen. Hij is langsgegaan bij de achterbuurvrouw, die lid van de NSB is, en heeft gezegd: ‘Als ik verraden wordt, gaat mijn hele gezin er aan.’ De vrouw zal de onderduikgevers niet verraden. Joop Banens is een zachte man en een lieve vader voor zijn kinderen en onderduikkinderen. Een nicht noemt hem ‘de Heilige Jozef’. Hij raakt betrokken bij de Zeister LO, ongetwijfeld omdat hij tijdens de bezetting op het Distributiebureau werkt, dat geleid wordt door actieve illegale werkers. Joop en zijn ‘pittige’ Jenny beperken zich niet tot het geven van onderduik.
Op de zolder van hun woning wordt ’s avonds flink gefraudeerd. In de zomer van 1943 zijn bij de gemeentesecretarie twee schoolverlaters aangesteld. Het zijn Floor Maljers en Sijke Pool, die elk connecties hebben met illegale werkers. De ambtenaren Jan Schep en Peter van der Werff vragen Floor om lege persoonskaarten weg te halen. Zelf zorgen ze voor blanco persoonsbewijzen. Sijke Pool tikt ’s avonds geheel of gedeeltelijk gefingeerde gegevens op die persoonskaarten en –bewijzen. Dat belangrijke illegale werk doet ze op de zolder van Hoog Kanje 3. Dat adres is waarschijnlijk geregeld door Floor Maljers die bevriend is met een zoon des huizes.
Voor Greetje Dotsch bedenken ze de identiteit ‘Ingrid Maria Theresia Tulleners’, geboren op de correcte datum in Pangkal Pinang, een plaats op het eiland Banka in Nederlands-Indië, waar buurmeisje Sonja Brill van Hoog Kanje 5 geboren is. Aan Joop Banens – door Greetje al gauw ‘vader’ genoemd – nu de lastige taak om zijn onderduikertje ervan te overtuigen dat ze voortaan zo heet. Kleine Greetje gaat volledig in de contramine, maar Joop vindt de juiste, ontroerende manier om haar haar onderduiknaam te laten zeggen. Hij neemt zijn onderduikertje op schoot, kust haar en zegt dat ze helemaal gelijk heeft dat haar echte naam Greetje Dotsch is. Maar ze moet haar valse naam zeggen als mensen haar naam vragen en dan in haar hart, zonder woorden, haar echte naam moet denken.
Nu ze een meer of minder veilige valse identiteit heeft, mag Greetje buiten spelen met de dochtertjes Hedwig en Vera. Dat komt goed uit als Jenny Banens-van Bakergem de beruchte politieman Evert Drost aan de deur krijgt, mogelijk in verband met de noodslachting van een varken. Ze reageert alert en stuurt de kinderen naar buiten om te spelen. In huis zou te veel opvallen dat één van haar pupillen donker haar heeft.
Veel later zal Greetje Dotsch op een ingrijpende wijze vertellen wat onderduiken betekent voor een meisje van haar leeftijd:
‘And then started my double life : outward the obedient little child adjusting to strange family rituals, strange food, strange pronunciation of the Dutch language, and most strange of all, nobody was afraid of going outside in the street while in Amsterdam I had been eyewitness to several razzias (rounding up of suspects). And inwards, the little girl crying for her parents, her sisters, her friends, her neighbours, in short, everything she had known up until then.’
Toch voelt Greetje Dotsch zich duidelijk heel erg thuis bij het onderduikgezin. Samen met Vera, beiden met een brilletje op, krijgt ze onderwijs thuis in de serre van een kennis. Voor de rest van haar leven zal ze over hen als vader, moeder, broers en zussen spreken. Het rooms-katholieke geloof is uiteraard een punt. Als de dochters van het gezin de eerste communie doen, en daarvoor in Bunnik bij een kleermaker mooie kleren aangemeten krijgen, vraagt Greetje aan haar onderduikvader of zij ook de eerste communie mag doen. Het antwoord luidt ‘Als je bij ons blijft wonen.’ Greetje blijft tot het eind van de oorlog op Hoog Kanje 3, met uitzondering van een paar maanden. In die periode wordt ze wegens acuut gevaar ondergebracht in Heerlen, bij een zus van de dienstbode van het gezin Banens-van Bakergem.
Dan komt de bevrijding. Joop Banens gaat als hoofdadministrateur van de Politieke Opsporingsdienst voor Zeist en omstreken werken. Elisabeth Dotsch-Viskoop weet haar drie dochters na maanden zoeken, en met hulp van anderen, terug te vinden. Haar ouders waren al voor de oorlog overleden, maar haar echtgenoot, twee broers, twee zusters en hun gezinsleden zijn vermoord. Geplaagd door grote financiële zorgen, probeert ze haar dochters een normaal leven te geven. Dat lukt ternauwernood. In de loop van de jaren vijftig emigreren de drie dochters naar Israël. Hun moeder zal in 1961 volgen, in 1964 terug naar Amsterdam gaan en in 1965 toch definitief naar Israël vertrekken.
Soms komt de oorlog ineens weer even heel dichtbij. Dat is zeker het geval wanneer dochter Jeannette van de voormalige onderduikgevers in 1953 in haar eerste werkkring kennis maakt met een collega die zich voorstelt als ‘Ingrid Tulleners’. De collega vertelt dat haar (Duitse) ouders zich niet gelukkig hadden gevoeld na de Duitse inval en terug waren gegaan naar Duitsland. Ingrids naam was dus geleend om het onderduikertje op Hoog Kanje 3 te legaliseren.
Gretha Dotsch weer, veel later:
‘During my growing up years I tried not to think too often about my hiding period, but once I had children of my own, living in Israel, the two persons living inside me came to an understanding: It had been necessary to deny acknowledgement of the little Jewish girl I used te be until September 1942.’
Op 9 januari 1979 worden Johannes Josephus Emérence en Johanna Francisca Antonia Banens-van Bakergem door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren (foto’s ceremonie op site Yad Vashem). ‘Ze hebben uitstekend voor Gretha gezorgd’, heeft Elisabeth Dotsch-Viskoop in haar getuigenis aan Yad Vashem geschreven. ‘Als er geen familie van haar de oorlog had overleefd, hadden zij haar geadopteerd.’
Er zal altijd contact blijven tussen Greet Dotsch en de nazaten van haar onderduikgevers. Op een door Greet, die na haar huwelijk de naam Margalit Ben-Ami draagt, als reisleidster verzorgde trip, spreekt zij in een ontroerende toespraak haar dank uit aan de kinderen van het gezin Banens-van Bakergem, ten overstaan van het hele reisgezelschap.
– 0 – 0 – 0 –
Dan mag de tragische geschiedenis van de eerste twee onderduikstertjes niet vergeten worden. Het gezin Cahn-Behr was in 1937 van Frankfurt am Main naar Nederland gevlucht. Op 11 november 1943 is het gezin Cahn-Behr laat in Kamp Westerbork ondergebracht. ‘Via de Weteringschans’ staat op hun Joodse Raad-kaarten genoteerd. De meisjes zijn gescheiden van hun ouders ondergebracht, in barak 66. Precies twee maanden later, op 11 januari 1944, is het gezin doorgestuurd naar Bergen-Belsen. Daar zijn Berthold Cahn op 15 januari 1945, 37 jaar oud, en zijn dochter Hanna (7) op 9 april 1945 gestorven.
Kort na Hanna’s overlijden zijn gevangenen uit het concentratiekamp Bergen-Belsen in drie treinen overgebracht naar het concentratiekamp Theresienstadt. Veel inzittenden hebben deze treinreis niet overleefd.
Ruth Cahn (4) is op 19 april 1945 gestorven op het traject Wittenberge-Berlijn-Lübben, moeder Adele Cahn-Behr (33) twee dagen later op het traject Senftenberg-Schipkau, vlak voor het station Schipkau. Ruth Cahn is ter plekke begraven, op 300 meter voor de spoorbrug bij het dorp Schipkau aan de zuidkant van de spoorrails, ongeveer 30 meter van een wissel.
Adele Cahn-Behr is 350 meter van de spoorbrug bij het dorp Schipkau begraven, bij de wegkruising met de autoweg Dresden-Berlijn.
Bronnen:
- Mededelingen van Hedwig, Jeannette en Vera Banens
- Reddingsverhaal Yad Vashem voor Johannes Josephus Emérence en Johanna Francisca Antonia Banens-van Bakergem
- Brief van 26 augustus 1942 van Berthold Cahn aan het echtpaar Banens-van Bakergem (over onderduik dochtertjes)
- Bij het United States Holocaust Memorial Museum in Washington bevinden zich documenten en foto’s van het gezin Dotsch-Viskoop. Dat materiaal kan echter niet via de website ingezien worden
- Dick van de Kamp, ‘Het verhaal van Sijke Pool. “Ik heb één baan gehad en ontzettend veel meegemaakt”’ (juni 2016), in het Geheugen van Zeist (www.geheugenvanzeist)
- Informatie Kamp Westerbork, Collectie – Een Naam en een Gezicht
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Berthold en Adele Cahn-Behr
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten voor Berthold en Adele Cahn-Behr respectievelijk Samuel en Elisabeth Dotsch-Viskoop
- www.joodsmonument.nl, Berthold en Adele Cahn-Behr en dochtertjes Ruth en Hanna
1. Hoog Kanje 3
2. Brief Berthold Cahn
3. Van links naar rechts Greetje, Carla en Sonja Dotsch nog voor de onderduik
4. Het gezin Banens-van Bakergem in 1942
5. Enkele kinderen Banens en rechts vooraan zittend Greetje Dotsch in de zomer van 1943
6. De bijeenkomst in 1979 waarin de Yad Vashem-onderscheiding voor het echtpaar Banens-van Bakergem uitgereikt werd aan hun nazaten
7. Het echtpaar Banens-van Bakergem in april 1947
8. Van links naar rechts Jeanette, Vera en Hedwig Banens
9. Gretha Dotsch na de bevrijding
10. Een naoorlogs (12 april 1946) kinderfeestje met links Greetje Dotsch
11. Joodse Raad-kaart voor Adele Cahn-Behr










