Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 200-201 en het Supplement, pagina’s 76-78)
Onderduiker:
- Nico Henri Frijda, scholier (Amsterdam, 1 mei 1927 – Amsterdam, 11 april 2015)
Valse persoonsregistratie op naam van:
- Bep van Zanten-Leenders (Menado/Minehassa-Nederlands-Indië, 7 augustus 1926)
Onderduikgevers:
- Adriana Helena IJda van Schaick-Gerritsen, weduwe, voormalig directrice van een inrichting voor ziekenverpleging (Amsterdam, 22 mei 1873 – Den Haag, 4 november 1966)
- pleegzoon George Puchinger, student, illegaal werker (Amsterdam, 1 april 1921 – Lunteren, 15 september 1999)
George Puchinger is de zoon van de ongehuwde, rooms-katholieke Katharina Puchinger, afkomstig uit Bohemen. Zijn eerste jaren heeft hij doorgebracht in een Amsterdams tehuis voor ongehuwde moeders en onverzorgde zuigelingen. Nadat zijn moeder in 1926 overleed, is George Puchinger geadopteerd door de ongehuwde directrice, M.W. Gerritsen, van het kindertehuis, die haar baan opgaf om voor hem te zorgen. Na haar overlijden in 1935 heeft haar zuster, Adriana van Schaick-Gerritsen, de opvoeding overgenomen. Omdat zijn beide pleegmoeders gereformeerd zijn, krijgt George Puchinger een gereformeerde opvoeding.
Na het Christelijk Lyceum in Zeist is de hoogbegaafde jongen in 1940 letterkunde, theologie en later geschiedenis gaan studeren aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Tijdens de bezetting raakt George Puchinger betrokken bij de hulp aan joodse onderduikers.
Zo bemiddelt hij bij de onderbrenging van het echtpaar Karl George Mazur en Anna Zula Mazur-Lecker, ouders van een voormalige medeleerling van het Christelijk Lyceum.
Zelf nemen de weduwe Adriana H.IJ. van Schaick-Gerritsen en haar aangenomen zoon op Homeruslaan 6 de 17-jarige joodse jongen Nico Henri Frijda op. Men heeft hem de valse identiteit ‘Hans de Groot’, geboren in Nederlands-Indië, aangemeten. Zijn moeder is zogenaamd gestorven toen hij drie was, hij is vlak voor de oorlog naar Nederland gestuurd om daar naar de middelbare school te gaan, zijn vader is achtergebleven in Nederlands-Indië en ‘Hans de Groot’ wordt geacht niets van zijn vaders lot te weten.
De onderduik van Nico Frijda op Homeruslaan 6 heeft een voorgeschiedenis. Die geschiedenis kan ontleend worden aan het artikel ‘De korte, onstuimige bloei van Leo Frijda’ van Piet Calis in het literaire periodiek De Gids in 1988. De aanhef van dat artikel luidt:
‘In de vroege ochtend van vrijdag 1 oktober 1943 werd in de duinen bij Overveen de jonge Amsterdamse dichter Leo Frijda doodgeschoten. Hij was toen twintig jaar oud. Enkele straatnamen – de ‘Leo Frijdahof’ in Amsterdam-West en de ‘Frijdastraat’ in Rijswijk – herinneren aan hem. Zijn naam is ook verder nog niet vergeten, maar de kring van mensen die iets meer van hem kennen dan de klank van zijn naam, is maar klein.’ Het artikel beschrijft het uitzonderlijk bewogen leven van de joodse Leo Herman Frijda (Amsterdam, 1 augustus 1923), zoon van hoogleraar staathuishoudkunde en statistiek professor dr. Herman Frijda van de Universiteit van Amsterdam en broer van onderduiker Nico Frijda. Frijda senior was medio september 1938 de promotor geweest, die Koningin Wilhelmina bij gelegenheid van haar 40-jarig regeringsjubileum had bevorderd tot doctor in de economische wetenschappen. Iets meer dan twee jaar later werd hij op last van de bezetter ontslagen en mocht zijn zoon Leo geen medicijnen studeren.
De jonge Leo Frijda werd als onafhankelijk, geniaal en briljant beschouwd door zijn omgeving en hij was bovendien bepaald niet bang uitgevallen. Dat zou tijdens de bezetting blijken.
Onder het pseudoniem Edgar Fossan ging hij actief meewerken aan het illegale, literaire blad ‘Lichting’. Behalve gedichten schreef hij de beschouwing ‘Poëtische synthese’ die tot een polemiek leidde. Daaraan nam ook ‘Unfinished’ deel, pseudoniem van de 21-jarige student George Puchinger die in zijn woonplaats Zeist illegaal werk verrichtte. ‘Edgar Fossan’ en ‘Unfinished’ kenden elkaar dus. Puchinger zorgde voor onderduikplaatsen voor professor Herman Frijda, diens andere zoon Nico en dochter Jetteke. Leo Frijda kende hun onderduikadressen niet. Georg Puchinger fungeerde als contactpersoon voor de post en ander contact.
Voor het eerste nummer van ‘Lichting’, dat uitkwam in november 1942, had Leo Frijda het volgende kwatrijn geschreven:
‘Ik weiger mee te loopen in de rij
En net te doen als zij
Een leven als van alle andre mensen
Is niets voor mij.’
Die gedachte maakte hij volop waar. In de loop van 1942 raakte hij betrokken bij de verzetsgroep cs-6. Die groep was genoemd naar haar zenuwcentrum Corellistraat 6 in Amsterdam-Zuid. Het ouderlijk huis van de Frijda’s lag daar schuin tegenover, op Corellistraat 3, en Frijda kende de initiatiefnemers op nummer 6 daarom goed.
Aanvankelijk hield cs-6 zich bezig met sabotage en inlichtingen, maar begin 1943 werd besloten om vooraanstaande collaborateurs te liquideren. Te beginnen met de zeventigjarige gepensioneerde luitenant-generaal buiten dienst Hendrik Alexander Seyffardt. Deze ex-militair had zich in 1941 bereid verklaard de leiding op zich te nemen over het zogenaamd Nederlands Vrijwilligerslegioen, dat aan het Oostfront tegen de Russen zou vechten. Afgesproken werd dat de aanslag zelf zou worden uitgevoerd door de drieëntwintigjarige rooms-katholieke kantoorbediende Jan Verleun en Leo Frijda. Op vrijdagavond 5 februari 1943 schoten beiden Seyffardt neer en die overleed de volgende dag aan zijn verwondingen.
Kort na de aanslag kwam Leo Frijda naar Zeist, waar een ontmoeting tot stand kwam met zijn zeventienjarige zus Jetteke. In 1988 vertelde Jetteke Frijda daarover:
‘Toen heb ik Leo ontmoet buiten op straat en toen hebben we een uurtje gewandeld en toen zei hij tegen mij: “Ik heb Seyffardt gedood. Ik wil toch dat er iemand is van de familie die dit weet.” Nou, dat was ik dan. En toen zei ik: “Weet je dan wat daar de consequenties van zijn?” Ja, dat realiseerde hij zich heel goed.’ En verder: “Ik herinner me ook dat Leo tegen me zei dat hij eigenlijk niet wist wat hij na de oorlog moest gaan doen. Dat heb ik hem toen ook gevraagd op die dag […]. Want als je dus tot deze daden gekomen bent, kun je dan straks nog opgenomen worden in het normale leven. Dat betwijfelde hij sterk.”’
In april 1943 dichtte ‘Edgar Fossan’ voor de zesde en laatste aflevering van ‘Lichting’ onder de titel ‘Pijl’:
‘Een dankwoord voor dit vergezicht?
Ik weet toch
dat het op een vroege dood gericht
was, en daaruit ontstaan.
De Pijl waarlangs ik vaar
wijst ook daarnaar.
Wij zullen immers allen weldra
ondergaan.’
Het was waarschijnlijk ook in de spannende weken na de liquidatie, dat Leo Frijda nog een brief schreef aan George Puchinger in Zeist, met als aanhef ‘Beste Poes, wat heb je over mijn gedichten voor een besluit genomen? Voor zover betreft de erotische verzen, meer regels te schrappen dan nu, gaat niet. …’
Half augustus 1943 ontving Nico Frijda, die ondergedoken zat in de woning van Puchingers pleegmoeder, Homeruslaan 6, een brief van zijn broer Leo: ‘Als je wilt weten hoe ik leef, kijk dan naar Tchen in Het Menselijk Tekort van Malraux.’ (In deze roman was Tchen een revolutionair, die na een bomaanslag op de auto van generaal Tsjang-Kai-Sjek zelfmoord pleegde.)
Enkele dagen later, omstreeks 20 augustus 1943, werden Leo Frijda en zijn joodse vriendin Irma Seelig (Homburg, 1916) in Amsterdam op straat gearresteerd. Er was verraad in het spel. Op 30 september 1943 werd Frijda ter dood veroordeeld en de volgende dag bij Overveen gefusilleerd. Kort vóór zijn dood schreef hij een afscheidsbrief aan de onderduikgeefster van zijn vader in Leeuwarden:
‘Geachte Mevrouw van Diemen,
Nu mijn gehele familie in Zwitserland is, wil ik U, als oude vriendin des huizes, nog een korte groet zenden. Binnen enkele ogenblikken zal ik worden ter dood gebracht. De pers zal er wel melding van maken. Het is niet onmogelijk dat U in de toekomst Vader, Moeder, Jetteke of Nico nog ontmoet. Veel woorden staan mij thans niet ter beschikking. Zeg hun dat ik sterf zonder angst. Nico zal het gedicht Goya 1941 nog wel kennen. Ik zal het opschrijven. Ik heb goed gevoeld. Ik ben niet gevallen voor een politiek ideaal of zo. Ik sterf en heb gestreden voor mij zelf. Ik heb onbewust het absolute nagestreefd. Het werk maakte eenzaam. Die eenzaamheid wilde ik. Dank Vader, en Moeder voor mijn leven. Het heeft mij veel gegeven. Ik heb niet voor niets geleefd. Dank ook aan Irmchen. Zij is mijn liefste steun geweest, deze laatste maanden.
Mevr. van Diemen gegroet, en tezijner tijd gegroet ook vader, moeder, Jetteke en Nico. Weest niet te lang treurig.
Vaarwel,
Leo’
(‘Irmchen’ oftwel Irma Seelig, ging na haar arrestatie, om haar eigen leven te redden, over tot verraad. Dat kostte Jan Verleun en andere cs-6’ers, die de dans aanvankelijk ontsprongen waren, alsnog het leven.)
Leo Frijda wist dat zijn familie niet in haar geheel in Zwitserland zat. Dat gold alleen voor zijn moeder. Zijn vader zat dus in Groningen en in Zeist zaten zijn broer en zus. Alle Nederlandse kranten brachten het nieuws van de executie van Leo Frijda en zijn 18 lotgenoten op 1 en 2 oktober 1943 op de voorpagina.
Of Jetteke Frijda toen nog op haar (onbekende) Zeister onderduikadres verbleef, is niet bekend. Ze overleefde de bezetting. Was zij de ‘Bep van Zanten-Leenders’, die geboren zou zijn op 7 augustus 1920 in Menado (Minehassa, Nederlands-Indië) en in het bevolkingsregister van Zeist een valse persoonsregistratie kreeg op het adres Homeruslaan 6? De valse persoonsregistratie bevatte een fout: ze zou bij haar huwelijk in Londen dertien jaar zijn geweest. Zie ook het adres PC Hooftlaan 22, alwaar ze als de ongehuwde Bep van Zanten geregistreerd werd, met dezelfde geboortegegevens maar andere ouders.
Op 19 juli 1944 werd Leo’s vader Herman op gearresteerd op zijn onderduikadres in Leeuwarden. Men vindt op hem een brief die zoon Nico hem gestuurd heeft onder zijn valse naam, maar met zijn actuele adres Homeruslaan 6. Deze verzendwijze hebben illegaal werkers Nico Frijda geadviseerd, maar pakt nu toch verkeerd uit. Op 11 augustus 1944 wordt hij opgepakt op Homeruslaan 6 en overgebracht naar de gevangenis De Blokhuispoort in Leeuwarden, waar zijn vader gevangen zit. George Puchinger wordt ook gearresteerd en naar Leeuwarden gebracht. Hij wordt weer vrijgelaten
Als Nico Frijda wordt ingesloten in De Blokhuispoort is de verdenking dat hij een joodse jongen is en de zoon van gevangene professor Frijda. Het is ongetwijfeld de bedoeling om beiden met elkaar te confronteren, maar dat zal er niet van komen om onbekende redenen.
Hij weet wel in welke cel zijn vader zit, op dezelfde verdieping. Op een ochtend loopt hij langs die cel waar zijn vader een dag eerder nog in zat, maar die nu leeg is. Niemand weet dat de man van de lege cel zijn vader was. Op 28 januari 1945 wordt Nico zelf officieel weer uit de gevangenis ontslagen, volgens hem op een heel merkwaardige wijze. Een dokter heeft hem laten opnemen op de ziekenzaal, vanwege een vermeende, ongeneeslijke hartafwijking. Nadat hem van buiten de gevangenis via bewaarders een adres is aangereikt, waar hij naar toe kan gaan, wordt hij ontslagen, met een officiële Ausweis op zijn valse naam. Vermoedelijk is hij vrijgekocht.
Vader Herman Frijda is al op 3 september 1944 vanuit het ziekenhuis van Kamp Westerbork op straftransport gezet naar Auschwitz. Hij wordt daar op 3 oktober 1944 vermoord, een jaar en twee dagen nadat zoon Leo geëxecuteerd is.
Net als zijn moeder Dora Hermance Charlotte Frijda-Frank (1901-1997) en zuster Jetteke (Jetta Sandra) Frijda overleeft Nico Frijda de bezetting in onderduik. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader en wordt hoogleraar bij de Universiteit van Amsterdam, in de psychologische functieleer. Emoties fascineren hem mateloos. Hij probeert de aard ervan te doorgronden. Door zijn persoonlijke ervaringen tijdens de bezetting met de weet hij als geen ander wat emoties met het menselijk bestaan kunnen doen. Zijn visie is dan dat emoties geen bijverschijnselen van gedrag zijn, maar juist de drijfveren van gedrag zijn. Op zijn werk zal voortgeborduurd worden.
Zijn brieven uit de Leeuwarder periode worden later uitgegeven onder de titel ‘Post uit Friesland’. Radio 1 zendt op vrijdag 31 december 1999 een marathoninterview met Arend Jan Heerma uit.
In 2012 verschijnt een film van Robert van Tellingen en Wilfred Scholten over George Puchinger, met de titel ‘God heeft Tijd voor ons’. De film bevat gesprekken met Dries van Agt, Antoine Bodar, Willem Aantjes, Frits Bolkestein, George Harinck, Hans Wiegel, Wim Berkelaar en Nico Frijda. Er wordt dan ook nog gefilmd op Homeruslaan 6, waar men de ‘verstopplek’ vindt, al twijfelt Frijda daar sterk over.
Het belang van dit onderduikverhaal, en dan vooral als het gaat om de rol van Leo Frijda, is dat het aantoont dat er moedige joodse verzetsmensen waren, een onderwerp dat heel lang onbelicht is gebleven.
Bronnen:
- www.blokhuispoort.nl (Post uit Friesland)
- In de rapportenboeken van de gemeentepolitie Zeist is niets gevonden over deze arrestatie
- Mededelingen van Kees Hammink (eerdere bewoner Homeruslaan 6)
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, archief- of persoonskaarten voor Herman en
- Wikipedia, Herman, Leo Herman en Nico Henri Frijda, George Puchinger
- Piet Calis, ‘De korte, onstuimige bloei van Leo Frijda’, in De Gids, jaargang 151, nummer 12, 1988, 887-900.
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Bep van Zanten-Leenders’ en ‘Bep van Zanten’
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joods Raad-kaart voor Herman en Dora Hermance Charlotte Frijda-Frank
- www.mariskakret.com, Tien jaar na Nico Frijda, Hoe staat het met het emotieonderzoek?
1. Homeruslaan 6
2. Georg Puchinger in 1940
2a. George_Puchinger 1969), voormalig jodenhelper, werd een bekende wetenschapper
3. Leo Frijda
4.1 De Joodse Raad-kaart van Herman Frijda
4. Professor Herman Frijda
5. Van links naar rechts Leo, Nico en Jetteke Frijda omstreeks 1928
6.1 Leo Frijda
6. Het bericht over de executies op de voorpagina van alle dagbladen, bijvoorbeeld in De Zuid-Willemsvaart op 2 oktober 1943
7.1. De valse registratie van ‘Bep Leenders’ op Homeruslaan 6
7. Jetteke Frijda
8. Professor Nico Frijda op latere leeftijd











