Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Het Onderduikboek, zie pagina’s 97-100, en het Supplement pagina 73; aangevuld)
In memoriam:
- Asser Schavrien, kleermaker (Amsterdam, 4 juli 1908 – Sobibor, 2 juli 1943), bereikte de leeftijd van bijna 35 jaar
- Nico Menko, ongehuwd, schoenmaker (Arnhem, 1 juni 1918 – Sobibor, 2 juli 1943), bereikte de leeftijd van 25 jaar
Onderduikgeefster (gearresteerd en bestraft):
- Lammegien Geertruida Knuttel-Koch, weduwe, zonder beroep (Amsterdam, 12 april 1893 – Zwolle, 9 maart 1976)
Drie zoons (1919, 1920 en 1921)
Ten tijde van de Duitse inval in Nederland woont de weduwe Gien Knuttel-Koch bijna een half jaar op Harmonielaan 3. Ze is daar vanuit Oegstgeest naar toe verhuisd, na het overlijden van haar echtgenoot. Het is een actieve vrouw die zowel in Nederlands Indië – waar haar gezin tot 1931 heeft gewoond – als in Nederland spreekbeurten heeft gehouden over het spiritualisme. Bijvoorbeeld over de ‘diep religieuze betekenis’ daarvan.
Als de deportaties begonnen zijn, neemt de weduwe joodse onderduikers in huis. Omstreeks augustus 1942 duikt de 34-jarige Amsterdamse kleermaker Asser Schavrien bij haar onder. Zijn echtgenote Marianne Schavrien-Blom en hun dochtertjes Judith en Roosje zijn aanvankelijk elk op een andere plaats ondergedoken. Kleine Judith Schavrien ziet haar vader nog een keer op zijn onderduikadres in Zeist. Ze krijgt dan het boekje ‘Bloemen’ van Rinke Tolman. De zuster van Asser Schavrien, Hendrika Penha-Schavrien, zit ook in Zeist ondergedoken en zal daar de bezetting overleven.
Eind mei 1943 krijgt Asser Schavrien gezelschap van de 24-jarige vrijgezelle joodse schoenmaker Nico Menko. Hij is afkomstig uit Arnhem, waar zijn moeder, de weduwe, Gesina Menko-Herschel een winkeltje met dumpgoed heeft gehad. Ze verkocht onder meer bidons en riemen. Van versleten legerschoenen werden de zolen los verkocht op de markt. Nico is deels opgegroeid op in het Utrechtse weeshuis.
Zijn tweelingbroer Salomon is al opgepakt tijdens een razzia op 7 en 8 oktober 1941 in Gelderland en op 14 oktober in Mauthausen om het leven gebracht.
Nico Menko zelf heeft vanaf 14 augustus 1942 met 120 andere joodse mannen in het werkkamp De Witte Peal bij het Friese Sintjohannesga gezeten, waar ze ontginningswerkzaamheden moesten verrichten. Het kamp is in de nacht van 2 op 3 oktober ontruimd en alle mannen zijn tussen 3 en 5 oktober naar Kamp Westerbork gebracht, bestemd voor deportatie op 12 oktober. Nico Menko is echter ontkomen aan die deportatie en op een of andere manier uit het kamp gekomen.
Zijn moeder en zijn twee jaar oudere, ook ongehuwde zuster Betsie zijn op 18 november 1942 binnengebracht in Kamp Westerbork en zes dagen later op transport naar Auschwitz gegaan. Zijn moeder is na aankomst op 27 november 1942 vermoord. Zijn zuster Betsie heeft op 18 januari 1943 nog een brief vanuit Birkenau gestuurd, maar is op 31 januari eveneens omgebracht in Auschwitz.
Dat weet Nico Menko dan waarschijnlijk nog niet, want zelf is hij dus ondergedoken.
Gien Knuttel-Koch en haar beide onderduikers worden verraden. Door wie is niet bekend. Op vrijdag 11 juni 1943 verschijnt om half negen ’s avonds opeens de NSB-politieman Evert Drost met enkele helpers bij het huis, allen in burger gekleed. Drost heeft de leiding en laat het huis omsingelen. De weduwe en haar onderduikers bevinden zich in de keuken. Zodra ze het onraad bespeuren, proberen Asser Schavrien en Nico Menko te vluchten, maar ze zijn kansloos. Ze worden door Drost, die met een revolver dreigt, en zijn assistenten in een kamer gedreven. De weduwe wordt apart gezet en als onderduikgeefster ondervraagd door Drost. Hoewel Drost zich niet verlaagt tot mishandelingen, is hij zeer brutaal in zijn optreden.
In het huis verblijft op dat moment ook een logee van de weduwe voor de Pinksterdagen. Deze onschuldige logee (zal na 40 uur vrijgelaten worden), de weduwe en de beide onderduikers worden gearresteerd en omstreeks middernacht overgebracht naar het politiebureau in Zeist en daar in cellen gezet.
Op het bureau wil Evert Drost weten waar de valse persoonsbewijzen vandaan komen. Het verhoor verloopt rustig. Hij noteert in zijn Duitstalige proces-verbaal als reden voor het onderduikgeven door de weduwe: ‘aus Jumanisme’. Zij had kunnen zeggen, zoals gearresteerde onderduikgevers vaak doen, dat ze niet wist dat haar gasten joods waren. Maar dat doet ze dus niet.
Op dinsdagmiddag 15 juni 1943 worden Gien Knuttel-Koch, Asser Schavrien en Nico Menko om 12.30 uur per tram en trein naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam gebracht*.* De twee onderduikers worden geboeid. Evert Drost heeft tegen de weduwe gezegd dat ze veel kleding mee moet nemen en waarschijnlijk naar Polen doorgestuurd zal worden. Als onderduikgeefster moet ze dezelfde straf ondergaan als de joodse onderduikers. Drost laat haar de hele tijd zelf sjouwen met haar zware bagage.
Na aankomst bij de Sicherheitspolizei vindt er een kort eerste verhoor plaats, waarbij Drost aanwezig blijft. Ook tegen haar Duitse ondervragers windt Gien Knuttel-Koch er geen doekjes om. Ja, ze wist dat Assser Schavrien en Nico Menko joodse mannen waren en heeft ze bij zich laten onderduiken omdat zij dit als christenplicht voelde. De reactie is kort: ‘Naar de cel.’ Na dat korte verhoor ziet ze haar onderduikers niet meer. Ze wordt nog dezelfde dag naar de gevangenis aan de Amstelveenseweg in Amsterdam gebracht. Terwijl ze daar zit, worden Asser Schavrien en Nico Menko op 29 juni naar Kamp Westerbork gebracht, Nico dus voor de tweede keer. In plaats van opsluiting in de strafbarak (67) moeten ze diezelfde dag op transport naar Sobibor. Na aankomst op 2 juli 1943 worden de beide mannen meteen vermoord. Nico Menko als laatste van zijn ouderlijke gezin.
Gien Knuttel-Koch is onkundig van het lot van haar voormalige onderduikers. Zelf wordt ze op 2 augustus 1943 overgebracht naar Kamp Vught. Op 10 december 1943 mag ze naar huis, na zes maanden beroofd te zijn geweest van haar vrijheid. Het eten was slecht in Kamp Vught, maar verder is ze daar behoorlijk behandeld, vermoedelijk ‘uit eenig respect voor mijn grijze haren’.
Als bericht van Asser Schavrien en Nico Menko, waarmee ze een goede relatie onderhield, na de bevrijding uitblijft, beseft ze dat beide mannen niet meer in leven zijn.
Na Asser Schavrien worden ook zijn echtgenote en dochtertjes op hun onderduikadressen gearresteerd. Marianne Schavrien-Blom wordt op 17 juli binnengebracht in Kamp Westerbork, op 20 juli gedeporteerd naar Sobibor en na aankomst op 23 juli 1943 meteen om het leven gebracht, drie weken na haar echtgenoot.
Hun dochtertjes Judith en Roosje Schavrien zijn apart ondergebracht en worden op 19 juni 1944 respectievelijk op 17 mei 1944 gearresteerd. De meisjes worden in kamp Westerbork opgesloten in strafbarak 65 (Roosje) en 67 (Judith). Op 13 september 1944 moeten ze mee met het transport ‘Unbekannte Kinder’ naar Bergen Belsen. Vanuit dat kamp gaan ze naar Theresienstadt. De zusjes overleven die deportatie. Judith Schavrien zal later herinneringen schenken aan het United States Holocaust Memorial Museum.
Van het ouderlijke gezin van Asser Schavrien overleeft alleen zijn zuster (in Zeist). Ook de ouders van Marianne Schavrien-Blom en drie broers met hun gezinnen zijn vermoord – haar vierde broer overleeft het concentratiekamp, maar zijn echtgenote en twee zoontjes zijn ook omgebracht.
– 0 – 0 – 0 –
Gien Knuttel-Koch is vanaf 1945 adjunct-directrice van het kinderhuis Jeugdzorg in Zandvoort. Op 25 oktober 1948 is ze een van de 32 getuigen in het proces tegen oorlogsmisdadiger Evert Drost die ter dood zal worden veroordeeld.
Bronnen:
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CAB), inventarisnummer R 700 II-62533 en BvRC 847/48, dossier E.C. Drost
- www.delpher.nl, krantenberichten met aankondigingen van lezingen door mevrouw Knuttel-Koch
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Gesina Menko-Herschel en haar kinderen Betsie, Salomon en Nico Menko en voor Asser Schavrien, Marianne Schavrien-Blom en hun dochtertjes Judith en Roosje
- Digitaal Joods Monument, Gesina Menko-Herschel, Betsie, Salomon en Nico Menko (informatie uit Margo Klijn, ‘De stille slag: Joodse Arnhemmers, 1933-1945’, Westervoort, 2003)
- joodsewerkkampen.nl, De Witte Peal
- Zie de bewezen onderduikadressen Dalweg 26 en Verlengde Slotlaan 26 voor de onderduik van Hendrika Penha-Schavrien
1. Harmonielaan 3
2. Marianne Schavrien-Blom in 1939 met haar dochters Roosje en Jetty. Dit was de enige foto die Roosje en Jetty later van die tijd hadden
3. De cover van het boekje Bloemen van Rinke Tolman
4. Notitie van Judith Schavrien in het boekje Bloemen
5. ‘Unbekanntes Kind 26’ Roosje Schavrien
6. NSB-politieman en fanatiek jodenjager Evert Drost
7. Judith of Jetty Schavrien op 12-jarige leeftijd na de bevrijding
8. Aankondiging van een wijdingsmorgen met Gien Knuttel-Koch in het Haarlem’s Dagblad van 15 februari 1945
9. Roosje Stegman-Schavrien overleed op 26 maart 2020, zonder dat ze ooit de toedracht van de arrestatie van haar vader had gehoord








