Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 115-118)
In memoriam:
- Anna Rosina van Kreeveld, ongehuwd, mantelnaaister, kleermaakster (Amsterdam, 25 mei 1910 – Sobibor, 23 juli 1943), bereikte de leeftijd van 33 jaar
Onderduikgevers:
- Wouter van Soest, tijdens de bezetting werknemer van het gasbedrijf Zeist (Zeist, 25 april 1903 – Zeist, 22 oktober 1958), en
- echtgenote Mattje Almuth van Soest-Hanssen (Leer – Duitsland, 13 april 1903 – Zeist, 18 december 1990)
- (schoon)zuster Teuntje van Soest, tijdens de bezetting ongehuwd, huishoudster, dienstbode en keukenmeisje (Zeist, 18 oktober 1911 – Nieuwegein, 15 december 1988)
Teuntje van Soest uit Austerlitz werkt als keukenmeisje in Amsterdam, als ze de ongehuwde joodse Anna van Kreeveld leert kennen. Anna is de (schoon)zuster van de buren van Teuntje van Soest in de Dusartstraat, het echtpaar Willem en Aaltje Blok-van Kreeveld. De beide vrouwen kunnen goed met elkaar opschieten. Eind juni 1943 moet Anna, die van beroep naaister van militaire kleding is geweest, onderduiken. Teuntje brengt haar dan onder bij haar broer Wouter van Soest en diens van origine Duitse echtgenote Mattje van Soest-Hanssen, op Gramserweg 43 in Austerlitz.
Anna van Kreeveld heeft een vals persoonsbewijs op naam van ‘Paulina Wilhelmina Vittali, weduwe van L.G. van der Meulen’. Haar achternaam heeft ze geleend van een familielid van haar zwager Willem Blok, een niet-joodse artiest. Die Italiaans aandoende, valse identiteit moet waarschijnlijk een wat donker uiterlijk verklaren. De onderduikster is zogenaamd lang ziek geweest en wil daarvan bijkomen in een landelijke omgeving. Haar onderduikgevers kennen haar als ‘Paula van der Meulen’, maar ze weten dat hun pensiongast in werkelijkheid een joodse onderduikster is. Het klikt ook hier met ‘Paula’ die vijf gulden per week aan kostgeld betaalt en meehelpt in de huishouding.
Het duurt zo’n drie weken, totdat ook dit onderduikadres verraden wordt. Op zondagochtend 11 juli 1943 staat de ‘schrik van Zeist’ Evert Drost omstreeks half tien opeens op de bovenverdieping van Gramserweg 43 voor Mattje van Soest-Hanssen en haar onderduikster.
De politieman is in burger gekleed, en blijkbaar nogal zeker van zijn zaak, want hij vraagt op ruwe toon aan de vrouw des huizes wie zij is. Als ze haar naam gezegd heeft, vraagt hij op zeer ruwe toon aan Anna van Kreeveld: ‘En wie bent U dan?’ Ze moet haar persoonsbewijs geven en Drost houdt dat tegen het licht, om te zien of het vals is. Daarop vraagt hij aan de onderduikgeefster of ze wel weet dat dat deze vrouw een jodin is, wat Mattje van Soest-Hansen ontkent. Drost start een verhoor en na enige tijd zegt Mattje: ‘Het lijkt wel of zij een moord op haar geweten heeft.’ ‘Ja, het is nog veel erger, want het is een jodin!’, is de reactie.
Als Anna van Kreeveld naar het toilet moet, controleert Drost eerst of zij niet door een raampje kan ontsnappen en vervolgens houdt hij voor de deur de wacht. Anna moet al haar kleding inpakken en Drost laat haar het godganse eind naar het bureau van politie in Zeist lopen – meer dan 8 kilometer en anderhalf uur – waarbij ze waarschijnlijk haar eigen bagage moet sjouwen. Omstreeks twaalf uur komen ze bij het bureau aan.
In het dagrapport van zondag 11 juli 1943 noteert E.C.D. (Drost):
‘12 uur In perceel Gramserweg 43, Austerlitz aangehouden de jodin Anna Rosina van Kreeveld, geb. 25 mei 1910 te A’dam, naaister, won. Nieuwe Keizersgracht 70 te A’dam, in passantenkamer.
Tevens aan de gasfabriek aangehouden bewoner perceel Gramserweg 43 Wouter van Soest geb. 25 april 1903 te Zeist, opperman geplaatst in cel 10. Blijven ter besch. SIPO.’
Wouter van Soest werkt bij het gasbedrijf aan de Steinlaan te Zeist. Daar wordt hij die ochtend om half twaalf gearresteerd door een hem onbekende, geüniformeerde politieman. Op het bureau hoort hij dat hij verdacht wordt van het geven van onderduik aan een jodin. Dat ontkent hij stellig tijdens zijn verhoor door Drost. Als hij geweten had dat zijn pensiongast een jodin was … Kennelijk liegt Van Soest overtuigend. Als zijn zuster op maandagavond om tien uur vrijwillig op het bureau komt, om te verklaren dat zij de pensiongaste heeft gebracht, mag hij namelijk naar huis:
‘22 uur W. van Soest Sipo heengezonden.
22 uur Verscheen vrijwillig Teuntje van Soest, geboren te Zeist, 18-10-1911, keukenmeisje won. Dusartstraat 9 huis te A’dam. Voor Sipo.’
Teuntje van Soest verklaart dat ze ‘Paula van der Meulen-Vitalli’ heeft leren kennen bij het gezin Blok op Dusartstraat 7 in Amsterdam. Net als haar broer heeft ze werkelijk gedacht dat het om een weduwe ging, die lang ziek was geweest en voor haar herstel een tijdje in een landelijke omgeving wilde zijn. Als ze geweten had dat het een jodin was, had ze zich daar niet mee ingelaten. Ze heeft een grote haat tegen joden, altijd al. Het is de verloochening – een soort Judas-rol – waarmee onderduikgevers zichzelf onheil kunnen besparen. Teuntje van Soest liegt overtuigend over haar vriendschap met Anna van Kreeveld, maar moet toch eerst nog mee naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam.
Tot geluk van broer en zus Van Soest houdt ook Anna van Kreeveld zich zelfs onder deze ellendige omstandigheden stug aan de afspraken. Zoals ze tegen Drost verklaart, heeft ze zich bij de kennismaking met Teuntje van Soest in Amsterdam voorgedaan als de ‘weduwe Van der Meulen-Vittali’ die na lange ziekte voor herstel enzovoorts. Ze had nooit verteld dat ze joods was en had ook geen ster gedragen. Op dinsdag 13 juli worden zij en Teuntje van Soest om 13.00 uur door Evert Drost en een collega naar de Sicherheitspolizei gebracht.
Blijkbaar houden de beide vrouwen zich ook bij de Sicherheitspolizei aan hun lezing. Daarom komt Teuntje van Soest na een paar dagen weer vrij. Van Anna van Kreeveld wordt niets meer vernomen in Austerlitz, wat een slecht teken is, want, zoals Mattje van Soest-Hanssen na de bevrijding zal verklaren: ‘Wij konden heel goed met elkaar en ik denk dat zij ons wel geschreven zou hebben indien zij terug was gekomen.’
Vier dagen na haar arrestatie is Anna van Kreeveld binnengebracht in Kamp Westerbork. Ze kwam niet in de strafbarak, waar onderduikers doorgaans in belanden, maar ze is ook al drie dagen later op transport gegaan naar Sobibor. Haar ouders, haar enige broer, diens echtgenote en hun twee zoontjes waren daar op 16 juli vermoord. Een week later trof Anna Rosina van Kreeveld hetzelfde lot. Dat is op de dag van aankomst van het transport, op 23 juli 1943, slechts twaalf dagen na arrestatie in Austerlitz.
Haar gemengde gehuwde zuster Aaltje Blok-van Kreeveld doet in het dagblad Het vrije volk van 21 juli 1945 een oproep om informatie over haar gedeporteerde familie.
Bronnen:
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, inventarisnummers 700 II-62533 en BvRC 847/48, E.C. Drost
- Gemeentearchief Zeist, archief 3500, archief van de gemeentepolitie, informatie uit de rapportenboeken
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaart voor Anna van Kreeveld
- Kamp Westerbork, Collectie – Een Naam en een Gezicht
- www.delpher.nl, Het vrije volk van 21 juli 1945, oproep
1. Gramserweg 43 tot en met 49
2. N.S.B-politieman in Zeist Evert Drost, een fanatieke jodenjager
3. Joodse Raad-kaart voor Anna van Kreeveld
4. Aan de overzijde van het voormalige adres van het gezin Kreeveld, Nieuwe Keizersgracht 70, zijn naamplaatjes aangebracht op de kade
5. Advertentie in Het Vrije Volk van 21 juli 1954, waarin om inlichtingen wordt gevraagd
6. Close-up van de naamplaatjes





