Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 103-111)

In memoriam:

  • Emma Simons Cohen, ongehuwd, koopvrouw (Zuidlaren, 1 november 1892 – Sobibor, 2 juli 1943), bereikte de leeftijd van 50 jaar
  • zuster Andriesa Sardiena Simons Cohen, ongehuwd, correspondente, (Zuidlaren, 28 maart 1894 – Sobibor, 2 juli 1943), bereikte de leeftijd van 49 jaar

Eerdere onderduikers (deels kortstondig):

  • Emanuel Nathan Bonnewits, juwelier (Leiderdorp, 26 april 1886 – Rotterdam, 24 maart 1953)
  • echtgenote Rebecca Bonnewits-Blom (Leiden, 9 november 1888 – Australië, onbekend)
  • dochter Mathilde Bonnewits, tijdens de bezetting ongehuwd (Rotterdam, 16 april 1918 – Amsterdam, 2007)
  • dochter Emmy Bonnewits, tijdens de bezetting ongehuwd en voetspecialiste (Rotterdam, 31 oktober 1919 – onbekend)
  • Vega, Zwarte Arie Vega enz.???

In de zomer van 1942 duiken de uit Utrecht afkomstige zusters Emma en Andriesa Simons Cohen onder in het pension van het echtpaar Van Dijk-Kerkhoven, op Oranje Nassaulaan 23. Daar zit verder nog een joods echtpaar dat zich ‘Klessens’ noemt. Via dat echtpaar komen de zusters in contact met de 30-jarige Zeistenaar Philip Kraanhout. Als Kraanhout merkt dat ze graag meer zelfstandigheid willen dan ze in het pension hebben, biedt hij ze een kamer met gebruik van keuken aan. Het is duidelijk dat de zusters over geld beschikken en Kraanhout ziet een mooie deal in het verschiet.

Hij is boekhouder bij de NV Koninklijke Zilverfabriek Gerritsen & Van Kempen en eerder in 1942 illegaal actief geworden. Voor de hulp aan joodse onderduikers is hij gaan opereren onder aansturing van weduwnaar Gerrit Leijte, eigenaar van NV Leijte’s rijwiel- en motorhandel op Tweede Dorpsstraat 32b. Leijte runt een netwerk voor jodenhulp. Helaas hebben sommige van zijn helpers discutabele motieven.

Ook Kraanhout heeft geen overtuigend CV. Hij heeft zich in 1942 eerst nog laten keuren voor de Waffen SS. Volgens zijn verklaring na de bevrijding had hij daar drie redenen voor. Hij had willen weten wat zo’n keuring inhield, hij had willen weten of er pressie uitgeoefend werd op kandidaten en hij had de mogelijkheid willen verkennen van overlopen naar het Russische leger. Dit laatste volgens hem ten bate van de illegaliteit.

Philip Kraanhout heeft aanvankelijk voor Gerrit Leijte onderduikplaatsen in Woudenberg gezocht. Maar vast staat dat Kraanhout soms ook op eigen initiatief handelt.

De joodse juwelier Emanuel Bonnewits uit Pijnacker (Nootdorp) zat vanaf eind juli 1942 met zijn echtgenote en twee van zijn drie meerderjarige dochters ondergedoken in Delfgauw. Bonnewits had een zaak gehad op Sint Jacobsstraat 23 in Rotterdam. Hij repareerde van alles van knopen tot horloges, maar had zich later vooral gericht op goud- en zilverwerk. Hij had zaken gedaan met Gerritsen & Van Kempen en daarbij een goede relatie ontwikkeld met directeur Antonius van Kempen. Die had geld en goederen van Bonnewits in beheer genomen en zette Philip Kraanhout in als koerier. Toen Kraanhout begin augustus 1942 op het onderduikadres was gekomen, om een envelop met geld te brengen, was hij op een lucratief plan gekomen. Hij had Emanuel Bonnewits verzekerd dat hij een betere en veiligere onderduikplaats voor het gezin wist. Daar had Bonnewits wel oren naar en hij besloot in zee te gaan met Kraanhout. Die had de ouders en de oudste dochter voorlopig ondergebracht in Woudenberg. Zelf had hij de jongste dochter voor honderd gulden per maand in huis genomen, op Graaf Janlaan 58, maar dat had hooguit een maand geduurd. Nadat Kraanhout haar in het bijzijn van anderen een paar klappen in haar gezicht had gegeven, was de jonge vrouw bij de rest van het gezin in Woudenberg ondergedoken.

Philip Kraanhout had inmiddels de 30-jarige chauffeur-monteur Emanuel van Driel uit Zeist ingeschakeld. Die wilde ook wel een centje bijverdienen met de handel in persoonsbewijzen en overige onderduikershulp. Het duo had het gezin Bonnewits-Blom van Woudenberg naar een pension in Nijkerk gebracht. Emanuel Bonnewits had daarvoor in totaal 1.100 gulden vooruit moeten betalen. De pensionhoudster had per se de persoonsbewijzen willen zien en was geweldig geschrokken toen ze ontdekte dat ze met joodse onderduikers van doen had. Ze wilde dat ze meteen vertrokken, maar dat zou levensgevaarlijk zijn geweest.

In die penibele situatie had Bonnewits met de onderduikgever in Woudenberg gebeld, en die had geregeld dat ze nog mochten overnachten in het pension in Nijkerk. Maar toen hadden ze weg gemoeten.

De volgende dag had Philip Kraanhout het hele gezin Bonnewits terug naar Zeist gebracht, waar ze twee dagen op Graaf Janlaan 58 waren gebleven. Die tijd had Bonnewits nodig gehad om een terugkeer van zijn gezin naar een eerdere onderduikplaats in hun eigen woonomgeving te regelen. Zijn gezin zou de bezetting overleven. Het avontuur met Kraanhout had ze volgens hun verklaringen twee persoonsbewijzen, enkele distributiebescheiden, het voorschot van 1.100 gulden, de onderduikvergoeding en de helft van de inhoud van een goed gevulde wasmand gekost. Ze hadden daar niets van terug gezien.

Inmiddels had ook de Amsterdamse crimineel ‘Zwarte Arie’ (Adriaan Vega) zich aangesloten bij Gerrit Leijte, die stellig dacht dat Vega betrouwbaar was. Vega was druk in de weer om twee uit Amsterdam afkomstige echtparen, Emanuel en Duifje de Raay-Veerman en hun schoonzoon en dochter Izaäk en Clara Spetter-de Raay, ergens onder te brengen. Hij moest deze joodse onderduikers ophalen in Noord-Brabant en had met Leijte afgesproken dat die voor onderduik zou zorgen.

Vega had eerst het oudere echtpaar opgehaald, en ze naar station Driebergen/Zeist begeleid. Daar hadden Philip Kraanhout en Emanuel van Driel klaar gestaan om de onderduikers over te nemen. Ze hadden 200 gulden gekregen voor de eerste onkosten, maar de twee onderduikers waren vervolgens opgelicht door Van Driel. Die had ze namelijk 500 gulden vooruit laten betalen voor een ruim onderduikadres met faciliteiten, terwijl hij ze door een andere helper van Gerrit Leijte, Bart Diesveld, gewoon in een pension had laten onderbrengen.

Een of twee dagen later was ‘Zwarte Arie’ (Vega) het jongere echtpaar gaan ophalen in Noord-Brabant. Bij toeval was hij op het station Tilburg Bart Diesveld tegengekomen, die de onderduikers kwam waarschuwen dat het in Zeist niet goed was gegaan met het onderbrengen van hun (schoon)ouders. ‘De boel is daar stuk’, volgens Diesveld. Vega had ze toch verder gebracht naar station Driebergen/Zeist, waar ook zij voor 200 gulden overgenomen waren door Kraanhout. Vega had Kraanhout wel aangesproken op de oplichting van het oudere echtpaar.

Kraanhout had meteen naar Van Driel gewezen, die de onderduikers fatsoenlijk had moeten onderbrengen, maar alleen het geld opgestreken had. Daarop hadden Kraanhout en Vega besloten om Van Driel te liquideren. Ze hadden hem – elk met een geladen pistool – het bos achter Graaf Janlaan 58 ingelokt. Toen Van Driel in de gaten had gekregen wat hem te wachten stond, had hij bezworen dat hij betrouwbaar was en dat hij de vier onderduikers zelf in huis zou nemen. De beide anderen hadden hem daarop laten gaan, waarna de geschokte Van Driel als een haas met zijn echtgenote was ondergedoken in Arnhem.

Vega had vervolgens via een contact van Gerrit Leijte een vacantiewoning in Apeldoorn gehuurd voor de beide joodse echtparen. Geen verstandige plek, want het was het zomerhuisje van een elders ondergedoken joods gezin. Bij een inval door de Apeldoornse gemeentepolitie, die op zoek was naar de eigenaren, waren de beide echtparen gearresteerd, maar had ‘Zwarte Arie’ weten te ontsnappen. In de wetenschap dat hij gezocht werd voor zwarthandel en illegale activiteiten, had de beroepscrimineel via de Amsterdamse onderwereld een deal gesloten met de Sicherheitspolizei. Hij zou onderduikadressen verraden als men hem verder met rust zou laten. Dat zou ook zijn vriend Gerrit Leijte grote problemen bezorgen.

Philip Kraanhout verdiende intussen goed aan zijn onderduikershulp. In Woudenberg was men er achter gekomen dat hij als tussenpersoon geld afhield van de maandbedragen die de onderduikers betaalden. Zo had het joodse echtpaar Weiler (‘van der Wal’) uit Amsterdam 300 gulden per maand aan Kraanhout betaald voor een onderduikplaats in Woudenberg, maar daar zagen de onderduikgevers ‘slechts’ 225 gulden van. Toen Kraanhout met die praktijk was geconfronteerd had hij 37,50 gulden terugbetaald, met de verzuchting ‘Mag ik dan niets hebben? Ik waag mijn leven toch ook?

Vanaf de zomer van 1942 heeft Kraanhout de zusters Simons Cohen regelmatig in hun pension op Oranje Nassaulaan 23 bezocht en in november gaan de onderduiksters overstag. Voor 360 gulden per maand huren ze op Graaf Janlaan 58 een ruime onderduikplaats. Daar zitten ze in juni 1943 nog steeds. Omdat ze er niet joods uitzien, en blijkbaar over goede persoonsbewijzen beschikken, bewegen Emma en Andriesa Simons Cohen zich ook buiten de deur. Op nummer 50 woont bijvoorbeeld een kennis, waar ze op bezoek gaan en die hen omgekeerd ook heeft bezocht, totdat Kraanhout dit verboden had. Verder bezoekt een kennis uit Utrecht de onderduiksters een keer of vijf. Bij die bezoeken is half juni 1943 al gebleken dat er flinke spanningen zijn ontstaan op het onderduikadres.

De zusters Simons Cohen zijn in goede doen. Ze bezitten effecten en handelen tijdens hun onderduik. Zo hebben ze tegen de zomer van 1943 een partij visnetten voor 2.000-3.000 gulden verkocht aan een Tilburger. Ze hebben kleren, dekens en bontjassen bij zich. Geld is dus geen acuut probleem, maar de hoge maandelijkse kosten staan volgens hen niet in verhouding met de slechte behandeling. Daarom huren ze vanaf gegeven moment alleen nog een kamer voor 240 gulden per maand. Eten doen ze voortaan dagelijks in het Jagershuis.

Maar er is meer aan de hand dan dat. De vrouwen hebben voor hun onderduik een voorraad boter, havermout, zout en zeep laten opslaan bij een expediteur in Utrecht. Philip Kraanhout heeft deze voorraad voor ze opgehaald, maar er slechts een fractie van afgedragen. Klap op de vuurpijl is de verdwijning van een kostbare ring, op 12 of 13 juni 1943. Bij het afwassen heeft een van beide onderduiksters die ring even afgedaan en op een richeltje boven de gootsteen gelegd. Als ze even weg lopen, is de ring verdwenen. Een bezoekster zoekt mee, maar de ring is en blijft weg. De verdenking rust al gauw op Philip Kraanhout. Die oppert dat de ring waarschijnlijk door de afvoer is gespoeld, maar dat is onmogelijk vanwege een roostertje boven de afvoer. Andriesa Simons Cohen laat duidelijk merken dat ze het er niet bij wil laten zitten. Wordt haar dat fataal?

Een week later, op zaterdag 19 juni 1943, bezoeken Emma en Andriesa Simons Cohen hun kennis op Graaf Janlaan 50. Ze vertellen dat Kraanhout en zijn echtgenote de volgende ochtend om zes uur naar Zwolle zal vertrekken voor bezoek aan Kraanhouts broer. Dat is opmerkelijk vroeg, want de trein naar Zwolle vertrekt pas om 8.20 uur uit Amersfoort volgens de kennis.

Op zondag verlaat Philip Kraanhout inderdaad om zes uur zijn woning. Zijn echtgenote is ziek en moet thuisblijven. Kort daarvoor heeft onderluitenant Evert Drost van de gemeentepolitie opdracht gekregen van Sicherheitspolizei in Amsterdam om twee joodse onderduiksters te arresteren die bij Philip Kraanhout zouden verblijven. De opdracht houdt verder in dat hij op zondagochtend vroeg naar Graaf Janlaan 58 moet gaan, zodat hij ook de ‘Ariër’ (Kraanhout) kan arresteren.

Op zondagochtend, de dag waarop in Amsterdam nog een laatste grote razzia wordt uitgevoerd, belt Drost omstreeks 7.00 uur aan bij Graaf Janlaan 58. Hij laat zich vergezellen door vier andere politiemannen, waarvan er enkele in uniform zijn. Drost zelf is in burgerkleding, maar staat met een revolver in zijn hand. Als de echtgenote van Kraanhout de deur opent, zegt hij ‘U heeft mensen in huis en dit zijn joden.

De onderduiksters zijn nog op hun slaapkamer en vluchten door een raam het dak op. Ze moeten weer naar binnen, want er wordt van buitenaf op hen geschoten. Drost loopt meteen door naar boven, en spreekt de vrouwen vrij ruw aan – voortdurend met de revolver in de hand – maar lijkt een slag om de arm te houden. Kraanhouts echtgenote ontkent stellig dat haar gasten joods zijn en dat moet dus eerst nog gecontroleerd worden. Drost stelt vast dat in elk geval hun persoonsbewijzen vals zijn en de vrouwen worden naar het bureau van de gemeentepolitie in Zeist gebracht.

Uit het politierapport van zondag 20 juni 1943:

8.45 uur Door opperwachtmeester Drost aan het bureau gebracht twee vrouwspersonen die aangetroffen waren in perceel Graaf Janlaan 58. Zijn genaamd:

EMMA SIMONS, geb. te A’dam den 1e november 1890, zonder beroep, won. te Amsterdam van Breestraat 28 en ANDREA SIMONS, geb. te A’dam, de 28 maart 1894. In bezit van vervalschte persoonsbewijzen. Geplaatst in passantenkamer. Verzocht aan politie te Zwolle de aanhouding van JOHANNES ADRIANUS KRAANHOUT, geb. te Harderwijk 27-08-1913, van beroep boekhouder, won. Graaf Janlaan 58 te Zeist, die hedenmorgen te 6.30 uur zijn woning heeft verlaten en zich heeft begeven naar Zwolle per trein om in de Bagijnensingel, alwaar een broer, leraar v.d. ambachtschool, te bezoeken.

Bij het verhoor door Drost verklaren ‘Emma en Adrea Simons’ dat ze ongeveer acht maanden op Graaf Janlaan 58 hebben gewoond – dus omstreeks begin november 1942 zijn gekomen – en zich nooit gemeld hebben bij de politie, omdat ze zich verbergen voor de echtgenoot van ‘Andrea Simons’. Ze zijn niet joods, zeggen ze. Drost aarzelt, want de vrouwen zien er volgens hem niet joods uit.

Terwijl Emma en Andriesa Simons Cohen op het politiebureau zitten, vragen ze de politieman Jelle de Ruijter om ondergoed en kleren voor hen op te halen op Graaf Janlaan 58. Als hij daarvan terugkomt, vertellen ze hem dat ze nog 600 gulden en aandelen in huis verstopt hebben en ze dringen er op aan om dat weg te halen. Als de De Ruijter na lang aandringen instemt, schrijven ze een briefje met een opgave van wat er is. Bovendien duiden ze hem een plek aan in het bos bij de Stuifheuvel, waar ze een flesje verstopt hebben met een briefje. De Ruijter gaat naar het bos en vindt op de aangegeven plek inderdaad het flesje met het briefje, waarop de nummers van de aandelen staan. Het is een soort codicil:

Ik geef aan de bezitter van dit briefje:

1 aandeel à fl. 1000 Bat.Petr.Mij.

2 aandeel à fl. 100 Kon.Ned petr.

5 aandeel à fl. 500 Java.Chin.Japanlijn.

Alsmede de inhoud van de hutkoffer en verder baar geld.

In overleg met de – integere – echtgenote van Philip Kraanhout besluit de politieman om de bezittingen van de zusters Simons Cohen achter te laten op Graaf Janlaan 58. Het geld en de effecten zitten daar verstopt achter een balk en zullen later op een bank gezet worden.

Intussen wordt er gezocht naar Philip Kraanhout. Op 20 juni vindt er vanaf 23.45 uur opnieuw een huiszoeking plaats op Graaf Janlaan 58, de volgende ochtend wordt een onderzoek ingesteld in het kantoor van Gerritsen & Van Kempen en diezelfde dag om 23.00 uur weer op Graaf Janlaan 58. Alles zonder resultaat.

Wat betreft Philip Kraanhout zal Drost na de bevrijding een beschuldigende verklaring afleggen over de arrestatie: ‘Kraanhout zelf was toen echter niet thuis, iets wat mij zeer bevreemdde. (…) Ik heb nadien getracht Kraanhout zelf te arresteren, maar dat is mij niet gelukt. Ik kreeg bij de SD geen standje dat ik de Ariër niet gearresteerd had. Het lijkt erop dat Kraanhout deze dames zelf heeft laten arresteren en de tip heeft doorgegeven aan de SD.

Kraanhouts echtgenote bezoekt de gearresteerde zusters verschillende malen, tot die op donderdag 24 juni door Drost en een andere politieman naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam worden gebracht. Daar bekennen ze dat ze de joodse zussen Emma en Andriesa Sardiena Simons Cohen zijn. Hun laatste woonadres was in de Willem Barentszstraat in Utrecht. Na deze bekentenis keert Evert Drost in Zeist terug naar Graaf Janlaan 58, om daar de resterende kleding in beslag te nemen, die hij overdraagt aan de Joodse Raad in Utrecht. Geld, sieraden of effecten heeft Drost volgens zijn latere verklaring niet aangetroffen.

Hij komt nog verschillende keren terug om huiszoeking te doen, maar tevergeefs. Hij krijgt Philip Kraanhout niet te pakken. Als Drost eind juli 1943 vertrekt naar Groningen, durft Kraanhout wel naar zijn woning terug te keren. Hij wordt een jaar later wel gearresteerd, maar voor geheel andere zaken. Volgens het nachtrapport van de Zeister politie van dinsdag 4 juli op woensdag 5 juli 1944 zijn die nacht bij een huiszoeking een radiotoestel en illegale papieren gevonden op Graaf Janlaan 58. Op 6 juli 1944 wordt Philip Kraanhout gearresteerd door leden van de Landwacht en overgedragen aan den Sicherheitspolizei in Utrecht, op verdenking van illegale werkzaamheden. Hij zit ongeveer 8½ maand in de gevangenis aan het Wolvenplein in Utrecht en in Kamp Amersfoort, tot hij op 18 april 1945 weet te ontkomen.

Na de bevrijding treedt Philip Kraanhout op als lid van de Binnenlandse Strijdkrachten. In die hoedanigheid arresteert hij meteen maar zijn buurman op Graaf Janlaan 60. Volgens hem heeft die hem begin juli 1944 verraden. De buurman wordt al gauw weer vrijgelaten en een paar weken later worden de rollen omgedraaid. Dan wordt Kraanhout namelijk zelf gearresteerd door de Politieke Opsporing Dienst voor Zeist en omstreken. De verdenking luidt dat hij zelf zijn joodse onderduiksters verraden heeft. Zijn echtgenote daarover: ‘Ik weet echter zeker, dat mijn man zich hieraan niet schuldig heeft gemaakt.’ Ook zijn schoonvader maakt zich sterk voor hem, maar er is een serie getuigen die hem als onbetrouwbaar en onsympathiek schilderen. Desgevraagd, verklaart opdrachtgever Gerrit Leijte: ‘Alles draaide om geld. Kraanhout bepaalde het bedrag en hield zelf wat achter.

Zelfs zijn voormalige ‘collega’ Arie Vega getuigt tegen Kraanhout dat hij de onderduikers financieel uitgekleed heeft voordat hij ze onderbracht, door een paar maanden pensiongeld vooruit te vragen. Maar niet veel later wordt ‘Zwarte Arie’, die zich na de bevrijding is gaan toeleggen op het chanteren van NSB’ers en leegroven van hun huizen, zelf gearresteerd wegens oorlogsmisdaden.

Alles bij elkaar ziet het er niet zo goed uit voor Philip Kraanhout en daarom besluit hij maar om de benen te nemen. Als er op dinsdagavond 21 augustus om 21.00 uur appel wordt gehouden in het Zeister Slot, dat tijdelijk dienst doet als kamp voor politieke delinquenten, blijkt cel 105/R leeg. Kraanhout wordt echter opnieuw in de kraag gevat en gevangen gezet in het Huis van Bewaring aan het Wolvenplein in Utrecht. Tot een rechtszaak komt het niet. Philip Kraanhout zit vast tot 23 augustus 1946. Op die datum wordt hij voorwaardelijk buiten vervolging gesteld. Wat rest, is een dossier dat laat zien hoe het met zelf-georganiseerde onderduikershulp ook kon gaan.

Kraanhouts echtgenote is na de bevrijding meteen op zoek gegaan naar Emma en Andriesa Simons Cohen. Ze heeft navraag gedaan bij hun zuster en zwager De Witte-Simons Cohen in Bilthoven. Maar die kunnen niets vertellen en al gauw wordt aangenomen dat de zusters niet meer leven.

Dat klopt. Het is heel snel gegaan na de arrestatie. Emma en Andriesa Simons Cohen zijn op 29 juni 1943 overgebracht naar Kamp Westerbork, waarschijnlijk in de nacht van 28 op 29 juni. Ze waren strafgevallen vanwege hun onderduiken, wat inhield dat ze in de strafbarak 67 zijn geplaatst en met het eerste het beste transport weg moesten. En nog op de ochtend van 29 juni ging er een trein naar Sobibor, met de zusters Simons Cohen in plaats van twee anderen. Op de dag van aankomst – nog geen twee weken na hun arrestatie in Zeist – zijn Emma en Andriesa Simons Cohen op de dag van aankomst in Sobibor meteen vermoord, op 2 juli 1943.

Zeven maanden na hun arrestatie, op 21 januari 1944, is beider zuster Marieanna gearresteerd op Oranje Nassaulaan 32. Zij is kort na haar arrestatie vermoord in Auschwitz. Broer Sigmund en diens echtgenote zijn al op 30 september 1942 vermoord in Auschwitz. Hun kinderen en twee gemengd gehuwde zusters hebben de bezetting overleefd.

De namen Philip Kraamhout en Emanuel van Driel zijn om privacy-redenen gefingeerd.

Bronnen:

  • Voornamelijk gebaseerd op Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, dossier ‘Philip Kraanhout’
  • Zie het bewezen onderduikadres 2e Dorpstraat 32b
  • ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Andriesa en Emma Simons Chohen
  • www.joodserfgoedrotterdam.nl/sint-jacobstraat, Emanuel Bonnewits op Sint Jacobsstraat 23
  • Ad van Liempt en Jan H. Kompagnie, ‘Jodenjacht’, 61 (Arie Vega)
  • Kamp Westerbork, Collectie – Een Naam en een Gezicht

1. Graaf Janlaan 58

3. Emma Simons

4. Andriessa Simons

5. Broer en zussen Simons Cohen. Onderste rij van links naar rechts Andriessa, Marianna en Emma

6. De gevreesde NSB-politieman Evert Drost

7. Joodse Raad-kaart Andriesa Simons Cohen

8. Joodse Raad-kaart Emma Simons Cohen

9. Waarschuwing tegen Adriaan Vega in het illegale blad De vrije nieuws centrale van 23 juli 1943