Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Supplement, pagina’s 85-91)
Onderduikertje:
- Harriett Elisabeth Broekman (14 mei 1936)
Onderduikgevers:
- Willem Reeders, architect, bouwkundige, aannemer (Amersfoort, 2 augustus 1892 – Leusden, 31 maart 1980) en
- echtgenote Elisabeth Reeders-Bijtelaar (Amsterdam, 4 januari 1891 – Leusden, 20 april 1968)
Kinderen (1921, 1922, 1923, 1926, 1929, 1934)
Uit opmerkingen op internet blijkt dat Harriett Broekman (1936) als jong meisje ondergedoken zat in Zeist. Ze heeft gedurende twee jaar meegewerkt aan het achterliggende project met drie verschillende scholen. De 11/12-jarige leerlingen hebben op de website inmijnbuurt.org haar mededelingen over haar beleving van de bezettingsjaren als volgt weergegeven:
‘In het begin merkte ik er eigenlijk weinig van. Mijn moeder was een ouwe taaie, dus alles moest en zou doorgaan zoals het daarvoor ook was. De sfeer in huis werd wel steeds somberder merkte ik. Ik had als kind eigenlijk nooit zo het besef dat ik Joods was en dus ‘anders’, maar op een gegeven moment kwamen er ook Jodenwetten. We mochten niet meer naar het zwembad en zelfs het park werd voor ons verboden terrein. Toen merkte ik wel dat er dingen aan het veranderen waren. Ik zat op de Vondelschool, tijdens de oorlog een school voor Joodse kinderen. Iedere dag stond er iemand anders voor de klas. De onderwijzers en kinderen bleven maar verdwijnen en de klas werd steeds leger. Thuis merkte ik ook dat er dingen veranderden. Soms was ons huis vol met mensen die bleven slapen, want na acht uur ’s avonds mocht je de straat niet meer op. Ons huis was eigenlijk altijd gevuld met visite. Dat kan ik me nog goed herinneren. Vaak stond onze woonkamer blauw van de sigarenrook. Ik vond het niet vervelend om Joods te zijn, maar het was in die tijd vooral heel lastig. Vooral omdat Amsterdam juist een mengelmoes van culturen was. Plotseling werd dat anders.’
De kinderen hadden Harriett Broekman nog gevraagd of ze bang was geweest. Daarop had ze onder meer geantwoord dat ze ondanks alles toch wel een hele fijne tijd had gehad bij het onderduikgezin in Zeist.
In een telefoongesprek vult Harriett – ‘met dubbel t, en zonder trema, naar mijn Engelse grootmoeder’ – Broekman in augustus 2020 dat blijmoedige relaas even blijmoedig aan.
Haar ouders en zij woonden in de Hunzestraat in de Rivierenbuurt, maar moesten in 1942 verplicht verhuizen naar het Afrikanerplein 41 III in Amsterdam-Oost. Een deel van de Jodenhoek was tot getto verordonneerd door de bezetter en die had daarnaast drie jodenbuurten ingesteld. Het Afrikanerplein lag in de jodenbuurt Transvaalbuurt en daar had Harriette Broekman het verschrikkelijk gevonden, want er liepen veel mensen die er slecht uitzagen en dagelijks werden mensen opgepakt.
Op donderdag 20 mei 1943 moesten joodse Amsterdammers zich melden in de marechausseekazerne aan de Polderweg. Dat deden ‘slechts’ 750 mensen, tot grote ontevredenheid van höhere SS- und Polizeiführer en Generalkommissar für das Sicherheitswesen, Obergruppenführer Rauter. De volgende dag werd de, een week eerder 7 jaar geworden Harriett alvast in veiligheid gebracht. Dat was op het nippertje, want op 26 mei volgde een grote razzia in het centrum van Amsterdam, waarbij 3.000 mensen werden opgepakt. Daaronder bevonden zich ook haar ouders, Hans (Isaac, 1897) en Annie (1910) Broekman-Koort. Zij wisten op de Polderweg echter op miraculeuze wijze te ontsnappen, terwijl de treinen al klaar stonden. Voor hen begon een ware helletocht langs onderduikadressen. Uiteindelijk doken ze 15 maanden onder bij een prima gereformeerd gezin in Enkhuizen, waar ze de bezetting zouden overleven. Ze wisten lange tijd niet waar hun enige kind was.
De onderduikhulp voor Harriett had een bijzondere oorsprong. Haar grootouders Gerrit (Texel, 1867) en Harriett (Londen, 1870) Broekman-Spijer hadden in de eerste helft van de jaren twintig in de Watergraafsmeer gewoond, aan de Linnaeuskade. Het echtpaar was gastvrij en niet godsdienstig. Twee van de vijf dochters hadden daar een relatie gekregen met niet-joodse jongens, waar ze ook mee getrouwd waren.
Die gemengde huwelijken bleken tijdens de bezetting waardevol voor de rest van de familie. Om te beginnen, verschaften dochter Gretha en haar niet-joodse echtgenoot Willem Pels in hun woonplaats Hilversum onderduik aan het bejaarde echtpaar Broekman-Spijer. Jongste dochter Tiny (Celina) kreeg tijdens de bezetting een relatie met de niet-joodse verzetsman Guus Trestorff, die op 15 juli 1944 overleed aan de verwondingen die hij opliep bij de mislukte overval op het Huis van Bewaring aan de Weteringsschans. En – belangrijk voor deze onderduikgeschiedenis – dochter Henny (Henderina) trouwde met haar niet-joodse buurjongen Cor Buurman, waarmee ze op Amsteldijk 7 een actieve verzetshaard vormde (Guus Trestorff en Cor Buurman waren vrienden). Henny en Cor Buurman-Broekman zouden na de bevrijding elk het Verzetsherdenkingskruis krijgen. Bovendien zou Cor Buurman op 7 juli 1997 postuum erkend worden door Yad Vashem als rechtvaardige onder de volkeren vanwege zijn hulp aan veel joodse onderduikers. Die hulp was begonnen met de onderduik van zijn aangetrouwde nichtje Harriett Broekman.
De voorbereidingen van de onderduik van de kleine Hansje, zoals Harriett werd genoemd, liepen via het Amsterdamse kantoor van Sanatorium Zonnestraal in Hilversum, gevestigd op Amsteldijk 9 (buren van Henny en Cor Buurman-Broekman dus), en via de Zeister dominee Prins, die zijn illegaal werk uiteindelijk zou bekopen met de dood. Op vrijdag 21 mei 1943 kon Cor Buurman zijn nichtje per trein naar Graaf Janlaan 18 in Zeist brengen, bij het echtpaar Reeders-Bijtelaar.
Architect Wim Reeders was geboren in Amersfoort, waar hij was begonnen in het timmerbedrijf van zijn vader. De Amsterdamse Bets Bijtelaar was de dochter van een kruidenier in de Haarlemmerstraat en was verpleegster geweest in het Binnengasthuis. Hun moeders waren zusters, maar dat had Wim Reeders naar eigen zeggen niet belet om tot over zijn oren verliefd te raken op zijn nichtje. Hij was tijdens de Eerste Wereldoorlog onder de wapenen geweest, en daarna waren beiden in het huwelijk getreden, in 1919, ondanks de bezwaren van hun families in verband met de neef-nicht-relatie.
In de jaren waarin Wim Reeders zijn bouwbedrijf had opgezet, was de combinatie bouwer-architect nog toegestaan. Hij had praktijkervaring opgedaan in Zuid-Afrika, maar zakelijk was het daar niet gelukt en begin jaren dertig had het echtpaar Reeders-Bijtelaar zich in Hilversum gevestigd. Van hun verblijf aldaar getuigen anno 2020 nog veel door Wim Reeders ontworpen en gebouwde woningen, veelal gekenmerkt door de stijl van de zogenaamde Amsterdamse School en het gebruik van rode bakstenen (bijvoorbeeld twee woningen bij de ingang van het Mediapark).
De crisisjaren waren niet gemakkelijk voor het bedrijf van Wim Reeders geweest. Op zeker moment wist hij in Zeist vier bouwkavels te bemachtigen, waarop hij woningen liet bouwen. Het daarvoor van een bank geleende kapitaal was echter niet terug te verdienen, want hij kon Graaf Janlaan 12, 14, 16 en 18 niet aan de straatstenen kwijt. Om financiële redenen was het gezin Reeders-Bijtelaar zelf maar op nummer 18 gaan wonen, zodat hun huis in Hilversum kon worden verkocht. Na het bombardement op Rotterdam was de overheid op zoek gegaan naar beschikbare woonruimten en zo konden de leegstaande huizen alsnog te gelde gemaakt worden. Toch brak voor zijn gezin wel weer een lastige tijd aan, want de principiële Wim Reeders hief zijn bouwbedrijf op, om te voorkomen dat hij voor de Duitsers zou moeten bouwen. Bovendien verklaarden hij en zijn echtgenote zich bereid tot het geven van onderduik. Omdat hij Graaf Janlaan 18 zelf had laten bouwen door zijn bedrijf, wist Reeders op elke verdieping van zijn woning wel een paar goede schuilplekken aan te brengen.
De kleine Hansje Broekman vond het een geweldig huis. Ze noemde die 21e mei later haar bevrijdingsdag. Van driehoog-achter aan het beklemmende Afrikanerplein naar een groot, licht huis, met een groot gezin met vijf zonen en een dochter en een groot speelbos in de nabijheid. En ze vond het fijne mensen, volstrekt recht door zee. Ze werd bij het gezin Reeders-Bijtelaar behandeld als een van de kinderen. Op de dag van haar aankomst kwam de jongste zoon Jan om vier uur uit school en zijn moeder vertelde hem: ‘Jan, dit is je zusje Hansje’. En zo zou het altijd blijven, tot aan de dood van Jan Reeders toe.
Voor haar was het echtpaar Reeders-Bijtelaar voor altijd Oom Wim en Tante Bets. Het gezin was streng gereformeerd, maar dat ervoer Hansje niet als een probleem. Drie redelijk atheïstische generaties hadden hun invloed op het onderduikstertje niet gemist en ze nam niet alles voor waar aan: ‘God was overal, werd me verteld. Maar op de wc keek ik om me heen en dacht ik: ‘dat bestaat niet’.
Maar ze las wel de jeugdbijbel stuk, want het was allemaal nieuw voor haar. Af en toe mocht een van de kinderen voorgaan in gebed. Zo ook Harriett en ze mocht twee keer mee naar de Oosterkerk. Daar raakte ze diep onder de indruk van wat er vanaf de kansel gezegd werd. Voorin de kerk zaten geüniformeerde NSB’ers uit huize ‘Houzee’ in Tussen de Dennen, maar desondanks riep dominee Lugtigheid optimistisch: ‘Als de geallieerde tanks eenmaal door Zeist rijden …’.
Ze vond de dominee erg aardig, maar ze had niet geweten dat huishoudster ‘Matzie’ (Martha) van Gelder van haar grootouders Broekman-Spijer ook door zijn bemiddeling ondergedoken zat in Zeist. En evenmin wist ze overigens dat haar nichtje Elly Pop eveneens in Zeist was ondergebracht, op Steniaweg 44. Ook dat was geregeld door beider oom en tante Cor en Henny Buurman-Broekman, die ook zo veel mogelijk voor bonkaarten en geld hadden gezorgd.
Soms kwam er via contactpersonen post van Hansjes ouders, die in Noord-Holland zaten ondergedoken. Ze maakten op hun onderduikadres verhalenboekjes voor haar, waarbij vader Hans Broekman prachtige tekeningen maakte en moeder Annie Broekman-Koort voor de tekst zorgde. In een pakketje zat een keer een lichtblauw jurkje en een tasje, voor na de bevrijding.
Voor het gezin Reeders-Bijtelaar werd de bezetting steeds lastiger. De zoons waren op het laatst nog maar zelden aanwezig op Graaf Janlaan 18. De oudste was ondergedoken bij zijn verloofde in Noord Scharwoude, de tweede werkte als boerenknecht op een boerderij in Holten, de derde – die naar later bleek in het verzet zat – zwierf van hot naar her, en hij zat wel eens met Hansje en de vierde zoon onder de grond.
De enige dochter lag ziek met TBC. Het gezin Reeders kreeg daarom regelmatig bezoek van de collega van dominee Lugtigheid bij de Oosterkerk, dominee Gillebaard.
Dergelijke perikelen hadden geen negatieve invloed op het leven van ‘Hansje Reeders’. Ze vermaakte zich al die tijd opperbest. Er waren weliswaar geen speelkameraadjes van haar leeftijd in de nabije omgeving beschikbaar – aan de ene kant woonden Rijksduitsers en aan de andere kant een kinderloos gezin – maar in de twee jaar oudere Jantje Reeders vond Hansje een prima kornuit om zich buiten mee te vermaken. Niet alleen in het nabijgelegen bos, maar ze begaven zich met z’n tweeën ook herhaald op verboden gebied. Bijvoorbeeld om te schaatsen op de grote vijver van het verboden Heidenstein, waarvoor ze een gat in de omheining maakten. Ze voelde zich best veilig in die tijd: ‘Gek toch, ik was nooit bang en als ik het te koud had gekregen liep ik alvast in het pikkedonker in mijn eentje door het bos terug naar de Graaf Janlaan, die toen nog aan het bos grensde.’
Op het terrein van Woudschoten werden de kleine indringers bijna gepakt, maar ze wisten te ontsnappen door zich in een kast te verbergen. Ze kropen ook Bornia binnen en op het Kerckebosch-terrein zagen ze officieren, die zich geweldig vermaakten. Maar Oom Wim en Tante Bets waren ontzet, toen ze hoorden dat de twee kleine avonturiers onder het hek van De Breul door waren gekropen en daar eens hadden rondgekeken. Dat was namelijk het hoofdkwartier van een belangrijke Duitse militair.
Toch was het echtpaar zelf ook niet angstig aangelegd. In de zomer van 1943 gingen hun kinderen kamperen bij een boer in Holten, later onderduikadres voor een van de zoons. Hansje kon natuurlijk niet mee met dat kampeeruitje, maar in plaats daarvan nam Tante Bets haar per trein mee voor een logeerpartij bij haar halfzuster in Oosterbeek.
De bevrijding kwam. Hansje mocht naar de voorkant van het huis en daar werd een foto van haar gemaakt in het blauwe jurkje dat haar ouders hadden gestuurd. Ze had de oranje fez op, die het onderduikgezin voor deze gelegenheid gekoesterd had. Vervolgens was het wachten op haar ouders. Die kregen in Enkhuizen een paar oude fietsen mee om hun dochtertje op te halen:
‘Die eerste dag kwamen ze tot Hoorn, bij iemand die ik Tante Lies noemde. Zij zat bij het gewapend verzet. Mijn ouders hebben daar nog in 1943 even ondergedoken gezeten, maar omdat haar huis het knooppunt was van de KP (knokploeg) was het er veel te gevaarlijk. Toen Tante Lies vlak voor de bevrijding hoorde dat Hannie Schaft was doodgeschoten, is zij het weiland ingelopen en heeft ze haar wapen in een sloot gegooid. Alle eerbetoon en medailles heeft zij na de oorlog geweigerd. Tot aan haar dood in 2002 hadden we contact en bleven we haar bezoeken.
Enfin, in Hoorn zorgde men voor wat betere fietsen voor mijn ouders, om naar Amsterdam te komen en uit te vinden waar ik was. Ze kwamen ’s middags op 7 mei midden in de stad aan, terwijl daar die vreselijke schietpartij op de Dam aan de gang was. Ze wisten het familiehuis op de Raamgracht te bereiken, waar grote paniek heerste, omdat mijn neefje (net zo oud als ik) naar de Dam was om feest te vieren. Achteraf bleek dat hij in veiligheid was gebracht door een man die hem een portiek in sleurde. Eenmaal in Amsterdam bleek de stad afgesloten. Niemand kon er meer uit. Mijn ouders kregen van het oude verzet witte armbanden, maar dat mocht niet baten.
Zij wisten inmiddels dat ik in Zeist zat en op 10 mei zei mijn vader dat hij toch wel een sluiproute had bedacht. Hij kende de Watergraafsmeer op zijn duimpje en het is ze gelukt via het Gooi naar Zeist te komen, waarbij ze de nodige obstakels moesten omzeilen. Inmiddels was de familie Reeders toch wel nerveus aan het worden. Maar om 10 uur ’s avonds op die 10e mei stonden ze dan toch voor de deur. Ik werd uit bed getrommeld, in mijn mooiste jurk gehesen en toen kwam het weerzien. Alle verhalen van families die het ondergedoken kind niet aan de ouders wilden teruggeven, kinderen die niets met hun echte ouders te maken wilden hebben, al die akelige geschiedenissen gingen hier niet op. Het was één groot familiefeest. En vanzelfsprekend bleven ook mijn ouders heerlijk in huis, tot mijn vader op zaterdag, de 12e, in de gaten kreeg dat echt al het eten op was.
Wij, mijn vader, moeder en ik, zijn die avond op de fiets naar Amsterdam vertrokken. Ergens ter hoogte van Blaricum hoorden we een vrachtwagen aankomen. Het was zo’n Canadese legertruck. Van liften – duim opsteken – wisten we nog niets, dus mijn moeder sprong met de armen wijd midden op de rijbaan. De truck stopte en het bleek een Nederlander in dienst van de Canadezen, op weg naar zijn familie in Amsterdam. De wagen zat al vol met mensen, maar we mochten er toch bij. In Amsterdam stopte de truck uitgerekend midden in wat het door de Duitsers ingestelde joodse getto was geweest, maar waar ook nog altijd niet-joodse armen woonden. De schok was enorm, na het mooie, schone, rustige Zeist: kinderen zonder schoenen, met ontstoken hoofden, broodmager en eigenlijk verwilderd.’
Het was fijn om weer bij haar ouders te zijn die ze ruim twee jaar niet gezien had, maar Harriett Broekman miste het speelparadijs in Zeist wel. Amsterdam ervoer ze nu als saai. In Zeist had ze dagelijks door de bossen gelopen, en nu moest ze wennen aan de betonnen gebouwen om haar heen. Het gaf haar een benauwend gevoel.
Het was ook geen prettige tijd:
‘Ik herinner me de scheldpartijen op de Albert Cuyp nog goed. Al onze spullen waren weg en er was geen hulp. Wat ook veel gebeurde, was dat mensen op spullen van andere mensen ‘pasten’, maar toen de spullen weer terug moesten naar de huidige eigenaar wisten ze van niks en hielden ze alles zelf. Het was confronterend om over straat te lopen. De oorlog was dan wel afgelopen, maar de kennissen die je tegenkwam wisten lang niet altijd of jij als Jood het wel had overleefd. De ‘Je bent er nog!’-praatjes herinner ik me nog goed.’
In de families van haar ouders had de Holocaust veel slachtoffers geëist. De ten tijde van de bezetting nog levende twee broers en twee zusters van grootvader Broekman waren bijvoorbeeld vermoord in Sobibor en Auschwitz. Een van zijn dochters, Neppie (Jeannette), en haar echtgenoot Jef Pach hadden de bezetting ook niet overleefd. Ze waren als strafgevallen – gearresteerde onderduikers – gedeporteerd. Hun baby hadden ze laten onderduiken in Appelscha, bij zeer bevriende, niet-joodse mensen. Na de oorlog wilde ‘men’ alle joodse wezen onderbrengen bij joodse gezinnen onderbrengen. Dit zou – zoals alle betrokkenen wisten – tegen de wil van de ouders geweest zijn. De hele familie Broekman moest toen voor de rechtbank komen getuigen dat het neefje in Appelscha bij de onderduikgevers moest blijven. Met het gewenste resultaat.
Het contact met het gezin Reeders-Bijtelaar bleef. Iedere vakantie ging Hans(je), zoals Harriett voorlopig bleef heten, een week logeren in Zeist, zodat ze het dorp beter leerde kennen.
Wim Reeders stond er na de bezettingsjaren niet goed voor. Zijn bouwbedrijf bestond niet meer en zijn contacten als architect was hij kwijt. Als man van achter in de 50 had hij weinig kans meer op een baan. Het was toen dat het echtpaar Broekman-Koort iets terug kon doen. Via voormalige verzetsrelaties kon de benoeming bewerkstelligd worden van Oom Wim tot opzichter bij de Wederopbouw, rayon Het Gooi. Hij kreeg een auto met chauffeur tot zijn beschikking, tot grote vreugde van zijn jongste kinderen en logee Hansje Broekman, want die mochten in vakantietijd een hele dag meerijden. De feestvreugde werd verhoogd doordat ‘Oom Wim’ in ’s Graveland een koffiehuis had ontdekt, waar ze koffie met slagroom serveerden.’
Hans Broekman kreeg in 1961 in Amsterdam verkering met de student geneeskunde Ira Jack Goldwasser uit New York. Zelf werkte ze in die tijd voor een Amerikaans reclamebureau waar al drie mannelijke Hans’en werkten. Dat werd voor haar Amerikaanse bazen verwarrend, en toen werd er overgeschakeld naar Harriett.
Bij haar huwelijk op 8 juli 1963, met Ira Goldwasser (1939), was onderduikvader Willem Reeders getuige. Hij schonk het paar bij die gelegenheid de oude, veelgelezen jeugdbijbel. Na de periode van wederopbouw was hij zich weer gaan toeleggen op de architectuur, waarbij hij zich specialiseerde in het ontwerpen van boerderijen.
Harrietts echtgenoot Ira Goldwasser had als kind een opleiding gekregen in Afro-Cubaanse en Afro-Haïtiaanse dans en was als 11-jarige al op NBC-televisie verschenen. Uiteindelijk had hij, in plaats van een danscarrière, toch maar gekozen voor het beroep van arts. Nadat hij zijn studie in Amsterdam had afgerond, vertrok het echtpaar Goldwasser-Broekman naar New York City, waar hij zich gedurende acht jaar specialiseerde in de psychiatrie. Echtgenote Harriett werd in die tijd door de VARA gevraagd als radiocorrespondent en vanaf 1970 werd ze aldus actief. Ook bij de VARA vond men Hans of, Hansje te verwarrend, en met het Duits-klinkende Goldwasser kon men ook niets, en zo werd het dus Harriett Broekman.
In New York City kwam Oom Wim Reeders langs. Nadat hij zijn activiteiten als architect had beëindigd, was hij met Tante Bets verhuisd naar een mooi huisje in Leusden. Tante Bets overleed daar in 1968. Voordat weduwnaar Reeders na nog enkele verhuizingen naar ‘het gesticht’ vertrok, zoals hij het bejaardenhuis noemde – hij zou daar in 1980 overlijden – ondernam hij nog een wereldreis, waarbij hij in New York City bij het gezin Goldwasser-Broekman verbleef.
In 1975 keerde het gezin Goldwasser-Broekman, inmiddels uitgebreid met twee kleine dochtertjes, terug naar Amsterdam. Het lijkt een understatement om te schrijven dat Harriett Broekman in Ira Goldwasser een flamboyante echtgenoot had getroffen. Zo manifesteerde hij zich bij protesten tegen de Vietnam-oorlog en vertolkte hij onder meer een weergaloze hoofdrol als de detective Scotty in de no budget-film ‘Lost in Amsterdam’ van Pim de la Parra.
Voor de Multiculturele Amsterdamse Radio en Televisie (MART) verzorgden Harriett en Ira Goldwasser-Broekman, als Dr. and Mrs. Salsa, ‘De Friday Night Salsa Show’. Het programma werd zeer populair en er werden door de KRO-radio, de NOS-radio en de VPRO-televisie programma’s uitgezonden. Het echtpaar heeft zelf altijd gedanst, tot op heden. Op YouTube zijn opnamen te vinden van Dr. and Mrs. Salsa.
Anno 2020 vertelt Harriette Broekman nog steeds met maximale warmte over haar voormalige onderduikgevers Oom Wim en tante Bets Reeders-Bijtelaar:
‘Hoe ik bij de familie hoorde – en nog steeds hoor – is eigenlijk niet in een paar woorden neer te zetten. Die Graaf Janlaan 18 was niet alleen mijn veilige haven en die voor de jongens van het gezin, maar ook voor de kinderen van een hongerend gezin aan de andere kant van Zeist die om de beurt mochten komen eten en de familie die met zijn vieren bij de Slag om Arnhem naar Zeist vluchtten en ook erbij kwamen wonen. Ik heb er zoveel van geleerd. Ons huis is ook altijd open (geweest) voor logees.’
Slotsom:
‘Nog even dit: door al die mensen die zich in de oorlogsjaren met gevaar voor eigen leven voor mij hebben ingespannen voelde ik het altijd als mijn plicht iets moois van mijn leven te maken, nooit te somberen en goed te doen voor anderen waar ik dat kon. Terugkijkend vind ik de missie eigenlijk wel geslaagd.’
Opgewekt voegt ze daar nog aan toe dat ze door haar onderduiktijd geen enkele moeite heeft met de Corona-beperkingen. En tenslotte dat ze via het scholenproject ‘Oorlog in mijn Buurt’ nu twee erfgoeddragers heeft, leerlingen die haar verhaal zullen doorvertellen: ‘Dat geeft een rustig gevoel’. Misschien draagt dit verhaal ook bij aan die gemoedsrust.
Op 3 oktober 2018 liet Harriett Broekman struikelstenen leggen voor haar grootouders echtpaar Benjamin en Betje Koort-Cousin, voor hun voormalige woning Raamgracht 12, en voor haar overgrootmoeder Matje Koort-Jacobs, voor Nieuwe Kerkstraat 33 III.
Op woensdag 15 juli 2026 brengt de inmiddels 90-jarige Harriett met haar echtgenoot en broer een bezoek aan Zeist en aan haar voormalige onderduikadres.
Bronnen:
- Mededelingen van Harriett Goldwasser-Broekman
- Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister
- Stadsarchief Amsterdam, verschillende archiefkaarten
- inmijnbuurt.org, ‘De klas werd steeds leger, onderwijzers en kinderen bleven maar verdwijnen’
- Zie de bewezen onderduikadressen Verlengde Slotlaan 26 en Steniaweg 44
- www.humanitarisme.nl (Marten Cornelis Buurman)
1. Graaf Janlaan 18
2. Harriett met haar onderduikgevers
3. Harriett met speelmaatje Jan Reeders
4. Schaatsen op de grotevijver van Heidenstein
5. Het gezin Reeders-Bijtelaar in 1946
6. In de NRC werd in mei 2012 een reprise van de bevrijdingsfoto gearrangeerd. Op de originele foto zat het nummer scheef en Ira Goldwasser heeft voor de herhaling van papier ook weer een scheef nummer gemaakt
7. Het gezin Reeders-Bijtelaar tijdens Kerst 1962
8. Ira Goldwasser tekent op 21 februari 1968 de petitie tegen de oorlog in Vietnam
9. Harriett Broekman op 15 juli 2026 voor haar voormalige onderduikadres








