Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 370-377)

Onderduikers:

  • Eva Denneboom-Nathans, gehuwd (Vries, 20 februari 1896 – Haifa – Israël).
  • dochter Hertha Denneboom (Leek, 2 maart 1932)

Valse persoonsregistratie op naam van:

  • Hendrika Cornelia van Remmerden (Hamburg, 16 juli 1928)

Helpers:

  • Ferdinandus Martinus Bosschart, vertegenwoordiger (Rotterdam, 30 maart 1903 – Zeist, 15-december 1982), en
  • echtgenote Agatha Johanna Bosschart-van der Zwalm (Rotterdam, 8 december 1904 – Zeist, 23 november 1983)

Kinderen (1937, 1941)

Onderduikgevers:

  • Jan Versluis, onderwijzer (Bodegraven, 30 augustus 1881 – Zeist, 17 september 1975), en
  • echtgenote Aaltje Jannigje Versluis-Trouw (Zuid-Beijerland, 8 juni 1881 – Zeist, 20 januari 1960)
  • dochter Mina Gabriëlle Alida de Vries-Versluis (Wilnis, 15-06-1914)

Bij de Duitse inval zijn Hertha Denneboom en haar zus Selma 9 respectievelijk 14 jaar. Hun ouders proberen in 1940 met ze naar Engeland te vluchten, maar het is al te laat. Als ze bij familie in Rotterdam zijn, maken ze daar het bombardement mee. De weg naar Engeland is afgesneden voor ze.

Ze gaan terug naar huis in Leek, waar ook zij ervaren dat het leven snel verandert voor joodse mensen. De kleding- en manufacturenzaak Denneboom van vader Herman Denneboom en zijn broer Bram wordt in 1941 gesloten. In de hoedenkamer van de zaak vieren ze op 5 oktober van dat jaar nog wel de verloving van hun oudere zus Duifje. Maar de anti-joodse maatregelen volgen elkaar snel op.

En dan komt het moment dat joodse mannen tussen de 18 en de 55 jaar zich moeten melden voor de werkkampen. Als Herman Denneboom de oproep op 7 juli 1942 krijgt, zien zijn dochters hem zenuwachtig bij de haard zitten. ‘Het is niet erg, we gaan naar een werkkamp’, zegt hij met tranen in zijn ogen. Zijn dochter Selma neemt zich dan voor niet meer te lachen tot ze weet wat haar vader in dat werkkamp zal overkomen.

Eva Denneboom-Nathans wacht de verdere gebeurtenissen niet af. Op aanraden van een familielid besluit ze onder te duiken met haar dochters Hertha en Selma. Die beslissing zal ze het leven redden, want de bezetter zal de mannen in de werkkampen in oktober 1942 ‘herenigen’ met hun gezinnen in Kamp Westerbork, om ze vervolgens te deporteren naar Auschwitz. Oudste dochter Duifje, die inmiddels is getrouwd, blijft met haar echtgenoot achter in Leek, evenals schoon- en grootvader Hartog Denneboom.

Het familielid dat geadviseerd heeft om onder te duiken, brengt Eva in contact gebracht met Zeistenaar Ferdinand Bosschart. Die spreekt met haar af, dat hij haar en de meisjes op donderdag 17 september 1942 zal afhalen op station Amersfoort. Hij neemt hen dan mee naar Zeist, waar hij Eva en dochter Hertha onderbrengt bij het gezin Versluis-Trouw, op Graaf Janlaan 108, en dochter Selma op een naburig onderduikadres.

De illegaal werkers op het gemeentehuis registreren Eva Denneboom-Nathans als de ‘weduwe Hendrika van Remmerden-van Lunteren, geboren op 15 oktober 1897 in Leiden, en Hertha als ‘Wilhelmina Alida van Remmerden’, geboren op 2 maart 1932 in Hamburg. Wie ze als ‘Hendrika Cornelia van Remmerden (Hamburg, 16 juli 1928)’ registreren, staat niet vast.

Graaf Janlaan 108 is een mooi huis dat de bewoners, het echtpaar Jan en Aaltje Versluis-Trouw, zelf voor de bezetting heeft laten bouwen. Ze zijn in 1929 teruggekomen uit Nederlands-Indië, waar Jan Versluis in het onderwijs heeft gewerkt. Na eerst in Baarn en Haarlem gewoond te hebben, zijn ze naar Zeist gegaan, mogelijk omdat daar meer oud-Indiëgangers wonen. Jan en Aaltje Versluis-Trouw en hun dochter Mina zijn hervormd en handelen uit de christelijke overtuiging dat de joodse medemensen bijgestaan moeten worden.

De zusjes Selma en Hertha zien elkaar tijdens de onderduikperiode heel af en toe, omdat ze in dezelfde buurt wonen, maar niemand mag merken dat ze zusjes zijn. Als ze allebei in de rij bij de bakker staan, spreken ze niet met elkaar. Ze praten dan met hun handen.

Maar eigenlijk mogen de onderduiksters overdag niet naar buiten, uit angst voor ontdekking. De eerste keer dat ze zo het bos inlopen, schrikken Jan en Aaltje Versluis-Trouw geweldig. Na het vallen van de duisternis, mogen ze even kort in een nabijgelegen bosje lopen, ‘s avonds, om wat frisse lucht in te ademen. Omdat ze binnen moeten blijven, geeft Jan Versluis Hertha Denneboom thuis onderwijs.

Ferdinand Bosschart blijft intussen in contact met het gezin Versluis-Trouw en helpt met de basale levensbehoeften. Hij organiseert zelfs een tijdje Hebreeuwse lessen bij hem thuis voor een aantal joodse kinderen in de buurt, tot dat te gevaarlijk wordt. Hij handelt op eigen initiatief, zonder de steun van een illegale organisatie, gemotiveerd door wat hij en zijn vrouw beschouwen als hun christenplicht.

Graaf Janlaan 108 ligt aan de bosrand, op enige afstand van andere huizen in de laan. Het huis is met drie slaapkamers beslist niet te ruim voor vier volwassenen en een kind. Eva Denneboom-Nathans en Hertha slapen op zolder. Overdag zijn ze gewoon beneden. Onder de eetkamer is een schuilkelder, maar alle kamers komen uit op de hal en de trap is direct naast de voordeur. Dat is een probleem met onderduikers. In de tuin is ook een schuilkelder, deels onder en deels boven de grond. Het lijkt een heuveltje in de struiken. Maar de trap is en blijft een risico als de onderduiksters bij een razzia naar een van die schuilplaatsen moeten. Dat blijkt als er Duitsers aan de deur komen. De twee onderduiksters rennen gillend naar beneden, de voordeur langs en de schuilplaats in. Gelukkig zijn het geen fanatieke Duitsers. Ook niet de Duitsers die bij een razzia op onderzoek komen. Ze gaan niet naar boven. Maar het zijn natuurlijk angstige momenten. Misschien biedt de aanwezigheid van hoge NSB’ers enige bescherming voor hun directe omgeving?

De onderduiksituatie is zowel voor onderduiksters als onderduikgevers belastend. Het echtpaar Versluis-Trouw doet fietsen en radio weg, want die kunnen aanleiding zijn voor een huiszoeking. Zo komen ze als bange mensen te boek te staan. Er zijn ook spanningen. Onderduikster Eva heeft geen gemakkelijk karakter en dat botst nogal eens met onderduikgeefster Aaltje.

Dat kan ook de reden zijn geweest voor beëindiging van de onderduiksituatie. Misschien wordt het te zwaar voor de onderduikgeefster die in 1936 een voor die tijd gevaarlijke maagoperatie heeft ondergaan, in 1939-1940 zelfs een jaar het bed heeft moeten houden en nog steeds maagpatiënt is. In augustus 1944 kunnen de onderduiksters niet langer bij het echtpaar Versluis-Trouw blijven. Ferdinand Bosschart haalt moeder en dochter Hertha op en brengt ze onder op verschillende adressen.

Als de bevrijding komt, is moeder Eva ziek. Haar dochters keren in mei 1945 alvast terug naar Leek. De conducteur van de Drachtster tram van Groningen naar Leek herkent ze en roept: ‘De meisjes Denneboom zijn terug!’ Ze kunnen terug in hun ouderlijk huis en de gemeente helpt. Het huis wordt schoongemaakt, ze krijgen in beslag genomen meubels van NSB’ers en anderen zoeken meubels voor ze uit. Hun moeder komt wat later terug en zet de modezaak voort, geholpen door Selma.

Ze horen dat in totaal 33 familieleden vermoord zijn, waaronder echtgenoot en vader Herman, oudste dochter Duifje en haar echtgenoot. Eva Denneboom-Nathans stort in en wordt opgenomen in een psychiatrische inrichting. Er is daarna geen contact meer met de voormalige onderduikgevers.

– 0 – 0 – 0 –

Hertha Denneboom gaat in 1947 naar Palestina. Zus Selma volgt in 1948, vlak voor de oprichting van de joodse staat. Hun moeder volgt weer een jaar later. Hertha en Selma trouwen, krijgen gezinnen en bouwen een nieuw leven op. Ze maken nieuwe oorlogen mee en de herinneringen aan de bezetting in Nederland verdwijnen naar de achtergrond.

Dat gaat goed tot Hertha’s dochter Reli een scriptie wil maken over de onderduik. Dan moet er verteld worden, vinden de drie dochters van Hertha. Ze doet het aanvankelijk mondjesmaat, maar zo keren de onderduikjaren wel terug. Bij haar nazaten leeft sterk het idee: ‘Als jij niet overleefd had, waren wij er niet geweest.’ Kinderen en kleinkinderen willen weten waar ze ondergedoken heeft gezeten.

Het brengt Hertha Denneboom en Selma Denneboom er toe om hun voormalige helpers te eren. Op 5 december 1985 worden Ferdinand en Agatha Bosschart-van der Zwalm, Jan en Aaltje Jannigje Versluis-Trouw postuum en hun dochter Mina de Vries-Versluis door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren.

Er blijft contact tussen Hertha Denneboom en kleindochter Ria Huijser-Verhoef van de voormalige onderduikgevers. In mei 2008 belt Ria aan bij de bewoners van Graaf Janlaan 108, Karel van Grondelle, of Hertha Denneboom, haar drie dochters en een nichtje het huis nog een keer mogen bezoeken.

Karel van Grondelle stelt zijn huis open en de jongste dochter van Hertha Denneboom, beroepsfotografe Reli Avrahami, maakt op het voormalige onderduikadres van haar moeder foto’s voor een reportage over joodse onderduikers. Deze foto’s worden drie jaar later, in mei 2011, geëxposeerd in Amersfoort in het Armando Museum Bureau als onderdeel van de tentoonstelling ‘Aantekeningen over het verleden / Notes Concerning the Past’, in combinatie met bekende foto’s van Armando.

Medio november 2015 keren Selma Denneboom (89) en haar zuster Hertha (84) terug naar Nederland, voor de ceremoniële plaatsing van struikelstenen voor Holocaust-slachtoffers in het Groningse Leek. Ze geven dan een interview aan het Reformatorisch Dagblad. ‘Leek was vroeger het Jodendorp, nu woont er nog maar één Jood’, verzucht Selma Denneboom bij die gelegenheid. De zussen voelen zich na al die jaren nog steeds verbonden met hun geboorteplaats. Ook omdat de Joodse school en het museum de herinnering aan de vroegere joodse gemeenschap levend houden en voor de struikelstenen gezorgd hebben. Selma op die dag, mijmerend: ‘Vandaag voelt als een begrafenis. De in de kampen vermoorde familieleden hebben nooit een graf gekregen. Nu zijn er stenen met hun namen op de plek waar ze woonden. Het is alsof we hen vandaag hebben begraven.

Bronnen:

  • Reddingsverhalen Yad Vashem voor Ferdinand Martinus en Agatha Johanna Bosschart-van der Zwalm respectievelijk voor Jan en Aaltje Jannigje Versluis-Trouw en hun dochter Mina Gabrielle Alida de Vries-Versluis
  • Zie het bewezen onderduikadres Amalia van Solmslaan 63
  • Gemeentearchief Zeist, 1499-5500, register van illegalen, valse persoonsregistraties van ‘Hendrika van Remmerden-van Lunteren’, ‘Wilhelmina Alida van Remmerden’ en ‘Hendrika Cornelia van Remmerden’
  • Zie het bewezen onderduikadres Oranje Nassaulaan 34 (volgende onderduikadres van Hertha Denneboom)
  • Mededelingen van Karel van Grondelle
  • verheuldenaam.blogspot.com (Van waar dit blog, door Marike Verheul op 15 september 2011).

  • Interview met Selma en Hertha Denneboom in het Reformatorisch dagblad van 13 november 2015, ‘Joodse zussen herdenken vermoorde familieleden met Stolpersteine’ (Rosanne de Boer)

1. Graaf Janlaan 108

2. Hertha (links) en Selma Denneboom in de jaren dertig

3. Eva Denneboom-Nathans met haar dochters Duifje, Selma en Hertha

4. Graaf Janlaan 108, kort na de bouw in de jaren dertig

5. De zusjes Selma (links) en Hertha

6. Het echtpaar Versluis-Trouw

7. Valse registratie van onbekende (vermoedelijk joodse) onderduiker

8. Er werd in Israël ook een boom geplant voor de onderduikgevers

9. Eerbetoon aan de onderduikgevers. Links Hertha Denneboom, oftewel Tzvia Caspi